Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-08
ECLI:NL:CRVB:2026:7
23/3046 WSF Datum uitspraak: 8 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023, 22/2034 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING De rechtbank heeft de ov-schuld die voor betrokkene is vastgesteld teniet gedaan. Betrokkene kon het volgens de rechtbank niet worden toegerekend dat zij haar studentenreisproduct niet tijdig had stopgezet in de maanden september tot en met november 2021 vanwege de onduidelijke berichtgeving van de minister rond het verlengen van het reisrecht voor studenten vanwege corona. De Raad komt tot een ander oordeel. Betrokkene had namelijk moeten begrijpen dat zij geen recht had op een reisvoorziening omdat zij niet meer studeerde. Dat betekent dat de ov-schuld in stand blijft. Deze uitspraak is in lijn met de uitspraken die de Raad eerder deed over de verlenging van het reisrecht voor studenten. PROCESVERLOOP De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene heeft deelgenomen aan de zitting via Teams. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Betrokkene heeft studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontvangen, waaronder in 2021. 1.2. In een besluit van 19 maart 2021 (besluit 1) heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat aan studenten in het hoger onderwijs onder voorwaarden twaalf maanden extra reisvoorziening wordt toegekend. Met een besluit van eveneens 19 maart 2021 (besluit 2) heeft de minister betrokkene voor augustus tot en met december 2021 een reisvoorziening toegekend in de vorm van een (week)reisrecht. De minister heeft dat besluit (onder meer) gebaseerd op het gegeven dat betrokkene op 1 augustus 2021 ingeschreven stond voor een wo-master Rechtsgeleerdheid. 1.3. Appellante heeft op 30 augustus 2021 haar diploma behaald en is met ingang van 1 september 2021 niet langer bij een onderwijsinstelling als student ingeschreven. 1.4. Met een besluit van 11 november 2021 heeft de minister vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een reisvoorziening over september tot en met december 2021 omdat zij niet ingeschreven staat bij een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. In een brief van 14 november 2021 heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat zij per 14 november 2021 niet meer kan reizen met haar reisproduct omdat zij daar geen recht meer op heeft. 1.5. In een besluit van 10 december 2021 heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat zij een ov-schuld van € 548,03 heeft omdat zij in de periode september tot en met november 2021 geen reisrecht had en daarom ten onrechte heeft gereisd met haar reisproduct. 1.6. Met zijn besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 december 2020 ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de voor betrokkene vastgestelde ov-schuld ongedaan gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden van het geval niet kan worden betoogd dat het betrokkene kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet. Uit het besluit van 19 maart 2021 van de minister volgt onvoldoende duidelijk welk toetsmoment door de minister wordt gehanteerd bij de beoordeling of iemand recht heeft op de verlenging van de reisvoorziening. Het standpunt van de minister dat voor toepassing van de verlenging als voorwaarde blijft gelden dat betrokkene nog stond ingeschreven aan een onderwijsinstelling en dit een hoofdregel van de Wsf 2000 betreft waarvan betrokkene wordt geacht op de hoogte te zijn, doet niet aan dit oordeel af. Deze Concreet gaat het in deze zaak dan om de vraag of betrokkene uit de besluiten die haar zijn toegezonden heeft mogen afleiden dat zij in de periode september tot en met november 2021 gebruik heeft mogen maken van haar reisproduct, ook zonder dat zij was ingeschreven bij een onderwijsinstelling. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is. 4.3.1. In besluit 1 van 19 maart 2021 is onder meer het volgende vermeld: “De verlenging geldt voor iedereen die: nog ingeschreven staat bij een opleiding die recht geeft op studiefinanciering (…) U kunt alleen gebruik maken van de reisvoorziening als u ingeschreven staat voor een opleiding en u nog recht hebt op studiefinanciering.” In besluit 2 van 19 maart 2021 staat verder vermeld: “Bent u klaar met uw opleiding of stopt u? Zet dan uw studiefinanciering zo snel mogelijk stop in Mijn DUO. Zet ook uw studentenreisproduct stop. Doe dat uiterlijk op de 10e van de 1e maand waarin u geen recht meer heeft op het studentenreisproduct. Reist u er toch mee terwijl u er geen recht meer op heeft? Dan krijgt u een ov-boete. In de eerste maand is deze boete € 78,29 per halve maand, daarna € 156,58 per halve maand. Ga voor meer informatie over stopzetten naar studentenreisproduct.nl.” 4.3.2. Besluit 1 heeft betrekking op de aan alle studenten in het hoger onderwijs toegekende verlenging van het reisrecht, maar nadrukkelijk onder de voorwaarde dat gebruik daarvan slechts mogelijk is als er sprake is van een inschrijving op het moment van het gebruik van dat verlengde recht. Het is ook niet zo dat, anders dan appellante stelt te hebben afgeleid uit de context en vorm van het besluit, de ‘coronaverlenging’ was bedoeld als algemene compensatie voor studenten omdat zij hun reisrecht tijdelijk minder konden gebruiken. De door de minister gegeven informatie biedt aan die stelling ook geen steun. Ook als ervan zou worden uitgegaan dat de minister appellante vaker ‘onjuist zou hebben geïnformeerd’, dan leidt dat voor deze zaak niet tot een andere conclusie. Daarbij is van betekenis dat over de verlenging informatie op de website van de DUO te raadplegen was, die eventuele twijfel over de voorwaarden voor de verlenging had kunnen wegnemen. Dat betrokkene daar niet aan gedacht, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft komt voor haar risico. 4.3.3. Betrokkene is er ook in besluit 2 op gewezen dat zij als zij klaar is met haar opleiding haar studiefinanciering moet stopzetten en dat dan ook het reisproduct moet worden stopgezet. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Wsf 2000, waarop de minister ook heeft gewezen. Zou betrokkene zich hieraan hebben gehouden, dan zou zij bij de terugmelding van de stopzetting van haar studiefinanciering te horen hebben gekregen dat zij haar reisproduct moest stopzetten. 4.4. Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de minister slaagt. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de gronden zal bespreken waar de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak van betrokkene niet aan is toegekomen. 4.5. Betrokkene heeft betoogd dat de schuld langer is opgelopen dan nodig en dat die daarom niet redelijk en billijk is, en dat het haar in rekening gebrachte bedrag onevenredig is ten opzichte van het bedrag dat zij met haar reizen heeft gemaakt. 4.6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover appellante met een beroep op de ‘redelijkheid en billijkheid’ heeft beoogd een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel dan wel de hardheidsclausule neergelegd in artikel 11.5 van de Wsf 2000, slaagt deze reeds om de volgende redenen niet. Inschrijvingscontroles worden in fases gedaan in het lopende studiejaar vanaf de maand oktober. Voor die maand is gekozen omdat voor de bekostiging van het hoger onderwijs de inschrijvingen op de eerste dag van die maand bepalend zijn. Deze keuze is volgens vaste rechtspraak acceptabel. Dat deze keuze meebrengt dat studenten die hun rei