Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-13
ECLI:NL:CRVB:2026:569
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,031 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:569 text/xml public 2026-05-15T13:23:29 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 25/757 TW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:569 text/html public 2026-05-15T13:22:40 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:569 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 25/757 TW Deze uitspraak gaat over verrekening van een vordering die appellante op het Uwv heeft met een vordering die het Uwv op appellante heeft. Volgens appellante moet het bedrag van de aan haar in 2017 opgelegde boete eveneens in mindering worden gebracht op deze vordering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot verrekening. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/757 TW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025, 24/6084 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over verrekening van een vordering die appellante op het Uwv heeft met een vordering die het Uwv op appellante heeft. Volgens appellante moet het bedrag van de aan haar in 2017 opgelegde boete eveneens in mindering worden gebracht op deze vordering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot verrekening. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Bij besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv een bedrag van € 29.341,91 bruto aan over de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 maart 2017 te veel ontvangen toeslag van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv appellante een boete van € 5.200,- opgelegd. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2018 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. 1.2. Met een uitspraak van 6 maart 2024 heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 437,50 aan appellante. 1.3. Met een besluit van 18 maart 2024 heeft het Uwv het bedrag van € 437,50 verrekend met een nog openstaande vordering van € 28.257,91. 1.4. Bij uitspraak van 10 juni 2024 heeft de Raad zijn uitspraak van 6 maart 2024 gerectificeerd, omdat daarin ten onrechte het Uwv (in plaats van de Staat der Nederlanden) is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellante. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 maart 2024 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het Uwv de proceskostenvergoeding van € 437,50 terecht heeft verrekend met de openstaande vordering en dat in het bestreden besluit alleen beslist is over deze verrekening. Dat de verrekening betrekking heeft op een openstaand bedrag als gevolg van een terugvordering en boete, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het in deze procedure ook over de schending van de inlichtingenplicht kan gaan die aan de boete ten grondslag ligt. De boete en terugvordering staan al in rechte vast. De rechtbank heeft daarom geen oordeel gegeven of appellante al dan niet haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante maakt de vraag of de boete in mindering op de openstaande vordering moet worden gebracht onderdeel uit van het bestreden besluit, omdat daarin besloten ligt dat de resterende vordering hoger is dan die volgens appellante hoort te zijn. In dit verband heeft appellante gewezen op de uitlatingen van J. Hirscher van het bestuur van het Uwv. In het verleden zijn onterecht boetes opgelegd omdat mensen ten onrechte werden beschuldigd van schending van de inlichtingenplicht. Gelet op de omstandigheden van het geval, had de boete ook bij appellante in mindering moeten worden gebracht op de nog openstaande vordering. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 6. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 7. Een deel van de nog openstaande vordering ziet op de in 2017 opgelegde boete. Appellante heeft in feite betoogd dat de boete verlaagd of geschrapt moet worden, omdat de boete niet terecht zou zijn. Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld, ziet het bestreden besluit echter enkel op verrekening van bedragen. De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met het bestreden besluit hieraan op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven. Dat in het bestreden besluit de hoogte van de op dat moment openstaande vordering van het Uwv op appellante is vermeld, maakt dat niet anders. Appellante heeft de berekening van de hoogte van deze vordering op zich ook niet bestreden. 8. Verder heeft appellante ter zitting verwezen naar een uitspraak van de Raad waarin is vermeld dat het Uwv heeft toegelicht dat het Uwv sinds 1 januari 2024 nieuw beleid heeft vastgesteld met betrekking tot kwijtschelding. Een beroep op deze uitspraak slaagt evenwel niet, reeds omdat geen verzoek om kwijtschelding voorligt. Zoals het Uwv heeft opgemerkt, kan appellante desgewenst bij het Uwv een verzoek om kwijtschelding indienen. 9. Vastgesteld wordt tot slot dat het Uwv de onder 1.4 vermelde rectificatie-uitspraak niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Het Uwv heeft toegelicht dat het verrekeningsbesluit dus niet genomen had hoeven te worden. Echter heeft het Uwv toegezegd hier niet op terug te komen. Hiermee wordt appellante dus niet tekort gedaan. Conclusie en gevolgen 10. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 11. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026 . (getekend) D.S. de Vries De griffier is verhinderd te ondertekenen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 14g, eerste lid, Toeslagenwet (TW) 1.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:569 text/xml public 2026-05-15T13:23:29 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 25/757 TW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:569 text/html public 2026-05-15T13:22:40 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:569 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 25/757 TW Deze uitspraak gaat over verrekening van een vordering die appellante op het Uwv heeft met een vordering die het Uwv op appellante heeft. Volgens appellante moet het bedrag van de aan haar in 2017 opgelegde boete eveneens in mindering worden gebracht op deze vordering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot verrekening. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/757 TW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025, 24/6084 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over verrekening van een vordering die appellante op het Uwv heeft met een vordering die het Uwv op appellante heeft. Volgens appellante moet het bedrag van de aan haar in 2017 opgelegde boete eveneens in mindering worden gebracht op deze vordering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot verrekening. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Bij besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv een bedrag van € 29.341,91 bruto aan over de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 maart 2017 te veel ontvangen toeslag van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv appellante een boete van € 5.200,- opgelegd. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2018 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. 1.2. Met een uitspraak van 6 maart 2024 heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 437,50 aan appellante. 1.3. Met een besluit van 18 maart 2024 heeft het Uwv het bedrag van € 437,50 verrekend met een nog openstaande vordering van € 28.257,91. 1.4. Bij uitspraak van 10 juni 2024 heeft de Raad zijn uitspraak van 6 maart 2024 gerectificeerd, omdat daarin ten onrechte het Uwv (in plaats van de Staat der Nederlanden) is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellante. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 maart 2024 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het Uwv de proceskostenvergoeding van € 437,50 terecht heeft verrekend met de openstaande vordering en dat in het bestreden besluit alleen beslist is over deze verrekening. Dat de verrekening betrekking heeft op een openstaand bedrag als gevolg van een terugvordering en boete, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het in deze procedure ook over de schending van de inlichtingenplicht kan gaan die aan de boete ten grondslag ligt. De boete en terugvordering staan al in rechte vast. De rechtbank heeft daarom geen oordeel gegeven of appellante al dan niet haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante maakt de vraag of de boete in mindering op de openstaande vordering moet worden gebracht onderdeel uit van het bestreden besluit, omdat daarin besloten ligt dat de resterende vordering hoger is dan die volgens appellante hoort te zijn. In dit verband heeft appellante gewezen op de uitlatingen van J. Hirscher van het bestuur van het Uwv. In het verleden zijn onterecht boetes opgelegd omdat mensen ten onrechte werden beschuldigd van schending van de inlichtingenplicht. Gelet op de omstandigheden van het geval, had de boete ook bij appellante in mindering moeten worden gebracht op de nog openstaande vordering. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 6. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 7. Een deel van de nog openstaande vordering ziet op de in 2017 opgelegde boete. Appellante heeft in feite betoogd dat de boete verlaagd of geschrapt moet worden, omdat de boete niet terecht zou zijn. Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld, ziet het bestreden besluit echter enkel op verrekening van bedragen. De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met het bestreden besluit hieraan op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven. Dat in het bestreden besluit de hoogte van de op dat moment openstaande vordering van het Uwv op appellante is vermeld, maakt dat niet anders. Appellante heeft de berekening van de hoogte van deze vordering op zich ook niet bestreden. 8. Verder heeft appellante ter zitting verwezen naar een uitspraak van de Raad waarin is vermeld dat het Uwv heeft toegelicht dat het Uwv sinds 1 januari 2024 nieuw beleid heeft vastgesteld met betrekking tot kwijtschelding. Een beroep op deze uitspraak slaagt evenwel niet, reeds omdat geen verzoek om kwijtschelding voorligt. Zoals het Uwv heeft opgemerkt, kan appellante desgewenst bij het Uwv een verzoek om kwijtschelding indienen. 9. Vastgesteld wordt tot slot dat het Uwv de onder 1.4 vermelde rectificatie-uitspraak niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Het Uwv heeft toegelicht dat het verrekeningsbesluit dus niet genomen had hoeven te worden. Echter heeft het Uwv toegezegd hier niet op terug te komen. Hiermee wordt appellante dus niet tekort gedaan. Conclusie en gevolgen 10. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 11. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026 . (getekend) D.S. de Vries De griffier is verhinderd te ondertekenen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 14g, eerste lid, Toeslagenwet (TW) 1.