Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-13
ECLI:NL:CRVB:2026:590
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
14,613 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:590 text/xml public 2026-05-18T16:47:07 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 21/483 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:590 text/html public 2026-05-15T14:08:58 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:590 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 21/483 WAJONG Weigering Wajong-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% is. Laattijdige aanvraag. Geen medische stukken overgelegd die betrekking hebben op de periode rond 1981/1982. Benoeming deskundige. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante. Pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vergoeding proceskosten en griffierecht. 21/483 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2021, 19/6666 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een rapport van bedrijfsarts J.H.L. Wijers overgelegd. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad heeft nadere vragen gesteld aan het Uwv. In reactie daarop heeft het Uwv een nader stuk ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 juli 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs en mr. S. Lam. Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige benoemd. Deze heeft op 22 juli 2024 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. Vervolgens heeft de Raad verzekeringsarts R. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. Deze heeft op 28 februari 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. De deskundigen hebben bij rapporten van 20 november 2025 en 2 december 2025 gereageerd op de zienwijzen van partijen. Op deze rapporten hebben partijen nadere reacties ingebracht. De Raad heeft het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft hierop gereageerd met nadere stukken. Appellante heeft hierop gereageerd. Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet opnieuw op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is geboren op [geboortedatum] 1964. Van 1 maart 1989 tot 6 februari 1990 is appellante fulltime werkzaam geweest als secretaresse, waarna zij wegens lichamelijke klachten is uitgevallen. Appellante heeft van 1 februari 1991 tot 30 september 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. 1.2. Op 7 februari 2019 heeft appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van Autismespectrumstoornis (ASS), chronische vermoeidheid en fibromyalgie. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van behandelend artsen en de GGZ uit de jaren 1991 tot en met 2018. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 16 mei 2019 appellantes aanvraag afgewezen omdat vanaf haar zeventiende verjaardag geen periode van 52 weken aan te wijzen is waarin appellante minder dan het minimumloon kon verdienen. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 4 november 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 15 mei 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling van de aanspraken van appellante dient plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). 2.2. Er is sprake van een laattijdige aanvraag omdat appellante ruim 37 jaar na haar zeventiende levensjaar een aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft ingediend. De omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, moet voor risico blijven van degene die (alsnog) een aanvraag indient. Er zijn geen medische stukken overgelegd die betrekking hebben op de periode rond 1981/1982. Bij de aanvraag is een rapport van 22 januari 2018 van GGZ/inGeest ingediend waarin is vastgesteld dat appellante lijdt aan een ASS. Maar het rapport doet geen uitspraken over de beperkingen van appellante ten tijde van de periode in geding. De verzekeringsarts van het Uwv heeft geconcludeerd dat appellante destijds ook leed aan ASS. Er zijn geen objectieve gegevens meer voorhanden die zien op de ernst van appellantes klachten en beperkingen ten tijde in geding. De (aannemelijke) beperkingen van appellante zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en deze zijn gehandhaafd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Het onderzoek is zorgvuldig gedaan en de rapporten zijn inzichtelijk en afdoende gemotiveerd. Appellante heeft de door haar gestelde verdergaande beperkingen niet onderbouwd. 2.3. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen, zoals door appellante is verzocht. 2.4. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de arbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Op basis van de geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0. Daarom heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd. 3.1. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:590 text/xml public 2026-05-18T16:47:07 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 21/483 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:590 text/html public 2026-05-15T14:08:58 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:590 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 21/483 WAJONG Weigering Wajong-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% is. Laattijdige aanvraag. Geen medische stukken overgelegd die betrekking hebben op de periode rond 1981/1982. Benoeming deskundige. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante. Pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vergoeding proceskosten en griffierecht. 21/483 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2021, 19/6666 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een rapport van bedrijfsarts J.H.L. Wijers overgelegd. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad heeft nadere vragen gesteld aan het Uwv. In reactie daarop heeft het Uwv een nader stuk ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 juli 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs en mr. S. Lam. Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige benoemd. Deze heeft op 22 juli 2024 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. Vervolgens heeft de Raad verzekeringsarts R. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. Deze heeft op 28 februari 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. De deskundigen hebben bij rapporten van 20 november 2025 en 2 december 2025 gereageerd op de zienwijzen van partijen. Op deze rapporten hebben partijen nadere reacties ingebracht. De Raad heeft het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft hierop gereageerd met nadere stukken. Appellante heeft hierop gereageerd. Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet opnieuw op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is geboren op [geboortedatum] 1964. Van 1 maart 1989 tot 6 februari 1990 is appellante fulltime werkzaam geweest als secretaresse, waarna zij wegens lichamelijke klachten is uitgevallen. Appellante heeft van 1 februari 1991 tot 30 september 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. 1.2. Op 7 februari 2019 heeft appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van Autismespectrumstoornis (ASS), chronische vermoeidheid en fibromyalgie. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van behandelend artsen en de GGZ uit de jaren 1991 tot en met 2018. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 16 mei 2019 appellantes aanvraag afgewezen omdat vanaf haar zeventiende verjaardag geen periode van 52 weken aan te wijzen is waarin appellante minder dan het minimumloon kon verdienen. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 4 november 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 15 mei 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling van de aanspraken van appellante dient plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). 2.2. Er is sprake van een laattijdige aanvraag omdat appellante ruim 37 jaar na haar zeventiende levensjaar een aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft ingediend. De omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, moet voor risico blijven van degene die (alsnog) een aanvraag indient. Er zijn geen medische stukken overgelegd die betrekking hebben op de periode rond 1981/1982. Bij de aanvraag is een rapport van 22 januari 2018 van GGZ/inGeest ingediend waarin is vastgesteld dat appellante lijdt aan een ASS. Maar het rapport doet geen uitspraken over de beperkingen van appellante ten tijde van de periode in geding. De verzekeringsarts van het Uwv heeft geconcludeerd dat appellante destijds ook leed aan ASS. Er zijn geen objectieve gegevens meer voorhanden die zien op de ernst van appellantes klachten en beperkingen ten tijde in geding. De (aannemelijke) beperkingen van appellante zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en deze zijn gehandhaafd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Het onderzoek is zorgvuldig gedaan en de rapporten zijn inzichtelijk en afdoende gemotiveerd. Appellante heeft de door haar gestelde verdergaande beperkingen niet onderbouwd. 2.3. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen, zoals door appellante is verzocht. 2.4. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de arbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Op basis van de geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0. Daarom heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd. 3.1. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
Volledig
Appellante heeft belemmeringen ondervonden om haar standpunt nader te onderbouwen dat op zeventien- en achttienjarige leeftijd sprake was van zodanige arbeidsbeperkingen dat het verrichten van arbeid niet mogelijk was. De behandelend sector mag zich immers niet uitlaten over het antwoord op de vraag welke beperkingen dienen te worden opgenomen in een FML. De door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden brachten ook zodanige twijfel met zich mee dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige had moeten benoemen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een rapport van 27 april 2022 van bedrijfsarts Wijers. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 februari 2023. Het deskundigenonderzoek 5. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is bij de Raad twijfel gerezen over de in de FML van 8 mei 2019 voor appellante vastgestelde beperkingen op haar zeventiende en achttiende verjaardag. De Raad heeft het aangewezen geacht om zich te laten adviseren door een deskundige psychiater en een deskundige verzekeringsarts. 5.1. In zijn rapport van 22 juli 2024 heeft psychiater Bouwens geconcludeerd dat bij appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd sprake is van ASS. Vanuit het beloop en de gebruikelijke ontwikkeling kan worden aangenomen dat appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag over minder aangeleerde vaardigheden beschikte en onder heviger druk stond. Het is daarom aannemelijk dat zowel het klachtenbeeld als de ernst van beperkingen destijds in enige mate ernstiger zijn geweest dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij is per definitie sprake van een aanzienlijke mate van onzekerheid. Op het gebied van de cognitieve functies is het aannemelijk dat er beperkingen zijn in het werkgeheugen, de aandachtsfuncties en de verwerking van informatie, waarbij deze functies onder druk komen te staan wanneer er sprake is van veel omgevingsprikkels. Op het gebied van de conatieve functies heeft de deskundige geen objectiveerbare of aannemelijke beperkingen kunnen constateren. Op het gebied van het affectief functioneren is appellante in duidelijke mate beperkt voor alle vormen van sociale interactie. Op het gebied van de belastbaarheid is het aannemelijk is dat zich onder geringe belasting al symptomatologie kan voordoen, daarom is het ook aannemelijk dat appellante in zeer beperkte mate belastbaar is voor stress. 5.2. In haar rapport van 28 februari 2025 heeft verzekeringsarts Roos-Vervoort geconcludeerd dat op de zeventiende en achttiende verjaardag van appellante sprake was van ASS en de recent vastgestelde diagnose aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Vanwege het beperkte affectieve functioneren van appellante is er een medische grond voor het toekennen van extra beperkingen. Appellante is niet in staat emoties te herkennen en erkennen (bij anderen), waarmee een beperking voor punt 2.6 in de FML gerechtvaardigd is. Ook blijkt dat appellante niet in staat is haar eigen emoties te benoemen of te reguleren en dit is een medische grond voor een beperking op het uiten van eigen gevoelens (punt 2.7 in de FML). Er is geen medische grond voor het toekennen van een urenbeperking of voor een aanvullende recuperatienoodzaak. Reacties van partijen op de deskundigenrapporten 5.3. Het Uwv heeft rapporten van 27 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 7 april 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich vinden in de conclusies van de deskundige verzekeringsarts en heeft in een FML van 26 maart 2025 extra beperkingen aangenomen op de punten 2.6 en 2.7, met een aanvullende toelichting. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerd functies met deze extra beperkingen nog steeds geschikt zijn voor appellante. De eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt dus niet. 5.4. Appellante heeft het standpunt ingenomen dat in bijna alle geselecteerde functies sprake is van formele én informele contacten met collega’s en derden. Daar komt bij dat het vrijwel allemaal fulltime functies zijn, waardoor appellante langdurig wordt blootgesteld aan formele en informele contacten. De deskundige psychiater heeft bij de anamnese en het psychiatrisch onderzoek onder meer afwijkingen vastgesteld als een tekortschietende wederkerigheid, tekortschietende contactgroei, verminderd sociaal normbesef (althans zoals dat blijkt uit het gedrag) en een in het algemeen zeer rigide houding. Hiermee komt een beeld naar voren dat appellante niet kan functioneren in functies waarin sprake is van informele contacten op de werkvloer. De geselecteerde functies zijn dan ook niet geschikt, met name gelet op de beperkingen in de FML op het punt 2.12.4, te weten dat appellante is aangewezen op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is. Reacties van de deskundigen 5.5. In zijn rapport van 20 november 2025 heeft psychiater Bouwens geconcludeerd dat de reactie van appellante met name ziet op de geschiktheid van de geselecteerde functies, wat buiten zijn vakgebied ligt. 5.5.1. In haar rapport van 2 december 2025 heeft verzekeringsarts Roos-Vervoort naar aanleiding van de reacties van partijen opgemerkt dat het juist is dat personen met ASS vaak moeite hebben met sociale interactie, zowel formeel als informeel. In de beoordeling is hiermee rekening gehouden door het aannemen van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn gericht op het voorkomen van overprikkeling en sociale overbelasting, waarmee indirect ook het cognitieve en energetische functioneren wordt beschermd. De beperking in de FML op punt 2.12.4 betekent niet dat alle informele contacten onmogelijk zijn, maar dat deze structureel te belastend zijn voor appellante en dus zoveel mogelijk dienen te worden vermeden. Het is voor appellante mogelijk om met vooraf afgebakende taken een samenwerking aan te gaan. Ondanks dat dit anamnestisch niet vlekkeloos verliep, was appellante in haar eerdere werk als secretaresse in een kantooromgeving hier ook toe in staat. Volgens de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem betekent een beperking op item 2.12.4 dat functies met veelvuldige of intensieve informele contacten niet passend zijn, maar dat functies met geringe of incidentele informele contacten of duidelijke structuur en taakafbakening wel mogelijk zijn. Dat geldt ook omdat er naast deze beperking ook beperkingen zijn toegekend om stress en overprikkeling tegen te gaan. De combinatie van alle toegekende beperkingen zorgt ervoor dat alle functies met beperkte sociale interactie in aanmerking komen; dit betreft formeel en informeel contact. Nadere reacties van partijen 5.6. Appellante kan zich niet vinden in het nadere rapport van de deskundige verzekeringsarts. Volgens appellante heeft het Uwv bij het selecteren van de functies helemaal geen rekening gehouden met appellantes beperking voor informele contacten. Voor alle functies, behalve functies zoals nachtwaker of brugwachter, geldt dat er formele én informele contacten plaatsvinden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een uitspraak van de Raad van 16 mei 2019. Appellante benadrukt dat de deskundige psychiater heeft geconcludeerd dat appellante in duidelijke mate beperkt is voor alle vormen van sociale interactie en dat zich onder geringe belasting al symptomatologie kan voordoen. 5.7. Het Uwv heeft rapporten van 21 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om een ziektebeeld (ook psychiatrisch) te vertalen naar eventuele beperkingen. Omdat hier ver terug in de tijd gekeken moet worden, is dat lastig, maar er is geen enkele reden om aan de conclusies van de deskundige verzekeringsarts te twijfelen.
Volledig
Appellante heeft belemmeringen ondervonden om haar standpunt nader te onderbouwen dat op zeventien- en achttienjarige leeftijd sprake was van zodanige arbeidsbeperkingen dat het verrichten van arbeid niet mogelijk was. De behandelend sector mag zich immers niet uitlaten over het antwoord op de vraag welke beperkingen dienen te worden opgenomen in een FML. De door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden brachten ook zodanige twijfel met zich mee dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige had moeten benoemen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een rapport van 27 april 2022 van bedrijfsarts Wijers. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 februari 2023. Het deskundigenonderzoek 5. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is bij de Raad twijfel gerezen over de in de FML van 8 mei 2019 voor appellante vastgestelde beperkingen op haar zeventiende en achttiende verjaardag. De Raad heeft het aangewezen geacht om zich te laten adviseren door een deskundige psychiater en een deskundige verzekeringsarts. 5.1. In zijn rapport van 22 juli 2024 heeft psychiater Bouwens geconcludeerd dat bij appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd sprake is van ASS. Vanuit het beloop en de gebruikelijke ontwikkeling kan worden aangenomen dat appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag over minder aangeleerde vaardigheden beschikte en onder heviger druk stond. Het is daarom aannemelijk dat zowel het klachtenbeeld als de ernst van beperkingen destijds in enige mate ernstiger zijn geweest dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij is per definitie sprake van een aanzienlijke mate van onzekerheid. Op het gebied van de cognitieve functies is het aannemelijk dat er beperkingen zijn in het werkgeheugen, de aandachtsfuncties en de verwerking van informatie, waarbij deze functies onder druk komen te staan wanneer er sprake is van veel omgevingsprikkels. Op het gebied van de conatieve functies heeft de deskundige geen objectiveerbare of aannemelijke beperkingen kunnen constateren. Op het gebied van het affectief functioneren is appellante in duidelijke mate beperkt voor alle vormen van sociale interactie. Op het gebied van de belastbaarheid is het aannemelijk is dat zich onder geringe belasting al symptomatologie kan voordoen, daarom is het ook aannemelijk dat appellante in zeer beperkte mate belastbaar is voor stress. 5.2. In haar rapport van 28 februari 2025 heeft verzekeringsarts Roos-Vervoort geconcludeerd dat op de zeventiende en achttiende verjaardag van appellante sprake was van ASS en de recent vastgestelde diagnose aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Vanwege het beperkte affectieve functioneren van appellante is er een medische grond voor het toekennen van extra beperkingen. Appellante is niet in staat emoties te herkennen en erkennen (bij anderen), waarmee een beperking voor punt 2.6 in de FML gerechtvaardigd is. Ook blijkt dat appellante niet in staat is haar eigen emoties te benoemen of te reguleren en dit is een medische grond voor een beperking op het uiten van eigen gevoelens (punt 2.7 in de FML). Er is geen medische grond voor het toekennen van een urenbeperking of voor een aanvullende recuperatienoodzaak. Reacties van partijen op de deskundigenrapporten 5.3. Het Uwv heeft rapporten van 27 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 7 april 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich vinden in de conclusies van de deskundige verzekeringsarts en heeft in een FML van 26 maart 2025 extra beperkingen aangenomen op de punten 2.6 en 2.7, met een aanvullende toelichting. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerd functies met deze extra beperkingen nog steeds geschikt zijn voor appellante. De eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt dus niet. 5.4. Appellante heeft het standpunt ingenomen dat in bijna alle geselecteerde functies sprake is van formele én informele contacten met collega’s en derden. Daar komt bij dat het vrijwel allemaal fulltime functies zijn, waardoor appellante langdurig wordt blootgesteld aan formele en informele contacten. De deskundige psychiater heeft bij de anamnese en het psychiatrisch onderzoek onder meer afwijkingen vastgesteld als een tekortschietende wederkerigheid, tekortschietende contactgroei, verminderd sociaal normbesef (althans zoals dat blijkt uit het gedrag) en een in het algemeen zeer rigide houding. Hiermee komt een beeld naar voren dat appellante niet kan functioneren in functies waarin sprake is van informele contacten op de werkvloer. De geselecteerde functies zijn dan ook niet geschikt, met name gelet op de beperkingen in de FML op het punt 2.12.4, te weten dat appellante is aangewezen op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is. Reacties van de deskundigen 5.5. In zijn rapport van 20 november 2025 heeft psychiater Bouwens geconcludeerd dat de reactie van appellante met name ziet op de geschiktheid van de geselecteerde functies, wat buiten zijn vakgebied ligt. 5.5.1. In haar rapport van 2 december 2025 heeft verzekeringsarts Roos-Vervoort naar aanleiding van de reacties van partijen opgemerkt dat het juist is dat personen met ASS vaak moeite hebben met sociale interactie, zowel formeel als informeel. In de beoordeling is hiermee rekening gehouden door het aannemen van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn gericht op het voorkomen van overprikkeling en sociale overbelasting, waarmee indirect ook het cognitieve en energetische functioneren wordt beschermd. De beperking in de FML op punt 2.12.4 betekent niet dat alle informele contacten onmogelijk zijn, maar dat deze structureel te belastend zijn voor appellante en dus zoveel mogelijk dienen te worden vermeden. Het is voor appellante mogelijk om met vooraf afgebakende taken een samenwerking aan te gaan. Ondanks dat dit anamnestisch niet vlekkeloos verliep, was appellante in haar eerdere werk als secretaresse in een kantooromgeving hier ook toe in staat. Volgens de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem betekent een beperking op item 2.12.4 dat functies met veelvuldige of intensieve informele contacten niet passend zijn, maar dat functies met geringe of incidentele informele contacten of duidelijke structuur en taakafbakening wel mogelijk zijn. Dat geldt ook omdat er naast deze beperking ook beperkingen zijn toegekend om stress en overprikkeling tegen te gaan. De combinatie van alle toegekende beperkingen zorgt ervoor dat alle functies met beperkte sociale interactie in aanmerking komen; dit betreft formeel en informeel contact. Nadere reacties van partijen 5.6. Appellante kan zich niet vinden in het nadere rapport van de deskundige verzekeringsarts. Volgens appellante heeft het Uwv bij het selecteren van de functies helemaal geen rekening gehouden met appellantes beperking voor informele contacten. Voor alle functies, behalve functies zoals nachtwaker of brugwachter, geldt dat er formele én informele contacten plaatsvinden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een uitspraak van de Raad van 16 mei 2019. Appellante benadrukt dat de deskundige psychiater heeft geconcludeerd dat appellante in duidelijke mate beperkt is voor alle vormen van sociale interactie en dat zich onder geringe belasting al symptomatologie kan voordoen. 5.7. Het Uwv heeft rapporten van 21 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om een ziektebeeld (ook psychiatrisch) te vertalen naar eventuele beperkingen. Omdat hier ver terug in de tijd gekeken moet worden, is dat lastig, maar er is geen enkele reden om aan de conclusies van de deskundige verzekeringsarts te twijfelen.
Volledig
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat in het geval van appellante geen sprake dient te zijn van (zo veel mogelijk) solistisch werk. 5.8. Naar aanleiding van vragen van de Raad over de geschiktheid van de functies in relatie tot appellantes beperking op informele contacten met collega’s, heeft het Uwv rapporten van 3 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 17 februari 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellante in de FML van 26 maart 2025 terecht beperkt is geacht op punt 2.9.1 (appellante kan met anderen werken, maar met een eigen, van tevoren afgebakende deeltaak). Op samenwerken wordt alleen een sterke beperking aangenomen als de betrokkene in het geheel niet met anderen kan samenwerken en dat is bij appellante niet het geval. Dit is ook niet verenigbaar met het feit dat appellante (fulltime) heeft kunnen werken als administratief medewerkster en psychologie heeft gestudeerd. In een verslag van 22 januari 2018 van de psycholoog van GGZ inGeest is helder omschreven waartegen appellante bij contacten of communicatie aanloopt. Dit komt overeen met de aangenomen beperkingen op de punten 2.9.1 en 2.12.4. Het is dus niet zo dat er in geheel geen sociale interacties mogen zijn. De deskundige psychiater heeft appellante vooral beperkt geacht in sociale interacties in het geval van affectief functioneren. In situaties waarin dit niet gevraagd wordt is dit veel minder belastend voor appellante. Appellante is in staat om in tegenwoordigheid van collega’s te zijn, mits er maar beperkte interactie nodig is. Ook is het denkbaar dat appellante zich in bepaalde functies verder zou kunnen afsluiten door bijvoorbeeld het dragen van een koptelefoon, zodat zij zich beter kan focussen op haar eigen deeltaak, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat elk van de geselecteerde functies hieraan voldoet. Er is geen sprake van uitgesproken solitaire functies, maar er is ook geen sprake van functies die het vermijden van informeel contact expliciet bemoeilijken. Op de werkplekken komt informeel contact voor, maar bij alle functies zijn er geen belemmeringen om dit zoveel mogelijk te vermijden. Een eenvoudige aanpassing van de werkplek met bijvoorbeeld bureauschermen kan voor alle functies ingezet worden. Ook het dragen van een koptelefoon is mogelijk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies nader toegelicht op het kunnen vermijden van informeel contact op de werkvloer. 5.9. Volgens appellante wordt de beperking die door de psychiater is gesteld in sociale interacties door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ontoelaatbaar genuanceerd door te stellen dat in de geselecteerde functies geen beroep hoeft te worden gedaan op affectief functioneren. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij de suggestie gewekt dat appellante adequaat heeft gefunctioneerd in werk en studie. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte gesteld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante omdat de functionaris informele contacten kan vermijden. Het gaat bovendien voorbij aan informele contacten buiten de taakuitoefening van de functie, zoals lunches, borrels en koffiemomenten. Het oordeel van de Raad 6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van appellantes aanvraag voor een Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.1. Met juistheid heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat, gelet op het feit dat appellante geboren is op [geboortedatum] 1964 en zij haar Wajong-aanvraag voor 18 december 2020 heeft ingediend, het beoordelingskader van de AAW van toepassing is. 6.1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. 6.1.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Medische beoordeling 6.2. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport van 22 juli 2024 (samen met de reactie van 20 november 2025) van psychiater Bouwens geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante op drie spreekuren gezien. Zoals blijkt uit de opsomming en samenvatting van de medische gegevens van de behandelend sector en van het Uwv in het rapport, heeft Bouwens kennisgenomen van alle medische stukken. Ook heeft hij een eigen psychiatrisch onderzoek verricht. Bouwens heeft vanuit zijn vakgebied de belemmeringen die appellante ten tijde in geding ondervond inzichtelijk en consistent uiteengezet. 6.3. Het deskundigenrapport van 28 februari 2025 van verzekeringsarts Roos-Vervoort geeft eveneens blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante op een spreekuur gezien. Daarbij is door de deskundige inzichtelijk en consistent uiteengezet dat en waarom met de aangenomen extra beperkingen op sociaal functioneren in de FML voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Dit standpunt heeft de deskundige – na kennisneming van de zienswijze van appellante – in haar rapport van 2 december 2025 gemotiveerd gehandhaafd. Arbeidskundige beoordeling 6.4. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de FML van 26 maart 2025 wordt geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 21 februari 2023, 7 april 2025, 21 januari 2026 en 17 februari 2026 afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies gelet op de beperkingen geschikt zijn voor appellante. Specifiek wat betreft affectief functioneren heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat het contact met collega’s zakelijk is, dat wil zeggen gericht op de voortgang van het werk, zonder dat het daarbij nodig is persoonlijke gevoelens of meningen te uiten. Verder is in de functies geen sprake van intensief samenwerken, maar gaat het om functies waar iedere medewerker een afgebakende deeltaak heeft. Niet is gebleken dat appellante niet in een ruimte met collega’s kan werken. Verder is in de geselecteerde functies geen sprake van het niet (voldoende) kunnen vermijden van informeel contact met collega’s. Voor zover appellante stelt dat het bijwonen van lunches, borrels en koffiemomenten noodzakelijk is in de functies, heeft zij dat niet nader onderbouwd en wordt dat overigens ook niet ingezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben voldoende gemotiveerd dat de functies voor appellante geschikt zijn. Conclusie en gevolgen 6.5. Het bestreden besluit is pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing.
Volledig
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat in het geval van appellante geen sprake dient te zijn van (zo veel mogelijk) solistisch werk. 5.8. Naar aanleiding van vragen van de Raad over de geschiktheid van de functies in relatie tot appellantes beperking op informele contacten met collega’s, heeft het Uwv rapporten van 3 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 17 februari 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellante in de FML van 26 maart 2025 terecht beperkt is geacht op punt 2.9.1 (appellante kan met anderen werken, maar met een eigen, van tevoren afgebakende deeltaak). Op samenwerken wordt alleen een sterke beperking aangenomen als de betrokkene in het geheel niet met anderen kan samenwerken en dat is bij appellante niet het geval. Dit is ook niet verenigbaar met het feit dat appellante (fulltime) heeft kunnen werken als administratief medewerkster en psychologie heeft gestudeerd. In een verslag van 22 januari 2018 van de psycholoog van GGZ inGeest is helder omschreven waartegen appellante bij contacten of communicatie aanloopt. Dit komt overeen met de aangenomen beperkingen op de punten 2.9.1 en 2.12.4. Het is dus niet zo dat er in geheel geen sociale interacties mogen zijn. De deskundige psychiater heeft appellante vooral beperkt geacht in sociale interacties in het geval van affectief functioneren. In situaties waarin dit niet gevraagd wordt is dit veel minder belastend voor appellante. Appellante is in staat om in tegenwoordigheid van collega’s te zijn, mits er maar beperkte interactie nodig is. Ook is het denkbaar dat appellante zich in bepaalde functies verder zou kunnen afsluiten door bijvoorbeeld het dragen van een koptelefoon, zodat zij zich beter kan focussen op haar eigen deeltaak, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat elk van de geselecteerde functies hieraan voldoet. Er is geen sprake van uitgesproken solitaire functies, maar er is ook geen sprake van functies die het vermijden van informeel contact expliciet bemoeilijken. Op de werkplekken komt informeel contact voor, maar bij alle functies zijn er geen belemmeringen om dit zoveel mogelijk te vermijden. Een eenvoudige aanpassing van de werkplek met bijvoorbeeld bureauschermen kan voor alle functies ingezet worden. Ook het dragen van een koptelefoon is mogelijk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies nader toegelicht op het kunnen vermijden van informeel contact op de werkvloer. 5.9. Volgens appellante wordt de beperking die door de psychiater is gesteld in sociale interacties door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ontoelaatbaar genuanceerd door te stellen dat in de geselecteerde functies geen beroep hoeft te worden gedaan op affectief functioneren. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij de suggestie gewekt dat appellante adequaat heeft gefunctioneerd in werk en studie. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte gesteld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante omdat de functionaris informele contacten kan vermijden. Het gaat bovendien voorbij aan informele contacten buiten de taakuitoefening van de functie, zoals lunches, borrels en koffiemomenten. Het oordeel van de Raad 6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van appellantes aanvraag voor een Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.1. Met juistheid heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat, gelet op het feit dat appellante geboren is op [geboortedatum] 1964 en zij haar Wajong-aanvraag voor 18 december 2020 heeft ingediend, het beoordelingskader van de AAW van toepassing is. 6.1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. 6.1.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Medische beoordeling 6.2. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport van 22 juli 2024 (samen met de reactie van 20 november 2025) van psychiater Bouwens geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante op drie spreekuren gezien. Zoals blijkt uit de opsomming en samenvatting van de medische gegevens van de behandelend sector en van het Uwv in het rapport, heeft Bouwens kennisgenomen van alle medische stukken. Ook heeft hij een eigen psychiatrisch onderzoek verricht. Bouwens heeft vanuit zijn vakgebied de belemmeringen die appellante ten tijde in geding ondervond inzichtelijk en consistent uiteengezet. 6.3. Het deskundigenrapport van 28 februari 2025 van verzekeringsarts Roos-Vervoort geeft eveneens blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante op een spreekuur gezien. Daarbij is door de deskundige inzichtelijk en consistent uiteengezet dat en waarom met de aangenomen extra beperkingen op sociaal functioneren in de FML voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Dit standpunt heeft de deskundige – na kennisneming van de zienswijze van appellante – in haar rapport van 2 december 2025 gemotiveerd gehandhaafd. Arbeidskundige beoordeling 6.4. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de FML van 26 maart 2025 wordt geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 21 februari 2023, 7 april 2025, 21 januari 2026 en 17 februari 2026 afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies gelet op de beperkingen geschikt zijn voor appellante. Specifiek wat betreft affectief functioneren heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat het contact met collega’s zakelijk is, dat wil zeggen gericht op de voortgang van het werk, zonder dat het daarbij nodig is persoonlijke gevoelens of meningen te uiten. Verder is in de functies geen sprake van intensief samenwerken, maar gaat het om functies waar iedere medewerker een afgebakende deeltaak heeft. Niet is gebleken dat appellante niet in een ruimte met collega’s kan werken. Verder is in de geselecteerde functies geen sprake van het niet (voldoende) kunnen vermijden van informeel contact met collega’s. Voor zover appellante stelt dat het bijwonen van lunches, borrels en koffiemomenten noodzakelijk is in de functies, heeft zij dat niet nader onderbouwd en wordt dat overigens ook niet ingezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben voldoende gemotiveerd dat de functies voor appellante geschikt zijn. Conclusie en gevolgen 6.5. Het bestreden besluit is pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing.
Volledig
Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Dit betekent ook dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 7. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 7.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 7.2. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 2 juni 2019 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim elf maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met afgerond drie jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. 7.3. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim vier maanden geduurd. De termijnoverschrijding wordt daarom in zijn geheel aan de Staat toegerekend. Proceskosten 8. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is aanleiding gelegen voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep, met een waarde van € 934,- per punt) en € 4.203,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting in hoger beroep, viermaal 0,5 punt voor het indienen van zienswijzen en 0,5 punt voor het geven van repliek, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt – anders dan door appellante is betoogd – geen ruimte voor toekenning van een extra 0,5 procespunt voor de reactie van appellante van 4 oktober 2024, nu deze aanvullende reactie uit eigen beweging is ingebracht. De kosten die appellante heeft moeten maken voor het inschakelen van een medisch adviseur komen tot een bedrag van € 968,- voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de kostenvergoeding dus € 7.039,-. 8.1. Daarnaast is er aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). 8.2. Het Uwv dient het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-; - wijst het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 7.039,-; - bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. (getekend) S.B. Smit-Colenbrander (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1796. Vgl. CRvB 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111 en zie de artikelen II en VI van de Wet vereenvoudiging Wajong 2020.
Volledig
Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Dit betekent ook dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 7. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 7.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 7.2. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 2 juni 2019 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim elf maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met afgerond drie jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. 7.3. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim vier maanden geduurd. De termijnoverschrijding wordt daarom in zijn geheel aan de Staat toegerekend. Proceskosten 8. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is aanleiding gelegen voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep, met een waarde van € 934,- per punt) en € 4.203,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting in hoger beroep, viermaal 0,5 punt voor het indienen van zienswijzen en 0,5 punt voor het geven van repliek, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt – anders dan door appellante is betoogd – geen ruimte voor toekenning van een extra 0,5 procespunt voor de reactie van appellante van 4 oktober 2024, nu deze aanvullende reactie uit eigen beweging is ingebracht. De kosten die appellante heeft moeten maken voor het inschakelen van een medisch adviseur komen tot een bedrag van € 968,- voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de kostenvergoeding dus € 7.039,-. 8.1. Daarnaast is er aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). 8.2. Het Uwv dient het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-; - wijst het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 7.039,-; - bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. (getekend) S.B. Smit-Colenbrander (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1796. Vgl. CRvB 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111 en zie de artikelen II en VI van de Wet vereenvoudiging Wajong 2020.