Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-14
ECLI:NL:CRVB:2026:74
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2024, 24/445 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gemeente Haarlem (ex-werkgever) Datum uitspraak: 14 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant gedurende vier maanden met 25% heeft verlaagd, omdat hij de verplichting mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid niet is nagekomen. Appellant betwist dat hij deze verplichting niet is nagekomen. De Raad volgt het standpunt van appellant niet. Het Uwv heeft terecht de uitkering van appellant gedurende vier maanden met 25% verlaagd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Namens de ex-werkgever heeft mr. L.M. Burger, advocaat, verzocht om als belanghebbende partij deel te nemen aan de procedure. De ex-werkgever heeft een zienswijze gegeven. Appellant heeft desgevraagd geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan de exwerkgever ter kennisname te brengen. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 november 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. De exwerkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam], werkzaam bij de gemeente Haarlem, en mr. Burger. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant was sinds 25 januari 1999 in dienst bij ex-werkgever. Op 23 september 2020 heeft hij zich ziekgemeld. Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen ex-werkgever en appellant met ingang van 1 juli 2022 ontbonden. Bij beschikking van 18 juli 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam deze beschikking bekrachtigd. 1.2. Het Uwv heeft appellant per 1 juli 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend en heeft deze ZW-uitkering per 21 september 2022 beëindigd. Het Uwv heeft appellant vervolgens per 21 september 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. 1.3. Ex-werkgever is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de WW. De WW-uitkering van appellant wordt op ex-werkgever verhaald. Ex-werkgever is in haar hoedanigheid als overheidswerkgever op grond van artikel 72a van de WW verantwoordelijk voor de re-integratie van haar ex-werknemers. Vanaf 6 januari 2023 heeft ex-werkgever de begeleiding van de re-integratie van appellant uitbesteed aan [naam bedrijf 1] . 1.4. Op 9 mei 2023 heeft ex-werkgever met het formulier ‘Melden verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject’ bij het Uwv melding gedaan van verwijtbaar gedrag door appellant bij [naam bedrijf 1] . In deze melding is onder meer vermeld dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij niet in staat is om een opleiding te volgen voor mei 2023 en dat hij pas in september 2023 wil gaan starten met een aan hem aangeboden baan in verband met de afhandeling van juridische zaken tegen ex-werkgever. Omdat appellant al zijn tijd en energie steekt in juridische procedures tegen de gemeente en niet in het vinden van ander werk en (dus) niet dan wel onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie, heeft [naam bedrijf 1] besloten om met de bemiddeling te stoppen. Het Uwv heeft appellant verzocht daarop te reageren. Bij brief (met bijlagen) van 27 juni 2023 heeft appellant gereageerd. 1.5. Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 juli 2023 tot 1 november 2023 met 25% verlaagd, omdat hij zich niet aan alle verplichtingen van de WW heeft gehouden. 1.6. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2023 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard e Deze open dag vond bovendien plaats in de periode van zes maanden na toekenning van de WW-uitkering per 21 september 2022 waarin sprake moet zijn van passende arbeid (als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de WW). Appellant heeft verder een toelichting gegeven op de gang van zaken bij [naam B.V.] en de onmogelijkheid voor hem om per 1 mei 2023 te starten met het leerwerktraject. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat in mei 2023 drie zittingen zouden plaatsvinden in het kader van door hem aangespannen procedures, dat sprake was van in die periode toenemende mantelzorgtaken voor zijn bejaarde moeder en tante en dat hij toe was aan een lange(re) zomervakantieperiode. Het eerstvolgende leer-werktraject startte pas per september 2023. Ook heeft appellant gesteld dat [naam bedrijf 1] de door haar zelf nuttig geachte Beroepenoriëntatietest en LinkedIn-cursus nooit heeft aangeboden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW neergelegde verplichting mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid niet is nagekomen. In verband daarmee heeft het Uwv op grond van artikel 27, derde lid, van de WW en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten een maatregel opgelegd van 25% gedurende vier maanden. Het standpunt van de ex-werkgever 5. Ex-werkgever heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv. Het oordeel van de Raad 6. Voor een weergave van de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. 6.1. De gronden dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding, een ondeugdelijke onderbouwing en een ondeugdelijke totstandkoming van het bestreden besluit en dat rekening moet worden gehouden met de voorgeschiedenis, zijn een herhaling van wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen. 6.2. Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt dat het Uwv de conclusie dat appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen, heeft gebaseerd op de volgende gedragingen van appellant: Het niet per 1 mei 2023 starten met het leerwerktraject bij [naam B.V.] ; Het niet starten met het oriëntatietraject bij [naam stichting] ; Het door zijn houding en gedrag onvoldoende doen met de adviezen en het aanbod van ondersteuning door [naam bedrijf 1] , waaronder mede wordt begrepen dat door zijn houding en gedrag niet is toegekomen aan de in de beginfase van het traject afgesproken Beroepenoriëntatie en de cursus LinkedIn. 6.2.1. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de gespreksverslagen van [naam bedrijf 1] , omdat dit eenzijdig opgestelde verslagleggingen zijn waarmee een vertekend beeld is gegeven van de situatie. Deze stelling, wat daar ook van zij, treft geen doel. Uit de overige, voornamelijk door appellant aangedragen, stukken en de toelichting van appellant in hoger beroep (onder meer ter zitting) blijkt namelijk het volgende. Appellant heeft op 13 maart 2023 gesproken met een medewerker van [naam B.V.] . In vervolg daarop heeft appellant op 5 april 2023 een onlinekennisbijeenkomst van [naam B.V.] bijgewoond. Op 18 april 2023 heeft vervolgens een persoonlijk kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van [naam B.V.] en appellant. In de week van 24 april 2023 tot en met 28 april 2023 heeft [naam B.V.] appellant bericht dat hij kon deelnemen aan een leerwerktraject, waarvan de eerstvolgende start per 1 mei 2023 was.