Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-07
ECLI:NL:CRVB:2026:557
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,060 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:557 text/xml public 2026-05-15T10:28:49 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 25/1097 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:557 text/html public 2026-05-15T10:22:04 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:557 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 25/1097 ZW Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellante is terecht in staat geacht de maatgevende arbeid te kunnen vervullen. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Terecht geoordeeld dat bedrijfsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 op overtuigende wijze heeft toegelicht dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden. 25/1097 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025, 24/6945 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante ziekengeld toe te kennen. Volgens appellante was zij door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft gewerkt als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Haar dienstverband is op 1 januari 2024 geëindigd. Op 27 maart 2024 heeft zij zich ziekgemeld met nek- en rugpijn en armklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 18 april 2024 heeft zij het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante per 27 maart 2024 niet ongeschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 22 april 2024 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellante geen ziekengeld wordt toegekend. 1.2. Bij besluit van 12 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een bedrijfsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat een lichamelijk onderzoek in bezwaar niet noodzakelijk is geacht vanwege het uitgebreide medische onderzoeksverslag van de primaire arts. Deze toelichting heeft de rechtbank gevolgd. Ook heeft het Uwv volgens de rechtbank mogen afzien van het opvragen van medische informatie bij de behandelend sector, omdat een situatie dat een behandeling is ingezet waarvan effect op de belastbaarheid is te verwachten, of een beredeneerd afwijkend standpunt van de behandelaars, zich in dit geval niet voordoen. De omstandigheid dat het onderzoek in bezwaar is uitgevoerd door een bedrijfsarts bezwaar en beroep maakt het onderzoek volgens de rechtbank evenmin onzorgvuldig, omdat het medisch onderzoek overeenkomstig de controlevoorschriften is uitgevoerd. Verder heeft de rechtbank de medisch inhoudelijke beoordeling door het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft de toelichting van de bedrijfsarts bezwaar en beroep gevolgd dat appellante haar werkzaamheden ondanks haar medische klachten voor langere tijd heeft vervuld. Het eigen werk betreft geen fysiek zware arbeid, waarin tillen en dragen voorkomt. Verder kan appellante zich naar eigen inzicht verplaatsen en is afwisseling van taken mogelijk. De problematiek aan de rug is geen aanleiding voor het aannemen van een bewegingsbeperking en structureel krachtverlies is niet aan de orde. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht de maatgevende arbeid te vervullen. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Ten onrechte heeft de rechtbank het onderzoek door het Uwv niet onzorgvuldig geacht. In dat verband heeft appellante herhaald dat in bezwaar ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. 3.2. Verder was appellante in haar maatmanfunctie belast met administratieve taken die structureel langdurig zitten en een hoog niveau van cognitieve inspanning vergden. De rechtbank heeft die werkzaamheden ten onrechte aangeduid als licht administratieve werkzaamheden terwijl een goede werkomschrijving ontbreekt. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 5.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het Uwv appellante per 27 maart 2024 terecht niet ongeschikt heeft geacht voor de laatstelijk verrichte arbeid. 5.3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 5.4. Appellante wordt niet gevolgd in haar grond dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat in bezwaar geen lichamelijk onderzoek is verricht. In dat verband wordt overwogen dat aansluitend aan de hoorzitting op 5 juni 2024 een medisch onderzoek door de bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. Uit het daarvan opgestelde verslag blijkt dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep geen aanleiding zag om in bezwaar ook een lichamelijk onderzoek te doen, gezien de al aanwezige, uitgebreide verslaglegging van het lichamelijke onderzoek door de primaire arts in diens medisch onderzoeksverslag van 19 april 2024. Deze toelichting wordt gevolgd. 5.5. Ook inhoudelijk wordt de beoordeling door het Uwv onderschreven. De medische informatie die appellante in beroep heeft ingebracht werpt geen nieuw licht op de zaak. De rechtbank heeft hiervan terecht geoordeeld dat bedrijfsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 op overtuigende wijze heeft toegelicht dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:557 text/xml public 2026-05-15T10:28:49 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 25/1097 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:557 text/html public 2026-05-15T10:22:04 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:557 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 25/1097 ZW Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellante is terecht in staat geacht de maatgevende arbeid te kunnen vervullen. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Terecht geoordeeld dat bedrijfsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 op overtuigende wijze heeft toegelicht dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden. 25/1097 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025, 24/6945 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante ziekengeld toe te kennen. Volgens appellante was zij door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft gewerkt als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Haar dienstverband is op 1 januari 2024 geëindigd. Op 27 maart 2024 heeft zij zich ziekgemeld met nek- en rugpijn en armklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 18 april 2024 heeft zij het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante per 27 maart 2024 niet ongeschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 22 april 2024 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellante geen ziekengeld wordt toegekend. 1.2. Bij besluit van 12 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een bedrijfsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat een lichamelijk onderzoek in bezwaar niet noodzakelijk is geacht vanwege het uitgebreide medische onderzoeksverslag van de primaire arts. Deze toelichting heeft de rechtbank gevolgd. Ook heeft het Uwv volgens de rechtbank mogen afzien van het opvragen van medische informatie bij de behandelend sector, omdat een situatie dat een behandeling is ingezet waarvan effect op de belastbaarheid is te verwachten, of een beredeneerd afwijkend standpunt van de behandelaars, zich in dit geval niet voordoen. De omstandigheid dat het onderzoek in bezwaar is uitgevoerd door een bedrijfsarts bezwaar en beroep maakt het onderzoek volgens de rechtbank evenmin onzorgvuldig, omdat het medisch onderzoek overeenkomstig de controlevoorschriften is uitgevoerd. Verder heeft de rechtbank de medisch inhoudelijke beoordeling door het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft de toelichting van de bedrijfsarts bezwaar en beroep gevolgd dat appellante haar werkzaamheden ondanks haar medische klachten voor langere tijd heeft vervuld. Het eigen werk betreft geen fysiek zware arbeid, waarin tillen en dragen voorkomt. Verder kan appellante zich naar eigen inzicht verplaatsen en is afwisseling van taken mogelijk. De problematiek aan de rug is geen aanleiding voor het aannemen van een bewegingsbeperking en structureel krachtverlies is niet aan de orde. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht de maatgevende arbeid te vervullen. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Ten onrechte heeft de rechtbank het onderzoek door het Uwv niet onzorgvuldig geacht. In dat verband heeft appellante herhaald dat in bezwaar ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. 3.2. Verder was appellante in haar maatmanfunctie belast met administratieve taken die structureel langdurig zitten en een hoog niveau van cognitieve inspanning vergden. De rechtbank heeft die werkzaamheden ten onrechte aangeduid als licht administratieve werkzaamheden terwijl een goede werkomschrijving ontbreekt. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 5.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het Uwv appellante per 27 maart 2024 terecht niet ongeschikt heeft geacht voor de laatstelijk verrichte arbeid. 5.3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 5.4. Appellante wordt niet gevolgd in haar grond dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat in bezwaar geen lichamelijk onderzoek is verricht. In dat verband wordt overwogen dat aansluitend aan de hoorzitting op 5 juni 2024 een medisch onderzoek door de bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. Uit het daarvan opgestelde verslag blijkt dat de bedrijfsarts bezwaar en beroep geen aanleiding zag om in bezwaar ook een lichamelijk onderzoek te doen, gezien de al aanwezige, uitgebreide verslaglegging van het lichamelijke onderzoek door de primaire arts in diens medisch onderzoeksverslag van 19 april 2024. Deze toelichting wordt gevolgd. 5.5. Ook inhoudelijk wordt de beoordeling door het Uwv onderschreven. De medische informatie die appellante in beroep heeft ingebracht werpt geen nieuw licht op de zaak. De rechtbank heeft hiervan terecht geoordeeld dat bedrijfsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 op overtuigende wijze heeft toegelicht dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden.