Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-14
ECLI:NL:CRVB:2026:62
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 september 2024, 24/1195 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de toeslag van appellante heeft herzien en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht aan appellante een boete heeft opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenplicht. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellante is mr. Van Dijk verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante ontvangt sinds 12 januari 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft op 19 oktober 2017 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. De toeslag is toegekend met ingang van 12 oktober 2017. 1.2. In het kader van een hercontrole is op 8 maart 2023 in een telefoongesprek met appellante gebleken dat haar partner in 2021 en 2022 heeft gewerkt en inkomen heeft gehad. Het Uwv heeft vervolgens informatie opgevraagd bij de Belastingdienst. Uit de ontvangen informatie bleek dat de partner van appellante in het belastingjaar 2021 winst uit onderneming had van € 19.107,-. De belastbare winst bedroeg € 9.977,-. Over 2022 was een voorlopige aanslag bekend, waarbij is uitgegaan van € 17.939,- winst uit onderneming en € 10.000,- belastbare winst. Het Uwv heeft met in achtneming van deze gegevens het recht op toeslag over de jaren 2021 en 2022 opnieuw berekend en vastgesteld dat appellante over deze jaren geen recht op toeslag had. 1.3. Bij besluit van 8 augustus 2023 is de toeslag van appellante per 1 augustus 2023 beëindigd, omdat de inkomsten van haar en haar partner hoger zijn dan het toepasselijke sociaal minimum. 1.4. Bij besluit van 5 september 2023 heeft het Uwv de toeslag van appellante over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 herzien en een bedrag van € 25.331,30 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellante teruggevorderd. 1.5. Bij een ander besluit van 5 september 2023 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd ter hoogte van € 4.392,- wegens schending van de inlichtingenplicht. 1.6. Appellante heeft tegen de besluiten van 5 september 2023 bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn met de beslissing op bezwaar van 1 februari 2024 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft doorgegeven dat haar partner werkt of inkomen heeft en appellante zich daarom niet heeft gehouden aan de inlichtingenplicht. Verder is volgens het Uwv de hoogte van de terugvordering juist vastgesteld en is terecht aan appellante een boete opgelegd. Nadere besluitvorming 1.7. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 22 augustus 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij het Uwv het bezwaar voor wat betreft de hoogte van de boete gegrond heeft verklaard en de opgelegde boete heeft verlaagd naar € 40,- in verband met het ontbreken van afloscapaciteit. Daarbij heeft het Uwv toegezegd de kosten in bezwaar te vergoeden. Voor het overige is bestreden besluit 1 in stand gehouden. Het Uwv heeft de motivering van dat besluit aangevuld met de conclusie dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien nu de terugvordering aan appellante te wijten is, omdat zij de inkomsten niet hee De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Schending inlichtingenplicht 5.1. Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellante, door geen opgave te doen van inkomsten van haar partner, de inlichtingenplicht heeft geschonden. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. 5.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Vaststaat dat appellante de inkomsten van haar partner niet heeft gemeld. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat zij de inkomsten aan haar consulent van het Uwv heeft gemeld, heeft het Uwv bij de betreffende werkcoach navraag gedaan. Uit een e-mail van 10 januari 2024 van deze werkcoach blijkt dat uit de aantekeningen van de gesprekken die zij met appellante heeft gehad, de financiële situatie van appellante enkel op 8 februari 2021 en in augustus 2023 ter sprake is gekomen. In augustus 2023 heeft appellante verteld over haar ziektekostenverzekering. Op 8 februari 2021 heeft de werkcoach genoteerd: “Haar man (ook arbeidsongeschikt maar geen uitkering) en haar kinderen (21, 15, 10 en 5 jaar) runnen de huishouding. Gezinsinkomen bestaat uit haar uitkering en een aanvulling van de Sociale Dienst”. Afgaande op deze gespreksaantekening blijkt dat appellante tijdens deze gesprekken niets heeft verteld over inkomsten van haar partner, maar juist te kennen geeft dat haar uitkering en een aanvulling daarop de enige inkomsten van het gezin waren. Het Uwv heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat de inkomsten ook niet aan de werkcoach zijn gemeld. De stelling van appellante dat de verslaglegging van het Uwv niet sluitend is en wellicht niet alles is opgeschreven wat zij heeft verteld, wordt niet gevolgd. Appellante betwist niet de juistheid van de weergave van wat zij tijdens de gesprekken met de werkcoach heeft gemeld. Het ligt niet in de rede dat de werkcoach informatie die van wezenlijk belang is voor de uitkering niet in een gespreksverslag zou vermelden. Herziening en terugvordering toeslag 5.3. Niet in geschil is dat vanwege het inkomen van de partner van appellante in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 geen recht bestond op toeslag. Gelet op artikel 11a, eerste lid, van de TW en artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv daarom gehouden de onverschuldigd betaalde toeslag te herzien en terug te vorderen. Dit is alleen anders indien sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien. Dringende reden 5.4. Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. 5.5. De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de herziening