Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-06-03
ECLI:NL:CRVB:2026:742
Weigering terug te komen van het eerder vastgestelde dagloon terecht. Weigering ZW-dagloon te verhogen blijft in stand. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 29, zevende lid, van de ZW niet dat het dagloon voor de ZW-uitkering wordt gebaseerd op het voor de WW-uitkering vastgestelde dagloon. Uit deze bepaling volgt immers slechts dat de systematiek voor de vaststelling van het dagloon dezelfde is. Bij een juiste vaststelling van het WWdagloon volgt daaruit wel dat de ZWdagloon wordt vastgesteld conform het eerder vastgestelde WWdagloon. Deze werkwijze is ook beschreven in onderdeel 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het ZWdagloon moet worden gekoppeld aan het WWdagloon als dit WWdagloon onjuist – dat wil zeggen: niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen – is vastgesteld. Uit het feit dat het Uwv in dit geval uitsluitend vanwege het vertrouwensbeginsel de verhoging van het WWdagloon is stand heeft gelaten, volgt daarom niet dat ook het ZWdagloon moet worden verhoogd. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2025, 23/726 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 3 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd het eerder vastgestelde ZWdagloon te verhogen, ondanks het feit dat het Uwv een eerdere verhoging van het WWdagloon in stand heeft gelaten. Volgens appellant volgt uit artikel 29, zevende lid, van de ZW dat het Uwv het ZWdagloon moet verhogen. De Raad volgt appellant hierin niet, omdat het Uwv de verhoging van het WWdagloon in stand heeft gelaten in verband met een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken toegezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wieleman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant is van 1 augustus 2012 tot 1 december 2017 werkzaam geweest als productiemedewerker reclame voor 36 uur per week bij [naam] , handelend onder de naam [ex-werkgeefster] (ex-werkgeefster). 1.2. Met een besluit van 12 december 2017 heeft het Uwv aan appellant vanaf 1 december 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De WW-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 70,58. 1.3. Op 19 maart 2018 heeft appellant zich ziekgemeld. Met een besluit van 7 juni 2018 heeft het Uwv aan appellant vanaf 18 juni 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De ZW-uitkering is gebaseerd op het WW-dagloon van appellant. Het WW-dagloon bedroeg op dat moment € 71,14, zodat het ZWdagloon ook is vastgesteld op € 71,14. 1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 13 maart 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 19 april 2019 beëindigd, omdat appellant in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft geconstateerd dat appellant minder loon heeft ontvangen dan gebruikelijk is voor de werkzaamheden die hij verrichtte, maar dat hij dit blijkbaar heeft geaccepteerd. Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland heeft bij uitspaak van 9 september 2020 het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad heeft op 12 oktober 2022 deze uitspraak bevestigd. 1.5. Met ingang van 19 april 2019 is de WWuitkering voortgezet. Deze uitkering is met ingang van 31 december 2020 geëindigd wegens het verstrijken van de maximale uitkeringsduur. 1.6. Op 23 december 2020 hebben appellant en ex-werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van appellant is gebleken dat het maatmaninkomen van appellant hoger is dan het tussen partijen overeengekomen, en aan appellant gedurende het dienstverband uitbetaalde, loon. Volgens deze overeenkomst hebben partijen over de hoogte van het door appellant te verdienen salaris diverse gesprekken gevoerd en zijn zij een (gedeeltelijke) nabetaling van achterstallig salaris overeengekomen. In de overeenkomst is opgenomen dat de overeengekomen looncorrectie ten aanzien van de door appellant verrichte werkzaamheden betrekking heeft op een periode van twaalf maanden. Overeengekomen is dat ex-werkgeefster aan appellant een saldo van 2076 uur zal uitbetalen op basis van een bruto uurloon van € 20,65 minus het tijdens het dienstverband reeds betaalde uurloon van € 8,02. Het te betalen bedrag is (€ 12,63 x 2076 uur =) € 26.219,88 bruto exclusief vakantiegeld. Werkgeefster heeft nadien verklaard dat de nabetaling betrekking heeft op de periode van december 2016 tot en met november 2017. 1.7. Bij brief van 10 januari 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om een herberekening van zijn WW-uitkering. Bij zijn verzoek heeft appellant onder meer een afschrift van de vaststellingsovereenkomst gevoegd. 1.8. Met een besluit van 22 januari 2021 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant vanaf 1 december 2017 herzien. Het Uwv heeft het dagloon opnieuw berekend. Het dagloon van appellant is vastgesteld op € 181,73. Het maandloon van appellant is vastgesteld op € 3.952,63. Met een besluit van 25 januari 2021 heeft het Uwv de toeslag op de WW herzien. Met een volgend besluit van 25 januari 2021 heeft het Uwv het ZWdagloon van appellant vanaf 18 juni 2018 herzien naar € 183,18. 1.9. Bij besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv het besluit van 22 januari 2021 – over de herziening van het WW-dagloon – ingetrokken. Volgens het Uwv voldoet de verhoging niet aan de gestelde voorwaarden, omdat de betaling door ex-werkgeefster niet een betaling betreft die in voor de vaststelling van het dagloon relevante referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. 1.10. Met een besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv de besluiten van 25 januari 2021 over de herziening van het ZW-dagloon en de toeslag ingetrokken. Het dagloon, zoals vastgesteld in het besluit van 7 juni 2018 waarbij appellant de ZWuitkering is toegekend, blijft van kracht. 1.11. Bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het in 1.9 genoemde besluit van 15 februari 2021 over het WW-dagloon ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat niet gebleken is dat appellant op niet mis te verstane wijze zijn ex-werkgeefster heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren, zodat de nabetaling op 26 december 2020 niet bij de berekening van het WW-dagloon betrokken kan worden. 1.12. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juni 2021. Uit het procesverbaal van de zitting van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2022 blijkt dat het Uwv ter zitting de beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 en het besluit van 15 februari 2021 over het WWdagloon heeft ingetrokken. Appellant heeft hierop zijn beroep ingetrokken. 1.13. Bij brief van 6 september 2022 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de afdeling WW op de hoogte is gesteld van het feit dat het Uwv het besluit van 15 februari 2021 heeft ingetrokken zodat het besluit van 22 januari 2021 onveranderd van kracht blijft. 1.14. Bij besluit van 19 september 2022 heeft het Uwv het verzoek van appellant om herziening van het ZWdagloon afgewezen. Het Uwv heeft vastgesteld dat de aanvankelijke verhoging van het dagloon bij beslissing van 25 januari 2021 bij beslissing van 15 februari 2021 ongedaan is gemaakt en dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Volgens het Uwv is er geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden om van het besluit van 7 juni 2018 terug te komen. 1.15. Bij beslissing op bezwaar van 23 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2022 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Het Uwv heeft toegelicht dat het dagloon voor de ZWuitkering wordt vastgesteld volgens de dagloonbepalingen van de WW, maar dat dit niet betekent dat voor de ZWuitkering het dagloon van de WWuitkering wordt overgenomen. De grond dat de nabetaling van de exwerkgeefster vorderbaar en niet inbaar was in de referteperiode had appellant ook al kenbaar kunnen maken tegen het besluit van 15 februari 2021. Volgens het Uwv zijn de besluiten van 15 februari 2021 en 7 juni 2018 niet evident onjuist. 1.16. De rechtbank heeft het beroep van appellant behandeld op een zitting van 15 mei 2024. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 6 september 2022, genoemd onder 1.13, een nieuw feit oplevert, De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het besluit van 29 mei 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv bestreden besluit 1 vervangen. Hoewel de brief van 6 september 2022 mogelijk is op te vatten als een nieuw feit, ziet het Uwv geen aanleiding het ZW-dagloon, zoals dat is vastgesteld in het besluit van 7 juni 2018, te herzien. De omstandigheid dat voor wat betreft de WWuitkering in de beroepsprocedure te kennen is gegeven dat op grond van het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel de uitkering wordt uitbetaald naar het verhoogde dagloon, betekent niet dat dit ook voor de ZWuitkering moet worden toegepast. Uitbetaling van het ziekengeld naar het dagloon van € 71,14 is volgens het Uwv niet in strijd met het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel. De ZW-uitkering is nimmer uitbetaald naar het dagloon van € 181,73. Verder heeft het Uwv herhaald dat niet gebleken is dat de nabetaling van de ex-werkgeefster in de referteperiode niet inbaar was. Dat beide partijen volgens eigen zeggen niet op de hoogte waren van het feit dat de algemeen verbindend verklaarde cao van toepassing was, maakt niet dat het loon niet-inbaar is in de referteperiode. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 2 in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en tot betaling van het griffierecht van appellant in beroep. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat in beroep in geschil is of het Uwv de na de referteperiode uitbetaalde 2076 uren mee had moeten nemen in de berekening van het dagloon. Dit is volgens de rechtbank niet het geval. Niet gebleken is dat appellant exwerkgeefster tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand om het niet uitbetaalde loon over de 2076 uren te betalen. Niet valt in te zien waarom appellant ex-werkgeefster niet eerder had kunnen manen tot betaling van dat loon over een periode van twaalf maanden. De enkele omstandigheid dat hij feitelijk niet eerder een betaling van zijn vordering had kunnen verkrijgen omdat er in de referteperiode sprake was van betalingsonmacht bij ex-werkgeefster als gevolg van een ondernemingsverlies van € 9.954,- duidt niet op een situatie van niet-inbaarheid tijdens de referteperiode. Dat het vorderbare loon niet tevens inbaar was in de referteperiode is volgens de rechtbank dan ook niet gebleken. 2.2. Voor zover appellant heeft gesteld dat uit artikel 29, zevende lid, van de ZW volgt dat het ZW-dagloon het WW-dagloon zou moeten volgen, heeft de rechtbank hem evenmin gevolgd. Het herziene WW-dagloon van € 181,73, zoals neergelegd in het besluit van 22 januari 2021, is in stand gebleven vanwege een door het Uwv gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel en niet omdat dit een correcte berekening was. Het Uwv is volgens de rechtbank in dit geval niet verplicht het ZWdagloon op dezelfde wijze vast te stellen als het WW-dagloon, omdat het Uwv niet verplicht is de verkeerde berekening te herhalen met betrekking tot het ZWdagloon. Om diezelfde reden mocht appellant er op grond van het rechtszekerheidsbeginsel redelijkerwijs niet van uitgaan dat het ZWdagloon het WWdagloon zou volgen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant moet het Uwv de berekening van het WWdagloon volgen bij de vaststelling van het ZWdagloon en het vastgestelde WWdagloon overnemen bij de vaststelling van het ZWdagloon. Appellant heeft in dit verband verwezen naar artikel 29, zevende lid, van de ZW en het Handboek Uwv ‘Wetsuitleg dagloonregels’. Volgens appellant was het Uwv verplicht de uitleg onder 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels te volgen en was het Uwv verplicht om bij de vaststelling van het ZW-dagloon het vastgestelde WW-dagloon over te nemen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2 over de weigering terug te komen van het eerder vastgestelde dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en artikel 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels uit het handboek van het Uwv zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 6. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het in rechtsoverweging 2.2 samengevatte oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daarover het volgende. 6.1. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 29, zevende lid, van de ZW niet dat het dagloon voor de ZWuitkering wordt gebaseerd op het voor de WWuitkering vastgestelde dagloon. Uit deze bepaling volgt immers slechts dat de systematiek voor de vaststelling van het dagloon dezelfde is. Bij een juiste vaststelling van het WWdagloon volgt daaruit wel dat de ZWdagloon wordt vastgesteld conform het eerder vastgestelde WWdagloon. Deze werkwijze is ook beschreven in onderdeel 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het ZWdagloon moet worden gekoppeld aan het WWdagloon als dit WWdagloon onjuist – dat wil zeggen: niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen – is vastgesteld. Uit het feit dat het Uwv in dit geval uitsluitend vanwege het vertrouwensbeginsel de verhoging van het WWdagloon is stand heeft gelaten, volgt daarom niet dat ook het ZWdagloon moet worden verhoogd. 6.2. De stelling van appellant dat de verhoging van het WWdagloon bij het besluit van 22 januari 2021 wel juist was en dat het Uwv de intrekking van dit besluit bij beslissing van 15 februari 2021 en de beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 om die reden heeft ingetrokken, wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft zowel op de zitting bij de rechtbank als bij de Raad uiteengezet dat de besluiten van 15 februari 2021 en 11 juni 2021 zijn ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit tot verhoging van het dagloon verwachtingen had gewekt, er door het Uwv al een nabetaling van de WW-uitkering had plaatsgevonden en appellant ook aan het zogenoemde dispositievereiste heeft voldaan, omdat hij het geld al had uitgegeven. Gelet op deze omstandigheden zou het in strijd met het rechtszekerheid- en/of vertrouwensbeginsel zijn geweest om de verhoging van het dagloon ongedaan te maken. Appellant heeft dit op de zitting bij de Raad niet tegengesproken. Bovendien is in het kader van de procedure over de beëindiging van de ZWuitkering door de Raad ook al vastgesteld dat (handhaving van) de verhoging van het WW-dagloon niet zozeer het wettelijk gevolg is van de nabetaling, maar zijn grondslag vindt in het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Het Uwv heeft daarom het ZW-dagloon niet aangepast.