Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-06
ECLI:NL:CRVB:2026:565
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,112 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:565 text/xml public 2026-05-15T12:17:28 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-06 25/367 WW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:565 text/html public 2026-05-15T12:02:35 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:565 Centrale Raad van Beroep , 06-05-2026 / 25/367 WW Het Uwv heeft terecht de WW-uitkering van appellant blijvend en geheel geweigerd. Terecht geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen. Niet gebleken is dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat voortzetting van zijn dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/367 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 september 2024, 24/2494 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant blijvend en geheel heeft geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en komt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. De Raad heeft het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord en daarbij nadere stukken ingezonden. Appellant heeft gereageerd en ook nadere stukken ingezonden. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onder onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant heeft vanaf 14 maart 2022 gewerkt als beveiliger in dienst van [naam B.V.] ( [naam B.V.] ), vanaf 14 december 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Appellant was werkzaam op verschillende locaties bij hem in de buurt, hoofdzakelijk bij [naam locatie 1] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , en verder bij [naam locatie 2] , [naam locatie 3] en [naam locatie 4] bij het [naam locatie 5] , alle gevestigd te [vestigingsplaats 2] . Het dienstverband is op verzoek van appellant per 1 december 2023 beëindigd. 1.2. Vanaf 24 januari 2024 heeft appellant productiewerk verricht op detacheringsbasis via Randstad Uitzendbureau B.V. (Randstad). In de detacheringsbevestiging is opgenomen dat het vermoedelijk gaat om een periode tot en met 25 augustus 2024. De detachering is in de proeftijd met ingang van 7 februari 2024 door Randstad beëindigd. Op 8 februari 2024 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd, waarbij als ingangsdatum van de werkloosheid 8 februari 2024 is vermeld. 1.3. Bij besluit van 6 maart 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat appellant recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat die uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Omdat appellant bij zijn laatste werkgever (Randstad) minder dan 26 weken loon heeft ontvangen, heeft het Uwv ook naar de reden van de beëindiging van het dienstverband bij de voorlaatste werkgever [naam B.V.] gekeken. Vanuit deze dienstbetrekking is appellant volgens het Uwv verwijtbaar werkloos geworden omdat hij zelf ontslag heeft genomen, zonder dat daartoe een noodzaak bestond. 1.4. Bij besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant zelf zijn baan bij [naam B.V.] heeft opgezegd zonder uitzicht op ander werk, terwijl voor deze beëindiging geen acute noodzaak bestond. Volgens het Uwv was geen sprake van een dusdanig verstoorde arbeidsrelatie dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van appellant kon worden verlangd. Naar aanleiding van een incident bij [naam locatie 1] heeft [naam B.V.] appellant werk op andere objecten aangeboden, te weten werkobjecten te [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] . Appellant had ervoor kunnen kiezen om voorlopig deze door [naam B.V.] aangeboden alternatieve objecten te aanvaarden en ondertussen te solliciteren. Ook verwijt het Uwv appellant dat hij onvoldoende heeft geprobeerd in overleg te treden met [naam B.V.] na het incident in september 2023 op de werklocatie bij [naam locatie 1] . In verband hiermee was appellant door [naam B.V.] uitgenodigd voor een gesprek op 9 november 2023 in Ede, waar appellant niet is verschenen. Niet is gebleken dat [naam B.V.] appellant aan zijn lot heeft overgelaten en op geen enkele manier heeft getracht om tot een oplossing te komen. Ook heeft appellant niet geprobeerd nog met [naam B.V.] in gesprek te gaan om tot een goede oplossing te komen. Van een acute noodzaak voor beëindiging van het dienstverband was geen sprake. Daarom is volgens het Uwv sprake van verwijtbare werkloosheid en moet de WW-uitkering blijvend en geheel worden geweigerd. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft besloten dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en daarom de WWuitkering terecht niet heeft uitbetaald. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld dat appellant werkloos is geworden uit een dienstbetrekking (bij Randstad) die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WWuitkering kan ontlenen en dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking (bij [naam B.V.] ) is geëindigd. 2.2. Met betrekking tot het dienstverband bij [naam B.V.] heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is geweest van een situatie waarin voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van appellant kon worden gevergd en dat ook niet is gebleken dat de werkloosheid in verminderde mate appellant te verwijten valt. Appellant had naar Ede kunnen gaan voor overleg met zijn leidinggevende. Dat hij op die dag niet met zijn auto kon komen en dat hij zelf vond dat het overleg telefonisch kon plaatsvinden is onvoldoende. Bovendien is ter zitting duidelijk geworden dat appellant nadien wel een telefonisch gesprek met zijn leidinggevende heeft gehad. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de werkzaamheden in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] of bij het [naam locatie 5] in [vestigingsplaats 2] en in [vestigingsplaats 3] of [vestigingsplaats 4] redelijke alternatieven waren en dat appellant in de tussentijd had kunnen solliciteren. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Naar aanleiding van een conflict op het werkobject bij [naam locatie 1] mocht hij van [naam B.V.] niet langer op die locatie werken. Omdat appellant voor het grootste deel van zijn contracturen bij [naam locatie 1] werkte, moest hiervoor een oplossing worden gezocht. Volgens appellant heeft [naam B.V.] niet geprobeerd om deze situatie goed op te lossen. Het door [naam B.V.] voorgestelde alternatief om te gaan werken bij het [naam locatie 5] in [vestigingsplaats 2] was onvoldoende om de verloren uren bij [naam locatie 1] te kunnen compenseren. Bovendien waren deze werkzaamheden slechts tijdelijk en boden zij geen structurele oplossing.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:565 text/xml public 2026-05-15T12:17:28 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-06 25/367 WW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:565 text/html public 2026-05-15T12:02:35 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:565 Centrale Raad van Beroep , 06-05-2026 / 25/367 WW Het Uwv heeft terecht de WW-uitkering van appellant blijvend en geheel geweigerd. Terecht geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen. Niet gebleken is dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat voortzetting van zijn dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/367 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 september 2024, 24/2494 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant blijvend en geheel heeft geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en komt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. De Raad heeft het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord en daarbij nadere stukken ingezonden. Appellant heeft gereageerd en ook nadere stukken ingezonden. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onder onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant heeft vanaf 14 maart 2022 gewerkt als beveiliger in dienst van [naam B.V.] ( [naam B.V.] ), vanaf 14 december 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Appellant was werkzaam op verschillende locaties bij hem in de buurt, hoofdzakelijk bij [naam locatie 1] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , en verder bij [naam locatie 2] , [naam locatie 3] en [naam locatie 4] bij het [naam locatie 5] , alle gevestigd te [vestigingsplaats 2] . Het dienstverband is op verzoek van appellant per 1 december 2023 beëindigd. 1.2. Vanaf 24 januari 2024 heeft appellant productiewerk verricht op detacheringsbasis via Randstad Uitzendbureau B.V. (Randstad). In de detacheringsbevestiging is opgenomen dat het vermoedelijk gaat om een periode tot en met 25 augustus 2024. De detachering is in de proeftijd met ingang van 7 februari 2024 door Randstad beëindigd. Op 8 februari 2024 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd, waarbij als ingangsdatum van de werkloosheid 8 februari 2024 is vermeld. 1.3. Bij besluit van 6 maart 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat appellant recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat die uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Omdat appellant bij zijn laatste werkgever (Randstad) minder dan 26 weken loon heeft ontvangen, heeft het Uwv ook naar de reden van de beëindiging van het dienstverband bij de voorlaatste werkgever [naam B.V.] gekeken. Vanuit deze dienstbetrekking is appellant volgens het Uwv verwijtbaar werkloos geworden omdat hij zelf ontslag heeft genomen, zonder dat daartoe een noodzaak bestond. 1.4. Bij besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant zelf zijn baan bij [naam B.V.] heeft opgezegd zonder uitzicht op ander werk, terwijl voor deze beëindiging geen acute noodzaak bestond. Volgens het Uwv was geen sprake van een dusdanig verstoorde arbeidsrelatie dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van appellant kon worden verlangd. Naar aanleiding van een incident bij [naam locatie 1] heeft [naam B.V.] appellant werk op andere objecten aangeboden, te weten werkobjecten te [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] . Appellant had ervoor kunnen kiezen om voorlopig deze door [naam B.V.] aangeboden alternatieve objecten te aanvaarden en ondertussen te solliciteren. Ook verwijt het Uwv appellant dat hij onvoldoende heeft geprobeerd in overleg te treden met [naam B.V.] na het incident in september 2023 op de werklocatie bij [naam locatie 1] . In verband hiermee was appellant door [naam B.V.] uitgenodigd voor een gesprek op 9 november 2023 in Ede, waar appellant niet is verschenen. Niet is gebleken dat [naam B.V.] appellant aan zijn lot heeft overgelaten en op geen enkele manier heeft getracht om tot een oplossing te komen. Ook heeft appellant niet geprobeerd nog met [naam B.V.] in gesprek te gaan om tot een goede oplossing te komen. Van een acute noodzaak voor beëindiging van het dienstverband was geen sprake. Daarom is volgens het Uwv sprake van verwijtbare werkloosheid en moet de WW-uitkering blijvend en geheel worden geweigerd. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft besloten dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en daarom de WWuitkering terecht niet heeft uitbetaald. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld dat appellant werkloos is geworden uit een dienstbetrekking (bij Randstad) die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WWuitkering kan ontlenen en dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking (bij [naam B.V.] ) is geëindigd. 2.2. Met betrekking tot het dienstverband bij [naam B.V.] heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is geweest van een situatie waarin voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van appellant kon worden gevergd en dat ook niet is gebleken dat de werkloosheid in verminderde mate appellant te verwijten valt. Appellant had naar Ede kunnen gaan voor overleg met zijn leidinggevende. Dat hij op die dag niet met zijn auto kon komen en dat hij zelf vond dat het overleg telefonisch kon plaatsvinden is onvoldoende. Bovendien is ter zitting duidelijk geworden dat appellant nadien wel een telefonisch gesprek met zijn leidinggevende heeft gehad. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de werkzaamheden in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] of bij het [naam locatie 5] in [vestigingsplaats 2] en in [vestigingsplaats 3] of [vestigingsplaats 4] redelijke alternatieven waren en dat appellant in de tussentijd had kunnen solliciteren. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Naar aanleiding van een conflict op het werkobject bij [naam locatie 1] mocht hij van [naam B.V.] niet langer op die locatie werken. Omdat appellant voor het grootste deel van zijn contracturen bij [naam locatie 1] werkte, moest hiervoor een oplossing worden gezocht. Volgens appellant heeft [naam B.V.] niet geprobeerd om deze situatie goed op te lossen. Het door [naam B.V.] voorgestelde alternatief om te gaan werken bij het [naam locatie 5] in [vestigingsplaats 2] was onvoldoende om de verloren uren bij [naam locatie 1] te kunnen compenseren. Bovendien waren deze werkzaamheden slechts tijdelijk en boden zij geen structurele oplossing.
Volledig
Het verzoek van de [naam B.V.] om, naast de inzet bij het [naam locatie 5] , structureel te worden ingezet op locaties in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] was voor hem geen optie. Appellant had geen passend vervoer om de afstand naar [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] af te leggen en openbaar vervoer naar deze locaties was geen mogelijkheid vanwege de reisafstand en de onregelmatige werktijden op deze locaties 3.2. Appellant heeft verder zijn standpunt herhaald dat hij niet naar het gesprek met zijn leidinggevende in Ede kon gaan omdat hij op dat moment problemen had met zijn auto. Door de opstelling van [naam B.V.] was volgens appellant geen sprake meer van een werkbare en goede arbeidsrelatie en was voortzetting van het dienstverband voor hem niet meer mogelijk. Daar komt bij dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd bij [naam B.V.] . Het standpunt van het Uwv 3.3. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter zitting heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd in die zin dat de door [naam B.V.] aangeboden werklocaties in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] niet passend waren voor appellant omdat de reistijd meer dan twee uur per dag bedroeg. Het Uwv heeft wel zijn standpunt gehandhaafd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat geen sprake is van een situatie waarin dit appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. Het Uwv heeft daarbij benadrukt dat appellant voor [naam B.V.] had kunnen blijven werken bij het [naam locatie 5] of andere locaties in [vestigingsplaats 2] en omgeving en in de tussentijd had kunnen solliciteren. Volgens het Uwv heeft appellant onvoldoende geprobeerd om in overleg te treden met [naam B.V.] . Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de WWuitkering wegens verwijtbare werkloosheid blijvend en geheel is geweigerd, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Op grond van 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer, zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat uit deze wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die zelf ontslag neemt in beginsel verwijtbaar werkloos is. Dat is slechts anders indien aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Het ligt op de weg van de werknemer om aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet. 4.2. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv blijvend een bedrag op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend. 4.3. In dit geval is de situatie aan de orde waarin de werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zolang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. Indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, behoeft geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als in de dienstbetrekking die beëindigd wordt. 4.4. De dienstbetrekking bij [naam B.V.] is per 1 december 2023 geëindigd op verzoek van appellant. Ten tijde van deze ontslagname was er geen reëel vooruitzicht op een ander dienstverband van tenminste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de beëindigde dienstbetrekking, omdat appellant ten tijde van zijn ontslagname nog geen zicht had op een nieuwe baan. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft beoordeeld of appellant verwijtbaar werkloos is geworden uit de voorlaatste dienstbetrekking bij [naam B.V.] . 4.5. Gebleken is dat de arbeidsrelatie tussen appellant en [naam B.V.] is verslechterd naar aanleiding van enkele conflicten met medewerkers van een ander bedrijf die ook beveiligingswerkzaamheden verrichtten bij [naam locatie 1] . Naar aanleiding van een incident in september 2023 heeft [naam B.V.] geconcludeerd dat appellant zijn werkzaamheden bij [naam locatie 1] niet meer kon voortzetten. Daardoor moesten er voor appellant andere werkzaamheden worden gevonden. In verband hiermee heeft [naam B.V.] appellant uitgenodigd voor een gesprek op 9 november 2023 op het kantoor van [naam B.V.] te Ede om over een oplossing voor de ontstane situatie te praten. Appellant is niet op dat gesprek verschenen. Voor zover appellant heeft verklaard dat hij een kapotte auto had, is niet gebleken dat hij alternatief vervoer heeft geregeld. Ook is niet gebleken dat hij heeft getracht een nieuwe afspraak te maken. Uit een e-mail van appellant van 9 november 2023 aan zijn vakbond valt veeleer af te leiden dat hij liever telefonisch contact had. Bovendien heeft [naam B.V.] naar aanleiding van vragen van de Raad bij e-mail van 19 november 2025 nog opgemerkt dat appellant niet aan dit gesprek heeft willen deelnemen en ook na telefonisch contact bij deze weigering is gebleven. Gelet op de ontstane situatie had van appellant echter mogen worden verwacht dat hij met [naam B.V.] in gesprek zou zijn gegaan. Door zijn opstelling heeft appellant de mogelijkheid om in goed overleg met zijn werkgever een oplossing te vinden voor de ontstane situatie ernstig bemoeilijkt. 4.6. Uit de gedingstukken, met name de e-mail van appellant van 9 november 2023 aan zijn vakbond, leidt de Raad af dat [naam B.V.] appellant, naast zijn objecten bij de [naam locatie 2] en [naam locatie 3] , heeft ingeroosterd voor enkele diensten bij het [naam locatie 5] te [vestigingsplaats 2] . Appellant heeft te kennen gegeven dat dit geen object is waar hij structureel ingezet wil worden. In genoemde e-mail aan zijn vakbond heeft appellant geschreven dat hij niet op het gesprek in Ede wilde komen, omdat hij het vermoeden had dat [naam B.V.] hem vaker naar het [naam locatie 5] wilde hebben en hij dat niet wilde. Ook in een e-mail van appellant aan de afdeling planning van [naam B.V.] van 8 november 2023 heeft appellant gemeld dat extra diensten bij het [naam locatie 5] voor hem geen optie is. Nu het ging om werkzaamheden als beveiliger op een werkobject in zijn eigen regio had van hem mogen worden verwacht, zeker in de gegeven omstandigheden, dat hij deze werkzaamheden had geaccepteerd. Daaraan doet niet af dat, zoals appellant stelt, deze werkzaamheden tijdelijk waren en qua omvang niet voldoende om de werkzaamheden bij [naam locatie 1] te compenseren. Daarover had appellant – zoals hiervoor onder 4.5 overwogen – nader overleg kunnen voeren met zijn leidinggevende bij [naam B.V.] . Bij email van 14 november 2023 heeft appellant zijn leidinggevende gevraagd of er al een oplossing was voor het invullen van zijn rooster. Hij heeft daarbij herhaald dat in zijn rooster een aantal [naam locatie 5] -diensten waren gepland, maar dat dit werkobject voor hem geen optie is en daarom vervalt.
Volledig
Het verzoek van de [naam B.V.] om, naast de inzet bij het [naam locatie 5] , structureel te worden ingezet op locaties in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] was voor hem geen optie. Appellant had geen passend vervoer om de afstand naar [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] af te leggen en openbaar vervoer naar deze locaties was geen mogelijkheid vanwege de reisafstand en de onregelmatige werktijden op deze locaties 3.2. Appellant heeft verder zijn standpunt herhaald dat hij niet naar het gesprek met zijn leidinggevende in Ede kon gaan omdat hij op dat moment problemen had met zijn auto. Door de opstelling van [naam B.V.] was volgens appellant geen sprake meer van een werkbare en goede arbeidsrelatie en was voortzetting van het dienstverband voor hem niet meer mogelijk. Daar komt bij dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd bij [naam B.V.] . Het standpunt van het Uwv 3.3. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter zitting heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd in die zin dat de door [naam B.V.] aangeboden werklocaties in [vestigingsplaats 3] en [vestigingsplaats 4] niet passend waren voor appellant omdat de reistijd meer dan twee uur per dag bedroeg. Het Uwv heeft wel zijn standpunt gehandhaafd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat geen sprake is van een situatie waarin dit appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. Het Uwv heeft daarbij benadrukt dat appellant voor [naam B.V.] had kunnen blijven werken bij het [naam locatie 5] of andere locaties in [vestigingsplaats 2] en omgeving en in de tussentijd had kunnen solliciteren. Volgens het Uwv heeft appellant onvoldoende geprobeerd om in overleg te treden met [naam B.V.] . Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de WWuitkering wegens verwijtbare werkloosheid blijvend en geheel is geweigerd, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Op grond van 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer, zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat uit deze wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die zelf ontslag neemt in beginsel verwijtbaar werkloos is. Dat is slechts anders indien aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Het ligt op de weg van de werknemer om aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet. 4.2. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv blijvend een bedrag op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend. 4.3. In dit geval is de situatie aan de orde waarin de werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zolang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. Indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, behoeft geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als in de dienstbetrekking die beëindigd wordt. 4.4. De dienstbetrekking bij [naam B.V.] is per 1 december 2023 geëindigd op verzoek van appellant. Ten tijde van deze ontslagname was er geen reëel vooruitzicht op een ander dienstverband van tenminste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de beëindigde dienstbetrekking, omdat appellant ten tijde van zijn ontslagname nog geen zicht had op een nieuwe baan. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft beoordeeld of appellant verwijtbaar werkloos is geworden uit de voorlaatste dienstbetrekking bij [naam B.V.] . 4.5. Gebleken is dat de arbeidsrelatie tussen appellant en [naam B.V.] is verslechterd naar aanleiding van enkele conflicten met medewerkers van een ander bedrijf die ook beveiligingswerkzaamheden verrichtten bij [naam locatie 1] . Naar aanleiding van een incident in september 2023 heeft [naam B.V.] geconcludeerd dat appellant zijn werkzaamheden bij [naam locatie 1] niet meer kon voortzetten. Daardoor moesten er voor appellant andere werkzaamheden worden gevonden. In verband hiermee heeft [naam B.V.] appellant uitgenodigd voor een gesprek op 9 november 2023 op het kantoor van [naam B.V.] te Ede om over een oplossing voor de ontstane situatie te praten. Appellant is niet op dat gesprek verschenen. Voor zover appellant heeft verklaard dat hij een kapotte auto had, is niet gebleken dat hij alternatief vervoer heeft geregeld. Ook is niet gebleken dat hij heeft getracht een nieuwe afspraak te maken. Uit een e-mail van appellant van 9 november 2023 aan zijn vakbond valt veeleer af te leiden dat hij liever telefonisch contact had. Bovendien heeft [naam B.V.] naar aanleiding van vragen van de Raad bij e-mail van 19 november 2025 nog opgemerkt dat appellant niet aan dit gesprek heeft willen deelnemen en ook na telefonisch contact bij deze weigering is gebleven. Gelet op de ontstane situatie had van appellant echter mogen worden verwacht dat hij met [naam B.V.] in gesprek zou zijn gegaan. Door zijn opstelling heeft appellant de mogelijkheid om in goed overleg met zijn werkgever een oplossing te vinden voor de ontstane situatie ernstig bemoeilijkt. 4.6. Uit de gedingstukken, met name de e-mail van appellant van 9 november 2023 aan zijn vakbond, leidt de Raad af dat [naam B.V.] appellant, naast zijn objecten bij de [naam locatie 2] en [naam locatie 3] , heeft ingeroosterd voor enkele diensten bij het [naam locatie 5] te [vestigingsplaats 2] . Appellant heeft te kennen gegeven dat dit geen object is waar hij structureel ingezet wil worden. In genoemde e-mail aan zijn vakbond heeft appellant geschreven dat hij niet op het gesprek in Ede wilde komen, omdat hij het vermoeden had dat [naam B.V.] hem vaker naar het [naam locatie 5] wilde hebben en hij dat niet wilde. Ook in een e-mail van appellant aan de afdeling planning van [naam B.V.] van 8 november 2023 heeft appellant gemeld dat extra diensten bij het [naam locatie 5] voor hem geen optie is. Nu het ging om werkzaamheden als beveiliger op een werkobject in zijn eigen regio had van hem mogen worden verwacht, zeker in de gegeven omstandigheden, dat hij deze werkzaamheden had geaccepteerd. Daaraan doet niet af dat, zoals appellant stelt, deze werkzaamheden tijdelijk waren en qua omvang niet voldoende om de werkzaamheden bij [naam locatie 1] te compenseren. Daarover had appellant – zoals hiervoor onder 4.5 overwogen – nader overleg kunnen voeren met zijn leidinggevende bij [naam B.V.] . Bij email van 14 november 2023 heeft appellant zijn leidinggevende gevraagd of er al een oplossing was voor het invullen van zijn rooster. Hij heeft daarbij herhaald dat in zijn rooster een aantal [naam locatie 5] -diensten waren gepland, maar dat dit werkobject voor hem geen optie is en daarom vervalt.