Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-15
ECLI:NL:CRVB:2026:607
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,428 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:607 text/xml public 2026-05-20T15:40:11 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-15 25/1812 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:607 text/html public 2026-05-18T11:16:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:607 Centrale Raad van Beroep , 15-05-2026 / 25/1812 AOW De Raad Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. 25/1812 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1812 AOW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2025, 22/584 Partijen: [appellant] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 15 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 12 januari 2026 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekende brief van 12 februari 2026 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:607 text/xml public 2026-05-20T15:40:11 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-15 25/1812 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:607 text/html public 2026-05-18T11:16:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:607 Centrale Raad van Beroep , 15-05-2026 / 25/1812 AOW De Raad Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. 25/1812 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1812 AOW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2025, 22/584 Partijen: [appellant] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 15 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 12 januari 2026 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekende brief van 12 februari 2026 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.