Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-13
ECLI:NL:CRVB:2026:584
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,883 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:584 text/xml public 2026-05-15T14:28:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 22/3934 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:584 text/html public 2026-05-15T14:27:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:584 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 22/3934 WIA Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 22/3934 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 november 2022, 22/1925 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, antwoord gegeven op vragen van de Raad en op 16 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 24 december 2025 heeft mr. Lipman namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft op 6 februari 2026 meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 september 2025 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Omdat het Uwv bij het besluit van 16 september 2025 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.401,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 3.269,- Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.269,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:584 text/xml public 2026-05-15T14:28:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 22/3934 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:584 text/html public 2026-05-15T14:27:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:584 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 22/3934 WIA Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 22/3934 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 november 2022, 22/1925 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, antwoord gegeven op vragen van de Raad en op 16 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 24 december 2025 heeft mr. Lipman namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft op 6 februari 2026 meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 september 2025 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Omdat het Uwv bij het besluit van 16 september 2025 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.401,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 3.269,- Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.269,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek De griffier is verhinderd te ondertekenen.