Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-08
ECLI:NL:CRVB:2026:604
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
11,947 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:604 text/xml public 2026-05-20T15:34:39 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-08 25/1564 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:604 text/html public 2026-05-20T15:22:33 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:604 Centrale Raad van Beroep , 08-04-2026 / 25/1564 ZW Intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Gefingeerd dienstverband. Het Uwv heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Geen dringende reden. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/1564 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juni 2025, 24/2249 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 1 februari 2022 heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 terecht heeft teruggevorderd. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maar van een gefingeerd dienstverband. De Raad volgt dit standpunt. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote [naam echtgenote] en mr. Van der Molen-Platenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Appellant stond van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 geregistreerd met een dienstverband bij [bedrijf 1] B.V ( [bedrijf 1] ). Op 7 februari 2022 heeft [bedrijf 1] aan het Uwv doorgegeven dat appellant per 3 januari 2022 arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het Uwv appellant per 1 februari 2022, zijnde de datum van het einde van het dienstverband, een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.1. Nadat het Uwv op 19 mei 2022 een interne melding had ontvangen dat mogelijk sprake zou zijn van een zogeheten gefingeerd dienstverband, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar het dienstverband van appellant en de rechtmatigheid van de aan hem toegekende ZW-uitkering. In dit kader heeft het Uwv onder meer Suwinet, internet en het online register van de Kamer van Koophandel geraadpleegd, de Belastingdienst en de politie om informatie gevraagd, bij appellant loonstroken en bankafschriften opgevraagd en bij de boekhouder de journaalposten en grootboekrekening over 2021. Verder heeft op 22 december 2022 een gesprek plaatsgevonden met appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 5 april 2023. Het Uwv heeft op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [bedrijf 1] . 1.2. Bij besluit van 9 juni 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant ingetrokken per 1 februari 2022, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [bedrijf 1] en appellant daardoor niet als werknemer verzekerd was voor de ZW. 1.3. Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 van bruto € 40.664,47 van appellant teruggevorderd. 1.4. Appellant heeft, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 9 juni 2023 en 12 juni 2023. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat het Uwv, om een goed beeld te kunnen krijgen van de situatie, ook de eigenaar van [bedrijf 1] had moeten spreken. Het Uwv heeft vervolgens op 19 februari 2024 alsnog een gesprek gevoerd met [naam] , de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [naam] heeft het van dat gesprek opgemaakte verslag niet ondertekend. Het Uwv heeft vervolgens op 26 februari 2024 een aanvullend onderzoeksrapport opgesteld, waarop appellant heeft gereageerd. Bij beslissing op bezwaar van 4 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 juni 2023 en 12 juni 2023 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen [bedrijf 1] en appellant, waardoor appellant niet verzekerd was voor de ZW. Het Uwv heeft geen dringende reden gezien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in dat kader gesteld dat bij de invordering rekening gehouden wordt met de financiële situatie van appellant, dat op grond van de medische situatie van appellant geen reden bestaat om van terugvordering af te zien, en dat appellant de toename van zijn medische klachten niet heeft onderbouwd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. In de beroepsfase heeft het Uwv alsnog een door [naam] ondertekend gespreksverslag van het gesprek van 19 februari 2024 overgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit gespreksverslag slechts voor ontvangst is ondertekend door [naam] . Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat dit verslag een juiste en volledige weergave is van wat [naam] op 19 februari 2024 heeft verklaard. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het gespreksverslag van 19 januari 2024 (lees: 19 februari 2024) alsmede het aanvullend onderzoeksrapport van 26 februari 2024, voor zover dit het gesprek met [naam] betreft, buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft voor het overige het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat niet te veel betekenis gehecht mag worden aan het gesprek met appellant op 22 december 2022 en de hoorzitting op 31 oktober 2023 omdat appellant toen kampte met psychische problemen. 2.2. Door geen openheid van zaken te geven over de door hem uitgevoerde werkzaamheden, de betaling van het loon aan appellant en de betalingen door appellant op de rekening van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , waarvan [naam] eigenaar is, en door bovendien wisselend te verklaren, heeft appellant bij de rechtbank geen twijfel laten ontstaan over de juistheid van de aanname van het Uwv dat appellant geen arbeid heeft verricht en geen loon heeft ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant heeft daar niets tegenovergesteld dat tot een andere conclusie zou kunnen leiden. 2.3. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat dringende redenen op grond waarvan het Uwv van intrekking of terugvordering had moeten afzien, zijn gesteld noch gebleken. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. 3.1. Appellant is het eens met de conclusie van de rechtbank dat het gespreksverslag van 19 februari 2024 met [naam] buiten beschouwing moet worden gelaten omdat de inhoud van dat gesprek onvoldoende is gewaarborgd, maar kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van het Uwv verder zorgvuldig is verricht. In dat kader wijst appellant erop dat het Uwv al op 19 mei 2022 een melding heeft ontvangen en pas in november 2022 een onderzoek is gestart, en appellant pas op 22 december 2022 heeft gehoord. Door het tijdsverloop kon appellant zich niet meer alle details herinneren van de potentiële klanten die hij heeft bezocht en van de gokschulden die hij heeft ingelost op de bankrekening van [bedrijf 2] .
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:604 text/xml public 2026-05-20T15:34:39 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-08 25/1564 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:604 text/html public 2026-05-20T15:22:33 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:604 Centrale Raad van Beroep , 08-04-2026 / 25/1564 ZW Intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Gefingeerd dienstverband. Het Uwv heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Geen dringende reden. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/1564 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juni 2025, 24/2249 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 1 februari 2022 heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 terecht heeft teruggevorderd. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maar van een gefingeerd dienstverband. De Raad volgt dit standpunt. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote [naam echtgenote] en mr. Van der Molen-Platenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Appellant stond van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 geregistreerd met een dienstverband bij [bedrijf 1] B.V ( [bedrijf 1] ). Op 7 februari 2022 heeft [bedrijf 1] aan het Uwv doorgegeven dat appellant per 3 januari 2022 arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het Uwv appellant per 1 februari 2022, zijnde de datum van het einde van het dienstverband, een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.1. Nadat het Uwv op 19 mei 2022 een interne melding had ontvangen dat mogelijk sprake zou zijn van een zogeheten gefingeerd dienstverband, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar het dienstverband van appellant en de rechtmatigheid van de aan hem toegekende ZW-uitkering. In dit kader heeft het Uwv onder meer Suwinet, internet en het online register van de Kamer van Koophandel geraadpleegd, de Belastingdienst en de politie om informatie gevraagd, bij appellant loonstroken en bankafschriften opgevraagd en bij de boekhouder de journaalposten en grootboekrekening over 2021. Verder heeft op 22 december 2022 een gesprek plaatsgevonden met appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 5 april 2023. Het Uwv heeft op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [bedrijf 1] . 1.2. Bij besluit van 9 juni 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant ingetrokken per 1 februari 2022, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [bedrijf 1] en appellant daardoor niet als werknemer verzekerd was voor de ZW. 1.3. Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 van bruto € 40.664,47 van appellant teruggevorderd. 1.4. Appellant heeft, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 9 juni 2023 en 12 juni 2023. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat het Uwv, om een goed beeld te kunnen krijgen van de situatie, ook de eigenaar van [bedrijf 1] had moeten spreken. Het Uwv heeft vervolgens op 19 februari 2024 alsnog een gesprek gevoerd met [naam] , de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [naam] heeft het van dat gesprek opgemaakte verslag niet ondertekend. Het Uwv heeft vervolgens op 26 februari 2024 een aanvullend onderzoeksrapport opgesteld, waarop appellant heeft gereageerd. Bij beslissing op bezwaar van 4 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 juni 2023 en 12 juni 2023 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen [bedrijf 1] en appellant, waardoor appellant niet verzekerd was voor de ZW. Het Uwv heeft geen dringende reden gezien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in dat kader gesteld dat bij de invordering rekening gehouden wordt met de financiële situatie van appellant, dat op grond van de medische situatie van appellant geen reden bestaat om van terugvordering af te zien, en dat appellant de toename van zijn medische klachten niet heeft onderbouwd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. In de beroepsfase heeft het Uwv alsnog een door [naam] ondertekend gespreksverslag van het gesprek van 19 februari 2024 overgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit gespreksverslag slechts voor ontvangst is ondertekend door [naam] . Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat dit verslag een juiste en volledige weergave is van wat [naam] op 19 februari 2024 heeft verklaard. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het gespreksverslag van 19 januari 2024 (lees: 19 februari 2024) alsmede het aanvullend onderzoeksrapport van 26 februari 2024, voor zover dit het gesprek met [naam] betreft, buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft voor het overige het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat niet te veel betekenis gehecht mag worden aan het gesprek met appellant op 22 december 2022 en de hoorzitting op 31 oktober 2023 omdat appellant toen kampte met psychische problemen. 2.2. Door geen openheid van zaken te geven over de door hem uitgevoerde werkzaamheden, de betaling van het loon aan appellant en de betalingen door appellant op de rekening van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , waarvan [naam] eigenaar is, en door bovendien wisselend te verklaren, heeft appellant bij de rechtbank geen twijfel laten ontstaan over de juistheid van de aanname van het Uwv dat appellant geen arbeid heeft verricht en geen loon heeft ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant heeft daar niets tegenovergesteld dat tot een andere conclusie zou kunnen leiden. 2.3. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat dringende redenen op grond waarvan het Uwv van intrekking of terugvordering had moeten afzien, zijn gesteld noch gebleken. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. 3.1. Appellant is het eens met de conclusie van de rechtbank dat het gespreksverslag van 19 februari 2024 met [naam] buiten beschouwing moet worden gelaten omdat de inhoud van dat gesprek onvoldoende is gewaarborgd, maar kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van het Uwv verder zorgvuldig is verricht. In dat kader wijst appellant erop dat het Uwv al op 19 mei 2022 een melding heeft ontvangen en pas in november 2022 een onderzoek is gestart, en appellant pas op 22 december 2022 heeft gehoord. Door het tijdsverloop kon appellant zich niet meer alle details herinneren van de potentiële klanten die hij heeft bezocht en van de gokschulden die hij heeft ingelost op de bankrekening van [bedrijf 2] .
Volledig
Ook had hij daardoor niet meer de beschikking over de kwitanties die hij van [bedrijf 1] heeft gekregen als bewijs dat hij het loon over november 2021 en december 2021 contant heeft ontvangen. Bovendien maakt de psychische gesteldheid van appellant het moeilijk om hem te bevragen over zijn tijd bij [bedrijf 1] . Appellant heeft erop gewezen dat het Uwv in het bestreden besluit heeft erkend dat het onderzoek dat aan het primaire besluit ten grondslag lag onvolledig was en dat daarmee niet aan de bewijslast werd voldaan, en dat het Uwv meende met het aanvullende onderzoek dit gebrek te hebben hersteld. Nu het aanvullende onderzoek door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten, ligt aan het bestreden besluit weer alleen het onderzoeksrapport van 5 april 2023 ten grondslag dat door het Uwv zelf als onvoldoende is beoordeeld. 3.2. Appellant heeft betoogd dat het Uwv er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. In reactie op de stelling dat hij geen werkzaamheden zou hebben verricht, heeft appellant erop gewezen dat hij tijdens het gesprek op 22 december 2022 wel degelijk heeft uitgelegd wat zijn werkzaamheden waren. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het Uwv ineens veel waarde hecht aan het feit dat appellant maar één naam kon noemen van potentiële klanten die hij heeft bezocht, terwijl hem daar in het gesprek op 22 december 2022 maar één vraag over is gesteld. Als het Uwv daar werkelijk zoveel waarde aan hechtte, had het op de weg van de onderzoekers gelegen om hem daar nader op te bevragen. Daarbij komt volgens appellant dat hij op 22 december 2022 stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden hij had verricht, maar dat daaraan in het onderzoek is voorbijgegaan. Ter onderbouwing van het feit dat hij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] heeft appellant alsnog vier verklaringen overgelegd uit augustus 2025 en september 2025 van klanten die hij heeft bezocht in september, november en december 2021. Wat betreft de loonbetaling heeft appellant er op gewezen dat hij drie van de vijf maanden zijn loon per bank heeft ontvangen, en dat hij het loon over de maanden november 2021 en december 2021 contant heeft gekregen, wat wordt bevestigd door [naam] . Daarnaast heeft appellant bij herhaling verklaard dat hij de betalingen aan [naam] en [bedrijf 2] heeft verricht om zijn gokschulden af te lossen. Deze verklaringen worden door het Uwv eenvoudigweg in twijfel getrokken zonder deze verklaringen te verifiëren. 3.3. Appellant heeft tot slot betoogd dat sprake is van een dringende reden die maakt dat van intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering moet worden afgezien. Appellant heeft erop gewezen dat de vordering onnodig hoog is opgelopen doordat het Uwv in eerste instantie zes maanden heeft gewacht met het starten van het onderzoek en vervolgens geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Bovendien is appellant sinds 3 januari 2022 volledig arbeidsongeschikt als gevolg van PTSS-klachten die zijn verergerd door twee traumatische incidenten rond september 2021 en in januari 2022. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant verwezen naar een expertiserapport van 30 januari 2023 van een GZ-psycholoog. De PTSS-klachten zijn op dit moment van een zodanige aard dat inmiddels, ondersteund door de huisarts, 24-uurszorg voor appellant is aangevraagd. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv berust in het oordeel van de rechtbank over de waarde van het gespreksverslag van 19 januari 2024 (lees: 19 februari 2024) en het aanvullend onderzoeksrapport van 26 februari 2024. Het Uwv heeft het verder opmerkelijk geacht dat appellant in augustus 2025, bijna vier jaar na dato, alsnog in staat is (geweest) zich een viertal klanten te herinneren waarbij hij in november 2021 en december 2021 als vertegenwoordiger voor [bedrijf 1] langs geweest zou zijn, en deze bedrijven bereid heeft gevonden een verklaring af te leggen. Omdat deze verklaringen pas in de hogerberoepsprocedure worden overgelegd, meent het Uwv daar niet die waarde aan toe te moeten rekenen die appellant daaraan meent te kunnen ontlenen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van intrekking dan wel terugvordering af te zien. Het Uwv heeft erop gewezen dat de intrekking en terugvordering aan appellant te verwijten zijn, omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Verder kan volgens het Uwv in het tijdsverloop waarbij de rechtmatigheid van de uitkering van appellant werd onderzocht en waarbij tussen de binnengekomen melding op 19 mei 2022 en het terugvorderingsbesluit van 12 juni 2023 bijna dertien maanden zijn verstreken, niet worden gesproken van onvoldoende voortvarend handelen. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant nog niets heeft afgelost van de openstaande terugvordering. Het oordeel van de Raad 5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Onderzoek Uwv 5.1. De Raad is van oordeel dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het al dan niet bestaan van) de dienstbetrekking van appellant bij [bedrijf 1] en de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering zorgvuldig en toereikend is geweest. Het Uwv heeft interne en externe bronnen geraadpleegd, informatie opgevraagd en gekregen van derden en appellant gehoord. Het onderzoeksrapport van 5 april 2023 geeft dan ook blijk van een voldoende uitgebreid onderzoek. Dat het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellant dat het Uwv de eigenaar van [bedrijf 1] had moeten horen, alsnog een gesprek met [naam] heeft gevoerd, maakt niet dat het tot dan toe uitgevoerde onderzoek ontoereikend is geweest. Daarbij wordt meegewogen dat appellant zelf heeft verklaard dat hij alleen bij [naam] was geweest om af te spreken wat gedaan moest worden, maar verder geen enkele instructies van hem te ontvangen en ook geen functioneringsgesprekken met [naam] te hebben. Wat betreft de overige, herhaalde, gronden van appellant over het door het Uwv verrichte onderzoek wordt verwezen naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering 5.2. Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. 5.3.
Volledig
Ook had hij daardoor niet meer de beschikking over de kwitanties die hij van [bedrijf 1] heeft gekregen als bewijs dat hij het loon over november 2021 en december 2021 contant heeft ontvangen. Bovendien maakt de psychische gesteldheid van appellant het moeilijk om hem te bevragen over zijn tijd bij [bedrijf 1] . Appellant heeft erop gewezen dat het Uwv in het bestreden besluit heeft erkend dat het onderzoek dat aan het primaire besluit ten grondslag lag onvolledig was en dat daarmee niet aan de bewijslast werd voldaan, en dat het Uwv meende met het aanvullende onderzoek dit gebrek te hebben hersteld. Nu het aanvullende onderzoek door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten, ligt aan het bestreden besluit weer alleen het onderzoeksrapport van 5 april 2023 ten grondslag dat door het Uwv zelf als onvoldoende is beoordeeld. 3.2. Appellant heeft betoogd dat het Uwv er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. In reactie op de stelling dat hij geen werkzaamheden zou hebben verricht, heeft appellant erop gewezen dat hij tijdens het gesprek op 22 december 2022 wel degelijk heeft uitgelegd wat zijn werkzaamheden waren. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het Uwv ineens veel waarde hecht aan het feit dat appellant maar één naam kon noemen van potentiële klanten die hij heeft bezocht, terwijl hem daar in het gesprek op 22 december 2022 maar één vraag over is gesteld. Als het Uwv daar werkelijk zoveel waarde aan hechtte, had het op de weg van de onderzoekers gelegen om hem daar nader op te bevragen. Daarbij komt volgens appellant dat hij op 22 december 2022 stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden hij had verricht, maar dat daaraan in het onderzoek is voorbijgegaan. Ter onderbouwing van het feit dat hij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] heeft appellant alsnog vier verklaringen overgelegd uit augustus 2025 en september 2025 van klanten die hij heeft bezocht in september, november en december 2021. Wat betreft de loonbetaling heeft appellant er op gewezen dat hij drie van de vijf maanden zijn loon per bank heeft ontvangen, en dat hij het loon over de maanden november 2021 en december 2021 contant heeft gekregen, wat wordt bevestigd door [naam] . Daarnaast heeft appellant bij herhaling verklaard dat hij de betalingen aan [naam] en [bedrijf 2] heeft verricht om zijn gokschulden af te lossen. Deze verklaringen worden door het Uwv eenvoudigweg in twijfel getrokken zonder deze verklaringen te verifiëren. 3.3. Appellant heeft tot slot betoogd dat sprake is van een dringende reden die maakt dat van intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering moet worden afgezien. Appellant heeft erop gewezen dat de vordering onnodig hoog is opgelopen doordat het Uwv in eerste instantie zes maanden heeft gewacht met het starten van het onderzoek en vervolgens geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Bovendien is appellant sinds 3 januari 2022 volledig arbeidsongeschikt als gevolg van PTSS-klachten die zijn verergerd door twee traumatische incidenten rond september 2021 en in januari 2022. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant verwezen naar een expertiserapport van 30 januari 2023 van een GZ-psycholoog. De PTSS-klachten zijn op dit moment van een zodanige aard dat inmiddels, ondersteund door de huisarts, 24-uurszorg voor appellant is aangevraagd. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv berust in het oordeel van de rechtbank over de waarde van het gespreksverslag van 19 januari 2024 (lees: 19 februari 2024) en het aanvullend onderzoeksrapport van 26 februari 2024. Het Uwv heeft het verder opmerkelijk geacht dat appellant in augustus 2025, bijna vier jaar na dato, alsnog in staat is (geweest) zich een viertal klanten te herinneren waarbij hij in november 2021 en december 2021 als vertegenwoordiger voor [bedrijf 1] langs geweest zou zijn, en deze bedrijven bereid heeft gevonden een verklaring af te leggen. Omdat deze verklaringen pas in de hogerberoepsprocedure worden overgelegd, meent het Uwv daar niet die waarde aan toe te moeten rekenen die appellant daaraan meent te kunnen ontlenen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van intrekking dan wel terugvordering af te zien. Het Uwv heeft erop gewezen dat de intrekking en terugvordering aan appellant te verwijten zijn, omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Verder kan volgens het Uwv in het tijdsverloop waarbij de rechtmatigheid van de uitkering van appellant werd onderzocht en waarbij tussen de binnengekomen melding op 19 mei 2022 en het terugvorderingsbesluit van 12 juni 2023 bijna dertien maanden zijn verstreken, niet worden gesproken van onvoldoende voortvarend handelen. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant nog niets heeft afgelost van de openstaande terugvordering. Het oordeel van de Raad 5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Onderzoek Uwv 5.1. De Raad is van oordeel dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het al dan niet bestaan van) de dienstbetrekking van appellant bij [bedrijf 1] en de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering zorgvuldig en toereikend is geweest. Het Uwv heeft interne en externe bronnen geraadpleegd, informatie opgevraagd en gekregen van derden en appellant gehoord. Het onderzoeksrapport van 5 april 2023 geeft dan ook blijk van een voldoende uitgebreid onderzoek. Dat het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellant dat het Uwv de eigenaar van [bedrijf 1] had moeten horen, alsnog een gesprek met [naam] heeft gevoerd, maakt niet dat het tot dan toe uitgevoerde onderzoek ontoereikend is geweest. Daarbij wordt meegewogen dat appellant zelf heeft verklaard dat hij alleen bij [naam] was geweest om af te spreken wat gedaan moest worden, maar verder geen enkele instructies van hem te ontvangen en ook geen functioneringsgesprekken met [naam] te hebben. Wat betreft de overige, herhaalde, gronden van appellant over het door het Uwv verrichte onderzoek wordt verwezen naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering 5.2. Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. 5.3.
Volledig
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [bedrijf 1] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. 5.4. Het Uwv heeft met de gegevens uit het onderzoeksrapport, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk gemaakt dat tussen appellant en [bedrijf 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van door appellant verrichte werkzaamheden en door [bedrijf 1] verrichte loonbetalingen. Daarvoor is het volgende van belang. 5.4.1. De omschrijving van de werkzaamheden in de arbeidsovereenkomst van 1 september 2021 en in de (door appellant vlak na de ziekmelding op 7 februari 2022) ingevulde vragenlijst van 9 februari 2022 wijkt in belangrijke mate af van wat appellant daarover heeft verklaard tijdens het gesprek op 22 december 2022 en de hoorzitting van 31 oktober 2023. Verder heeft appellant tijdens het gesprek met het Uwv op 22 december 2022 desgevraagd slechts de naam van één winkel kunnen noemen waar hij voor [bedrijf 1] zou zijn geweest, namelijk [naam winkel] . Dat appellant maar één winkel kon noemen roept vragen op omdat appellant enkele maanden fulltime zou hebben gewerkt bij [bedrijf 1] , terwijl het werk zou hebben bestaan uit het bezoeken van winkels en het gesprek met het Uwv slechts een jaar nadat appellant de werkzaamheden zou hebben verricht plaatsvond. Daarbij komt dat appellant geen enkele vorm van administratie heeft kunnen overleggen van de door hem van 1 september 2021 tot 3 januari 2022 bezochte adressen. De tijdens het gesprek op 22 december 2022 overgelegde foto’s van flessen water die appellant bij klanten zou hebben gepresenteerd en een lijst met daarbij behorende prijzen zijn geen bewijs dat door appellant werkzaamheden zijn verricht. Appellant heeft dan ook geen verifieerbare verklaring gegeven over de werkzaamheden die hij zou hebben verricht. 5.4.2. Op de loonstroken over de maanden september 2021 tot en met januari 2022 staat vermeld dat het loon is betaald op een rekeningnummer van de ABN AMRO eindigend op 536. Dit is de bankrekening van appellant. Uit de bankafschriften blijkt echter dat over november 2021 en december 2021 geen loon op die rekening is gestort. Tijdens het gesprek op 22 december 2022 heeft appellant verklaard dat hij het loon af en toe contant kreeg en dat hij daarvoor kwitanties heeft ontvangen. Appellant heeft, nadat hij daartoe door het Uwv in de gelegenheid was gesteld, die kwitanties niet overgelegd. Bovendien blijkt uit genoemde bankafschriften dat in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 een aantal keer een groot bedrag aan contant geld is gestort en opgenomen, en dat er drie keer bedragen van in totaal ruim € 4.000,- zijn overgemaakt aan [naam] en aan het aan [naam] toebehorend [bedrijf 2] . Appellant heeft daarvoor onduidelijke of niet verifieerbare verklaringen gegeven. 5.4.3. Tot slot is van belang dat uit informatie van 5 december 2022 van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 1] in 2020 geen omzet heeft gehad, in 2021 (slechts) € 10.222,- en dat er tot dat moment geen omzet bekend was over 2022. Verder blijkt uit de grootboekrekeningen over 2021 dat er vanaf oktober 2021 nog amper activiteiten hebben plaatsgevonden. Deze gegevens wijzen erop dat er in de periode van september 2021 tot en met 31 januari 2022 niet of nauwelijks sprake was van activiteiten binnen [bedrijf 1] . 5.4.4. Appellant is er aldus niet in geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat wel sprake is geweest van werkzaamheden en loonbetalingen in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022. In hoger beroep heeft appellant alsnog vier verklaringen overgelegd uit augustus 2025 en september 2025 van klanten die hij in september 2021, november 2021 en december 2021 zou hebben bezocht. Aan deze verklaringen kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Deze verklaringen zijn pas zeer laat in de procedure afgelegd, ze zijn onvoldoende specifiek of gedetailleerd en worden niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. 5.5. Uit 5.4 volgt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [bedrijf 1] , zodat appellant niet als werknemer verzekerd is geweest voor de ZW. Het Uwv was daarmee gehouden de ZW-uitkering vanaf 1 februari 2022 in te trekken en de over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 aan appellant onverschuldigd betaalde ZW-uitkering terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Dringende reden 5.6. Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. 5.7. De Raad is van oordeel dat het Uwv (in het bestreden besluit en in hoger beroep) in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen en geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Nu sprake is van een gefingeerd dienstverband heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering geheel of grotendeels door appellant is veroorzaakt. Ook heeft het Uwv voldoende voortvarend gehandeld, nu vanaf de binnengekomen melding van 19 mei 2022 tot het terugvorderingsbesluit van 12 juni 2023 slechts dertien maanden zijn verstreken. Verder heeft appellant geen (medische) informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische klachten een gevolg zijn van de intrekking en de terugvordering van de ZW-uitkering. Ten slotte is niet gebleken dat de financiële gevolgen van het terugvorderingsbesluit ontoelaatbaar en onevenredig zijn, waarbij wordt gewezen op de (wettelijke) waarborgen tijdens invordering, zoals uiteengezet onder 4.4.2 van de tussenuitspraak van 18 april 2024. Bovendien is ter zitting van de Raad gebleken dat appellant nog niet is begonnen met aflossen van de terugvordering. Conclusie en gevolgen 5.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026. (getekend) H.G. Rottier (getekend) M.G.J.
Volledig
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [bedrijf 1] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. 5.4. Het Uwv heeft met de gegevens uit het onderzoeksrapport, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk gemaakt dat tussen appellant en [bedrijf 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van door appellant verrichte werkzaamheden en door [bedrijf 1] verrichte loonbetalingen. Daarvoor is het volgende van belang. 5.4.1. De omschrijving van de werkzaamheden in de arbeidsovereenkomst van 1 september 2021 en in de (door appellant vlak na de ziekmelding op 7 februari 2022) ingevulde vragenlijst van 9 februari 2022 wijkt in belangrijke mate af van wat appellant daarover heeft verklaard tijdens het gesprek op 22 december 2022 en de hoorzitting van 31 oktober 2023. Verder heeft appellant tijdens het gesprek met het Uwv op 22 december 2022 desgevraagd slechts de naam van één winkel kunnen noemen waar hij voor [bedrijf 1] zou zijn geweest, namelijk [naam winkel] . Dat appellant maar één winkel kon noemen roept vragen op omdat appellant enkele maanden fulltime zou hebben gewerkt bij [bedrijf 1] , terwijl het werk zou hebben bestaan uit het bezoeken van winkels en het gesprek met het Uwv slechts een jaar nadat appellant de werkzaamheden zou hebben verricht plaatsvond. Daarbij komt dat appellant geen enkele vorm van administratie heeft kunnen overleggen van de door hem van 1 september 2021 tot 3 januari 2022 bezochte adressen. De tijdens het gesprek op 22 december 2022 overgelegde foto’s van flessen water die appellant bij klanten zou hebben gepresenteerd en een lijst met daarbij behorende prijzen zijn geen bewijs dat door appellant werkzaamheden zijn verricht. Appellant heeft dan ook geen verifieerbare verklaring gegeven over de werkzaamheden die hij zou hebben verricht. 5.4.2. Op de loonstroken over de maanden september 2021 tot en met januari 2022 staat vermeld dat het loon is betaald op een rekeningnummer van de ABN AMRO eindigend op 536. Dit is de bankrekening van appellant. Uit de bankafschriften blijkt echter dat over november 2021 en december 2021 geen loon op die rekening is gestort. Tijdens het gesprek op 22 december 2022 heeft appellant verklaard dat hij het loon af en toe contant kreeg en dat hij daarvoor kwitanties heeft ontvangen. Appellant heeft, nadat hij daartoe door het Uwv in de gelegenheid was gesteld, die kwitanties niet overgelegd. Bovendien blijkt uit genoemde bankafschriften dat in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 een aantal keer een groot bedrag aan contant geld is gestort en opgenomen, en dat er drie keer bedragen van in totaal ruim € 4.000,- zijn overgemaakt aan [naam] en aan het aan [naam] toebehorend [bedrijf 2] . Appellant heeft daarvoor onduidelijke of niet verifieerbare verklaringen gegeven. 5.4.3. Tot slot is van belang dat uit informatie van 5 december 2022 van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf 1] in 2020 geen omzet heeft gehad, in 2021 (slechts) € 10.222,- en dat er tot dat moment geen omzet bekend was over 2022. Verder blijkt uit de grootboekrekeningen over 2021 dat er vanaf oktober 2021 nog amper activiteiten hebben plaatsgevonden. Deze gegevens wijzen erop dat er in de periode van september 2021 tot en met 31 januari 2022 niet of nauwelijks sprake was van activiteiten binnen [bedrijf 1] . 5.4.4. Appellant is er aldus niet in geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat wel sprake is geweest van werkzaamheden en loonbetalingen in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022. In hoger beroep heeft appellant alsnog vier verklaringen overgelegd uit augustus 2025 en september 2025 van klanten die hij in september 2021, november 2021 en december 2021 zou hebben bezocht. Aan deze verklaringen kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Deze verklaringen zijn pas zeer laat in de procedure afgelegd, ze zijn onvoldoende specifiek of gedetailleerd en worden niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. 5.5. Uit 5.4 volgt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [bedrijf 1] , zodat appellant niet als werknemer verzekerd is geweest voor de ZW. Het Uwv was daarmee gehouden de ZW-uitkering vanaf 1 februari 2022 in te trekken en de over de periode van 1 februari 2022 tot en met 28 mei 2023 aan appellant onverschuldigd betaalde ZW-uitkering terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Dringende reden 5.6. Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. 5.7. De Raad is van oordeel dat het Uwv (in het bestreden besluit en in hoger beroep) in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen en geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Nu sprake is van een gefingeerd dienstverband heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering geheel of grotendeels door appellant is veroorzaakt. Ook heeft het Uwv voldoende voortvarend gehandeld, nu vanaf de binnengekomen melding van 19 mei 2022 tot het terugvorderingsbesluit van 12 juni 2023 slechts dertien maanden zijn verstreken. Verder heeft appellant geen (medische) informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische klachten een gevolg zijn van de intrekking en de terugvordering van de ZW-uitkering. Ten slotte is niet gebleken dat de financiële gevolgen van het terugvorderingsbesluit ontoelaatbaar en onevenredig zijn, waarbij wordt gewezen op de (wettelijke) waarborgen tijdens invordering, zoals uiteengezet onder 4.4.2 van de tussenuitspraak van 18 april 2024. Bovendien is ter zitting van de Raad gebleken dat appellant nog niet is begonnen met aflossen van de terugvordering. Conclusie en gevolgen 5.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026. (getekend) H.G. Rottier (getekend) M.G.J.