Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-07
ECLI:NL:CRVB:2026:560
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,083 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:560 text/xml public 2026-05-12T10:06:38 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 25/733 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:560 text/html public 2026-05-12T09:15:34 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:560 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 25/733 WIA Toekenning WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 april 2023 terecht vastgesteld op 60,36%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de opvatting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn. 25/733 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2025, 24/5635 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 april 2023 heeft vastgesteld op 60,36%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Bosveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 8 april 2026. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als leidster op een peuterspeelzaal voor 31,88 uur per week. Op 23 november 2010 is zij als gevolg van psychische en lichamelijke klachten voor dit werk uitgevallen. Na het verstrijken van de toepasselijke wachttijd heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 80 tot 100% en haar met ingang van 1 december 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Naar aanleiding van een herbeoordeling heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 14 december 2020 vastgesteld op 71,42%. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven (zie uitspraak van de Raad van 7 december 2023 ). Met ingang van 1 januari 2023 is de WIA-uitkering van appellante omgezet van een loonaanvullingsuitkering naar een vervolguitkering. Voorafgaand hieraan heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. 1.2. In het kader van deze herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 december 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en haar arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 60,36%. Bij besluit van 18 januari 2021 heeft het Uwv bepaald dat de WGA-vervolguitkering met ingang van 1 april 2023 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. 1.3. Bij besluit van 2 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en heeft het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct vastgesteld. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De beroepsgrond van appellante dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft, heeft de rechtbank niet gevolgd. In een rapport van 12 maart 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de brieven van de psychiater van 10 januari 2023 en de huisarts van 23 september 2022 en 24 oktober 2023 niet kan worden geconcludeerd dat appellante per datum in geding geen benutbare mogelijkheden heeft en dat de medische situatie dusdanig veranderd is dat per datum in geding sprake is van een ernstige psychische stoornis met beperkingen op micro-, meso- en macroniveau zoals bedoeld in het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om over te gaan tot het benoemen van een deskundige. Daartoe is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, overwogen dat de rechtbank niet twijfelt aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming van het Uwv, omdat de rapporten van de verzekeringsarts(en) bezwaar en beroep blijk geven van zorgvuldig onderzoek. Zij zijn deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent. Daarnaast heeft appellante voldoende mogelijkheid en gelegenheid gehad om in beroep het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten. De informatie verstrekt in de reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de bezwaren van appellante tegen de geduide functies heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het oordeel van deze arbeidsdeskundige. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd dan ook geen grond gevonden voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij in het geheel niet in staat is met andere mensen samen te werken, als gevolg van een depressieve stoornis, psychotische gedachten, achtervolgingswaan, mensenvrees en paniekaanvallen. Appellante acht zich niet in staat deel te nemen aan het openbare leven. Zij onderneemt geen enkele activiteit buitenshuis zonder begeleiding van een familielid of begeleiding van haar therapeut van Antes. Appellante stelt dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat zij tot het verrichten van de geduide functies in staat moet worden geacht. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 60,36% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:560 text/xml public 2026-05-12T10:06:38 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 25/733 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:560 text/html public 2026-05-12T09:15:34 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:560 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 25/733 WIA Toekenning WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 april 2023 terecht vastgesteld op 60,36%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de opvatting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn. 25/733 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2025, 24/5635 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 april 2023 heeft vastgesteld op 60,36%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Bosveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 8 april 2026. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als leidster op een peuterspeelzaal voor 31,88 uur per week. Op 23 november 2010 is zij als gevolg van psychische en lichamelijke klachten voor dit werk uitgevallen. Na het verstrijken van de toepasselijke wachttijd heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 80 tot 100% en haar met ingang van 1 december 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Naar aanleiding van een herbeoordeling heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 14 december 2020 vastgesteld op 71,42%. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven (zie uitspraak van de Raad van 7 december 2023 ). Met ingang van 1 januari 2023 is de WIA-uitkering van appellante omgezet van een loonaanvullingsuitkering naar een vervolguitkering. Voorafgaand hieraan heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. 1.2. In het kader van deze herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 december 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en haar arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 60,36%. Bij besluit van 18 januari 2021 heeft het Uwv bepaald dat de WGA-vervolguitkering met ingang van 1 april 2023 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. 1.3. Bij besluit van 2 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en heeft het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct vastgesteld. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De beroepsgrond van appellante dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft, heeft de rechtbank niet gevolgd. In een rapport van 12 maart 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de brieven van de psychiater van 10 januari 2023 en de huisarts van 23 september 2022 en 24 oktober 2023 niet kan worden geconcludeerd dat appellante per datum in geding geen benutbare mogelijkheden heeft en dat de medische situatie dusdanig veranderd is dat per datum in geding sprake is van een ernstige psychische stoornis met beperkingen op micro-, meso- en macroniveau zoals bedoeld in het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om over te gaan tot het benoemen van een deskundige. Daartoe is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, overwogen dat de rechtbank niet twijfelt aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming van het Uwv, omdat de rapporten van de verzekeringsarts(en) bezwaar en beroep blijk geven van zorgvuldig onderzoek. Zij zijn deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent. Daarnaast heeft appellante voldoende mogelijkheid en gelegenheid gehad om in beroep het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten. De informatie verstrekt in de reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de bezwaren van appellante tegen de geduide functies heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het oordeel van deze arbeidsdeskundige. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd dan ook geen grond gevonden voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij in het geheel niet in staat is met andere mensen samen te werken, als gevolg van een depressieve stoornis, psychotische gedachten, achtervolgingswaan, mensenvrees en paniekaanvallen. Appellante acht zich niet in staat deel te nemen aan het openbare leven. Zij onderneemt geen enkele activiteit buitenshuis zonder begeleiding van een familielid of begeleiding van haar therapeut van Antes. Appellante stelt dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat zij tot het verrichten van de geduide functies in staat moet worden geacht. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 60,36% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.