Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-07
ECLI:NL:CRVB:2026:559
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,045 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:559 text/xml public 2026-05-12T14:35:49 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 24/2364 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:559 text/html public 2026-05-12T14:31:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:559 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 24/2364 ZW Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat appellante in staat is de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat de psychische en fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding niet zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling dat dit leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. 24/2364 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2024, 23/6931 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 20 maart 2023 heeft geweigerd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter en mr. Gümüs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster en heeft zich op 17 september 2018 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2020 geweigerd aan appellante met ingang van 24 september 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als schoonmaakster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd, nadat op 7 januari 2021 en 12 februari 2021 een medische herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep had plaatsgevonden, waarin werd geconcludeerd dat er geen reden was om de belastbaarheid van appellante aan te passen. 1.2. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 20 maart 2023 opnieuw ziekgemeld met meervoudige gezondheidsklachten. In verband hiermee heeft zij op 1 mei 2023 het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. Deze arts heeft appellante per 20 maart 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, textielproductenmaker en wikkelaar en ook voor de geselecteerde reservefuncties. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2023 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante per 20 maart 2023 geweigerd. 1.3. Bij besluit van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dossier bestudeerd en hebben appellante op een spreekuur gezien waarbij psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. De aanwezige medische informatie is door hen betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft ook het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat uit de aanwezige informatie geen ernstig of verslechterd psychisch toestandsbeeld kan worden herleid. Er is al enkele jaren sprake van psychische behandeling en in 2021 heeft een psychiatrische expertise plaatsgevonden. De psychische klachten en de ernst daarvan zijn voldoende gedocumenteerd en bij de WIA-beoordeling is voldoende rekening gehouden met de psychisch verminderde belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de stelling dat appellante in het geheel niet in staat zou zijn om persoonlijk te functioneren, niet wordt ondersteund door de medische informatie. Daar heeft de rechtbank aan toegevoegd dat uit de verslagen van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellante zich tijdens het spreekuur goed kan concentreren, haar aandacht kan behouden en haar verhaal helder en chronologisch kan vertellen. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat appellante wegens een verergering van haar fysieke beperkingen ongeschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. Bij de WIA-beoordeling is rekening gehouden met de aanwezigheid van fysieke klachten en is geoordeeld dat werk met excessieve belasting van het linkerbeen niet aan de orde mag zijn. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat haar psychische klachten gelijk zijn gebleven na de WIA-beoordeling. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de hallucinatieklachten, het afsluiten van de buitenwereld en de gewijzigde pijnmedicatie van na de datum in geding zijn. Soms heeft appellante zich onttrokken aan zorg maar op die momenten waren er wel forse psychische klachten aanwezig. Door haar psychische klachten en beperkingen heeft appellante geen goede nachtrust en mist zij overdag de energie om haar algemene dagelijkse levensverrichtingstaken te verrichten. Bovendien heeft zij regelmatig paniekaanvallen en angstklachten. Er hadden daarom door het Uwv meer en zwaardere beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren moeten worden aangenomen. Daarnaast hadden er volgens appellante meer fysieke beperkingen voor de heupen en rechterschouder moeten worden aangenomen. Appellante verzoekt de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen voor een medische herbeoordeling. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel. 5.2. Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:559 text/xml public 2026-05-12T14:35:49 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 24/2364 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:559 text/html public 2026-05-12T14:31:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:559 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 24/2364 ZW Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat appellante in staat is de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat de psychische en fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding niet zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling dat dit leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. 24/2364 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2024, 23/6931 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 20 maart 2023 heeft geweigerd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter en mr. Gümüs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster en heeft zich op 17 september 2018 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2020 geweigerd aan appellante met ingang van 24 september 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als schoonmaakster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd, nadat op 7 januari 2021 en 12 februari 2021 een medische herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep had plaatsgevonden, waarin werd geconcludeerd dat er geen reden was om de belastbaarheid van appellante aan te passen. 1.2. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 20 maart 2023 opnieuw ziekgemeld met meervoudige gezondheidsklachten. In verband hiermee heeft zij op 1 mei 2023 het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. Deze arts heeft appellante per 20 maart 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, textielproductenmaker en wikkelaar en ook voor de geselecteerde reservefuncties. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2023 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante per 20 maart 2023 geweigerd. 1.3. Bij besluit van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dossier bestudeerd en hebben appellante op een spreekuur gezien waarbij psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. De aanwezige medische informatie is door hen betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft ook het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat uit de aanwezige informatie geen ernstig of verslechterd psychisch toestandsbeeld kan worden herleid. Er is al enkele jaren sprake van psychische behandeling en in 2021 heeft een psychiatrische expertise plaatsgevonden. De psychische klachten en de ernst daarvan zijn voldoende gedocumenteerd en bij de WIA-beoordeling is voldoende rekening gehouden met de psychisch verminderde belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de stelling dat appellante in het geheel niet in staat zou zijn om persoonlijk te functioneren, niet wordt ondersteund door de medische informatie. Daar heeft de rechtbank aan toegevoegd dat uit de verslagen van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellante zich tijdens het spreekuur goed kan concentreren, haar aandacht kan behouden en haar verhaal helder en chronologisch kan vertellen. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat appellante wegens een verergering van haar fysieke beperkingen ongeschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. Bij de WIA-beoordeling is rekening gehouden met de aanwezigheid van fysieke klachten en is geoordeeld dat werk met excessieve belasting van het linkerbeen niet aan de orde mag zijn. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat haar psychische klachten gelijk zijn gebleven na de WIA-beoordeling. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de hallucinatieklachten, het afsluiten van de buitenwereld en de gewijzigde pijnmedicatie van na de datum in geding zijn. Soms heeft appellante zich onttrokken aan zorg maar op die momenten waren er wel forse psychische klachten aanwezig. Door haar psychische klachten en beperkingen heeft appellante geen goede nachtrust en mist zij overdag de energie om haar algemene dagelijkse levensverrichtingstaken te verrichten. Bovendien heeft zij regelmatig paniekaanvallen en angstklachten. Er hadden daarom door het Uwv meer en zwaardere beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren moeten worden aangenomen. Daarnaast hadden er volgens appellante meer fysieke beperkingen voor de heupen en rechterschouder moeten worden aangenomen. Appellante verzoekt de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen voor een medische herbeoordeling. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel. 5.2. Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022.