Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-07
ECLI:NL:CRVB:2026:552
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,641 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:552 text/xml public 2026-05-12T11:36:08 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 24/1920 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:552 text/html public 2026-05-12T08:59:04 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:552 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 24/1920 WIA Weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien blijft in stand. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de betalingsspecificatie van 6 september 2019 geen aanleiding om te concluderen dat de op deze betaalspecificatie genoemde bedragen onjuist zijn. De betaalspecificatie van 16 september 2019 is een gevolg van de beslissing op bezwaar van 12 september 2019. Het Uwv heeft toegelicht dat deze beslissing op bezwaar niet tot een nabetaling heeft geleid, omdat appellante weliswaar recht had op een hogere WIA-uitkering maar dat daardoor haar toeslag lager werd. De toeslag vulde immers de WIA-uitkering aan tot het sociaal minimum, waardoor het totale bedrag waar appellante maandelijks recht op had, niet is gewijzigd. De Raad kan deze toelichting volgen en ziet daarom ook geen aanleiding om de betaalspecificatie van 16 september 2019 voor onjuist te houden. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1920 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2024, 23/5111 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om een verzoek om herziening van twee betaalspecificaties van het Uwv. Appellante is van mening dat de op deze betaalspecificaties weergegeven verrekeningen niet juist zijn. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek om herziening van de betaalspecificaties terecht heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft vanaf 8 november 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Bij besluit van 1 mei 2018 heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante met ingang van 2 juli 2018 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Met een beslissing op bezwaar van 18 december 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. 1.2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2018. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv op 13 juni 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard, in zoverre dat de einddatum van de WIA-uitkering is vastgesteld op 15 augustus 2019. 1.3. Het Uwv heeft op 28 juni 2019 een brief gestuurd aan de gemeente Leidschendam. In deze brief staat dat de gemeente een bedrag van het Uwv terug kan krijgen voor de bijstandsuitkering die aan appellante is betaald over de periode van 2 juli 2018 tot 1 juli 2019. Het Uwv heeft de gemeente gevraagd om door te geven hoeveel bijstandsuitkering over de genoemde periode aan appellante is betaald. 1.4. In een brief van 8 juli 2019 heeft de gemeente aan het Uwv doorgegeven dat over de periode van 19 juli 2019 (lees: 2018) tot en met 30 juni 2019 een bedrag van € 16.837,08 aan bijstandsuitkering aan appellante is betaald. In een brief van het Uwv aan de gemeente van 24 juli 2019 staat dat op 23 juli 2019 een bedrag van € 16.837,08 zal worden overgemaakt. 1.5. Uit een betaalspecificatie van 17 juli 2019 blijkt dat het Uwv over de maand juli 2019 een WIA-uitkering aan appellante heeft betaald van € 458,06. 1.6. Met een besluit van 23 juli 2019 heeft het Uwv in aanvulling op de WIA-uitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan appellante toegekend met ingang van 2 juli 2018. De hoogte van de toeslag is per 2 juli 2018 vastgesteld op € 40,41 bruto per dag. 1.7. Uit een betaalspecificatie van 23 juli 2019 blijkt dat appellante recht had op een nabetaling van WIA-uitkering over de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 en toeslag over de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 juli 2019. Ook had zij recht op een nabetaling van vakantietoeslag voor zowel de WIA-uitkering als de toeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019. Dit is een bedrag van in totaal € 18.164,09. Op deze nabetalingen zijn bedragen aan eerder betaalde vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2018 in mindering gebracht. Daarnaast is het door de gemeente opgegeven bedrag van € 15.746,13 bruto verrekend. In totaal is daarmee € 15.933,61 verrekend. Het resterende bedrag van € 2.230,48 bruto (€ 1.451,86 netto) is aan appellante uitbetaald. 1.8. Uit betaalspecificaties van 12 augustus 2019 en 13 augustus 2019 blijkt dat de WIAuitkering en de toeslag over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 14 augustus 2019 aan appellante zijn betaald. De vakantietoeslag over de WIA-uitkering en toeslag is betaald over de periode van 1 mei 2019 tot en met 14 augustus 2019. 1.9. Uit een betaalspecificatie van 6 september 2019 blijkt dat de WIA-uitkering en toeslag over de maand augustus 2019 aan appellante is uitbetaald. Ook is vakantietoeslag over de WIA-uitkering en toeslag betaald over de periode van 1 mei 2019 en met 31 augustus 2019. De WIA-uitkering en toeslag die eerder al was betaald over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 14 augustus 2019 alsmede de reeds betaalde vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 14 augustus 2019 is hierop in mindering gebracht. Het resterende bedrag van € 800,67 bruto (€ 618,23 netto) is aan appellante uitbetaald. 1.10. Op 12 september 2019 heeft het Uwv opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is vastgesteld dat appellante vanaf 5 juli 2019 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat zij daarom recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Deze uitkering bedraagt € 1.410,90 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. 1.11. Met een besluit van 16 september 2019 heeft het Uwv de toeslag op de WIAuitkering vanaf 5 juli 2019 verlaagd, omdat het inkomen van appellante is toegenomen. De hoogte van de toeslag is vastgesteld op € 53,07 bruto per maand (€ 2,44 bruto per dag). 1.12. Uit een betaalspecificatie van 16 september 2019 blijkt dat appellante recht had op een bedrag van in totaal € 4.511,18 bruto aan WIA-uitkering en toeslag over de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019 en vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 augustus 2019. Op dit bedrag is de WIA-uitkering, toeslag en vakantietoeslag die eerder over de genoemde periodes is betaald in mindering gebracht. Het aan appellante uit te betalen bedrag bedraagt € 0,-. 1.13. In een brief van 1 juni 2022 heeft appellante aan het Uwv geschreven dat de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 volgens haar niet juist zijn en dat zij nog een bedrag tegoed heeft van het Uwv. 1.14. Het Uwv heeft de brief van appellante aangemerkt als een verzoek om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien. Met een besluit van 14 oktober 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het Uwv heeft toegelicht welke bedragen aan appellante zijn uitbetaald en geconcludeerd dat als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 september 2019 terecht geen bedrag aan appellante is nabetaald. 1.15.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:552 text/xml public 2026-05-12T11:36:08 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-07 24/1920 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:552 text/html public 2026-05-12T08:59:04 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:552 Centrale Raad van Beroep , 07-05-2026 / 24/1920 WIA Weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien blijft in stand. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de betalingsspecificatie van 6 september 2019 geen aanleiding om te concluderen dat de op deze betaalspecificatie genoemde bedragen onjuist zijn. De betaalspecificatie van 16 september 2019 is een gevolg van de beslissing op bezwaar van 12 september 2019. Het Uwv heeft toegelicht dat deze beslissing op bezwaar niet tot een nabetaling heeft geleid, omdat appellante weliswaar recht had op een hogere WIA-uitkering maar dat daardoor haar toeslag lager werd. De toeslag vulde immers de WIA-uitkering aan tot het sociaal minimum, waardoor het totale bedrag waar appellante maandelijks recht op had, niet is gewijzigd. De Raad kan deze toelichting volgen en ziet daarom ook geen aanleiding om de betaalspecificatie van 16 september 2019 voor onjuist te houden. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1920 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2024, 23/5111 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om een verzoek om herziening van twee betaalspecificaties van het Uwv. Appellante is van mening dat de op deze betaalspecificaties weergegeven verrekeningen niet juist zijn. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek om herziening van de betaalspecificaties terecht heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft vanaf 8 november 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Bij besluit van 1 mei 2018 heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante met ingang van 2 juli 2018 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Met een beslissing op bezwaar van 18 december 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. 1.2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2018. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv op 13 juni 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard, in zoverre dat de einddatum van de WIA-uitkering is vastgesteld op 15 augustus 2019. 1.3. Het Uwv heeft op 28 juni 2019 een brief gestuurd aan de gemeente Leidschendam. In deze brief staat dat de gemeente een bedrag van het Uwv terug kan krijgen voor de bijstandsuitkering die aan appellante is betaald over de periode van 2 juli 2018 tot 1 juli 2019. Het Uwv heeft de gemeente gevraagd om door te geven hoeveel bijstandsuitkering over de genoemde periode aan appellante is betaald. 1.4. In een brief van 8 juli 2019 heeft de gemeente aan het Uwv doorgegeven dat over de periode van 19 juli 2019 (lees: 2018) tot en met 30 juni 2019 een bedrag van € 16.837,08 aan bijstandsuitkering aan appellante is betaald. In een brief van het Uwv aan de gemeente van 24 juli 2019 staat dat op 23 juli 2019 een bedrag van € 16.837,08 zal worden overgemaakt. 1.5. Uit een betaalspecificatie van 17 juli 2019 blijkt dat het Uwv over de maand juli 2019 een WIA-uitkering aan appellante heeft betaald van € 458,06. 1.6. Met een besluit van 23 juli 2019 heeft het Uwv in aanvulling op de WIA-uitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan appellante toegekend met ingang van 2 juli 2018. De hoogte van de toeslag is per 2 juli 2018 vastgesteld op € 40,41 bruto per dag. 1.7. Uit een betaalspecificatie van 23 juli 2019 blijkt dat appellante recht had op een nabetaling van WIA-uitkering over de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 en toeslag over de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 juli 2019. Ook had zij recht op een nabetaling van vakantietoeslag voor zowel de WIA-uitkering als de toeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019. Dit is een bedrag van in totaal € 18.164,09. Op deze nabetalingen zijn bedragen aan eerder betaalde vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2018 in mindering gebracht. Daarnaast is het door de gemeente opgegeven bedrag van € 15.746,13 bruto verrekend. In totaal is daarmee € 15.933,61 verrekend. Het resterende bedrag van € 2.230,48 bruto (€ 1.451,86 netto) is aan appellante uitbetaald. 1.8. Uit betaalspecificaties van 12 augustus 2019 en 13 augustus 2019 blijkt dat de WIAuitkering en de toeslag over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 14 augustus 2019 aan appellante zijn betaald. De vakantietoeslag over de WIA-uitkering en toeslag is betaald over de periode van 1 mei 2019 tot en met 14 augustus 2019. 1.9. Uit een betaalspecificatie van 6 september 2019 blijkt dat de WIA-uitkering en toeslag over de maand augustus 2019 aan appellante is uitbetaald. Ook is vakantietoeslag over de WIA-uitkering en toeslag betaald over de periode van 1 mei 2019 en met 31 augustus 2019. De WIA-uitkering en toeslag die eerder al was betaald over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 14 augustus 2019 alsmede de reeds betaalde vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 14 augustus 2019 is hierop in mindering gebracht. Het resterende bedrag van € 800,67 bruto (€ 618,23 netto) is aan appellante uitbetaald. 1.10. Op 12 september 2019 heeft het Uwv opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is vastgesteld dat appellante vanaf 5 juli 2019 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat zij daarom recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Deze uitkering bedraagt € 1.410,90 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. 1.11. Met een besluit van 16 september 2019 heeft het Uwv de toeslag op de WIAuitkering vanaf 5 juli 2019 verlaagd, omdat het inkomen van appellante is toegenomen. De hoogte van de toeslag is vastgesteld op € 53,07 bruto per maand (€ 2,44 bruto per dag). 1.12. Uit een betaalspecificatie van 16 september 2019 blijkt dat appellante recht had op een bedrag van in totaal € 4.511,18 bruto aan WIA-uitkering en toeslag over de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019 en vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 augustus 2019. Op dit bedrag is de WIA-uitkering, toeslag en vakantietoeslag die eerder over de genoemde periodes is betaald in mindering gebracht. Het aan appellante uit te betalen bedrag bedraagt € 0,-. 1.13. In een brief van 1 juni 2022 heeft appellante aan het Uwv geschreven dat de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 volgens haar niet juist zijn en dat zij nog een bedrag tegoed heeft van het Uwv. 1.14. Het Uwv heeft de brief van appellante aangemerkt als een verzoek om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien. Met een besluit van 14 oktober 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het Uwv heeft toegelicht welke bedragen aan appellante zijn uitbetaald en geconcludeerd dat als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 september 2019 terecht geen bedrag aan appellante is nabetaald. 1.15.
Volledig
Bij besluit van 5 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2022 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de verrekeningen die zijn weergegeven in de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019. Appellante heeft een brief van de gemeente Leidschendam van 28 december 2020 overgelegd, waaruit blijkt dat zij vanaf januari 2021 een bedrag van € 50,- per maand aan de gemeente moet betalen ter aflossing van een vordering van € 4.073,19. Volgens appellante is het niet juist dat naast het bedrag dat het Uwv al met de gemeente heeft verrekend, een bedrag rechtstreeks van haar wordt teruggevorderd. Appellante is van mening dat het Uwv ervoor had moeten zorgen dat zij de juiste bedragen aan uitkering ontving en dat als hierbij iets niet goed is gegaan, het aan het Uwv is om dit te herstellen. Het is niet aan haar om de gemeente aan te spreken. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De betaalspecificatie van 6 september 2019 5.1. Zoals blijkt uit overweging 1.9 heeft de betaalspecificatie van 6 september 2019 betrekking op de betaling van de WIA-uitkering en toeslag over de maand augustus 2019 en vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 augustus 2019. Dat op deze betaling bedragen in mindering zijn gebracht, komt omdat eerder al WIA-uitkering en toeslag was betaald over de periode tot en met 14 augustus 2019 en ook de vakantietoeslag tot en met die datum was afgerekend. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat de op deze betaalspecificatie genoemde bedragen onjuist zijn. De betaalspecificatie van 16 september 2019 5.2. De betaalspecificatie van 16 september 2019 is een gevolg van de beslissing op bezwaar van 12 september 2019. Het Uwv heeft toegelicht dat deze beslissing op bezwaar niet tot een nabetaling heeft geleid, omdat appellante weliswaar recht had op een hogere WIA-uitkering maar dat daardoor haar toeslag lager werd. De toeslag vulde immers de WIA-uitkering aan tot het sociaal minimum, waardoor het totale bedrag waar appellante maandelijks recht op had, niet is gewijzigd. De Raad kan deze toelichting volgen en ziet daarom ook geen aanleiding om de betaalspecificatie van 16 september 2019 voor onjuist te houden. Verrekening met de gemeente 5.3. In artikel 60a, tweede lid, van de Participatiewet is, voor zover relevant, bepaald dat indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd, een uitkering ontvangt op grond van de Wet WIA, het Uwv zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft (college) het bedrag van de terugvordering betaalt uit de uitkering. 5.4. De Raad heeft al eerder overwogen dat de bevoegdheid voor het Uwv om een bedrag rechtstreeks aan het college te betalen, pas ontstaat als sprake is van terugvordering van bijstand. Dit betekent dat het college een besluit tot terugvordering moet nemen. Tegen dit terugvorderingsbesluit kan een belanghebbende rechtsmiddelen aanwenden. Direct na of tegelijkertijd met het nemen van het terugvorderingsbesluit kan het college aan het Uwv verzoeken het bedrag van de terugvordering aan het college te betalen. Het is vervolgens aan het Uwv om een belanghebbende te informeren over de feitelijke verrekening. Daarbij moet het Uwv uitgaan van het door het college opgegeven bedrag. 5.5. Zoals ter zitting is besproken, blijkt uit een door appellante ingediend overzicht dat zij een bijstandsuitkering heeft ontvangen over de periode van juli 2018 tot en met september 2019. De bijstandsuitkering die appellante over de periode van 19 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 heeft ontvangen is verrekend met de door het Uwv na te betalen WIAuitkering en toeslag. Over de periode van 1 juli 2018 tot 19 juli 2018 en de maanden juli tot en met september 2019 heeft dus geen verrekening plaatsgevonden tussen het Uwv en het college. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting bevestigd dat het bedrag van € 4.073,19 dat het college rechtstreeks van appellante terugvordert betrekking heeft op deze periodes. Indien appellante het niet eens is met de terugvordering van dit bedrag, dient zij zich tot de gemeente te wenden. 5.6. Voor zover appellante betoogt dat de betaalspecificaties van het Uwv van 6 september 2019 en 16 september 2019 niet juist zijn omdat over de maanden juli tot en met september 2019 ten onrechte geen verrekening heeft plaatsgevonden met het college, wordt zij daarin niet gevolgd. Zoals volgt uit wat is overwogen onder 5.4, is het Uwv onder omstandigheden bevoegd om een bedrag rechtstreeks aan het college te betalen. Anders dan appellante lijkt te veronderstellen, kan hieruit niet worden afgeleid dat het Uwv verplicht is om de uitbetaling van een uitkering vooraf af te stemmen met het college. Hierbij wordt nog opgemerkt dat op basis van de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 een bedrag van € 618,23 netto aan appellante is uitbetaald. Gelet op de hoogte van het bedrag dat het college van appellante terugvordert, had een eventuele verrekening van dit bedrag door het Uwv niet kunnen voorkomen dat het college het resterende bedrag rechtstreeks bij appellante terug zou vorderen. De Raad ziet niet in dat de financiële positie van appellante is verslechterd doordat in de betreffende betaalspecificaties geen verrekening tussen het Uwv en het college heeft plaatsgevonden. Conclusie en gevolgen 5.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026. (getekend) D.S. de Vries (getekend) C.E.A. Tessemaker Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2365.
Volledig
Bij besluit van 5 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2022 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de verrekeningen die zijn weergegeven in de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019. Appellante heeft een brief van de gemeente Leidschendam van 28 december 2020 overgelegd, waaruit blijkt dat zij vanaf januari 2021 een bedrag van € 50,- per maand aan de gemeente moet betalen ter aflossing van een vordering van € 4.073,19. Volgens appellante is het niet juist dat naast het bedrag dat het Uwv al met de gemeente heeft verrekend, een bedrag rechtstreeks van haar wordt teruggevorderd. Appellante is van mening dat het Uwv ervoor had moeten zorgen dat zij de juiste bedragen aan uitkering ontving en dat als hierbij iets niet goed is gegaan, het aan het Uwv is om dit te herstellen. Het is niet aan haar om de gemeente aan te spreken. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De betaalspecificatie van 6 september 2019 5.1. Zoals blijkt uit overweging 1.9 heeft de betaalspecificatie van 6 september 2019 betrekking op de betaling van de WIA-uitkering en toeslag over de maand augustus 2019 en vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 augustus 2019. Dat op deze betaling bedragen in mindering zijn gebracht, komt omdat eerder al WIA-uitkering en toeslag was betaald over de periode tot en met 14 augustus 2019 en ook de vakantietoeslag tot en met die datum was afgerekend. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat de op deze betaalspecificatie genoemde bedragen onjuist zijn. De betaalspecificatie van 16 september 2019 5.2. De betaalspecificatie van 16 september 2019 is een gevolg van de beslissing op bezwaar van 12 september 2019. Het Uwv heeft toegelicht dat deze beslissing op bezwaar niet tot een nabetaling heeft geleid, omdat appellante weliswaar recht had op een hogere WIA-uitkering maar dat daardoor haar toeslag lager werd. De toeslag vulde immers de WIA-uitkering aan tot het sociaal minimum, waardoor het totale bedrag waar appellante maandelijks recht op had, niet is gewijzigd. De Raad kan deze toelichting volgen en ziet daarom ook geen aanleiding om de betaalspecificatie van 16 september 2019 voor onjuist te houden. Verrekening met de gemeente 5.3. In artikel 60a, tweede lid, van de Participatiewet is, voor zover relevant, bepaald dat indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd, een uitkering ontvangt op grond van de Wet WIA, het Uwv zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft (college) het bedrag van de terugvordering betaalt uit de uitkering. 5.4. De Raad heeft al eerder overwogen dat de bevoegdheid voor het Uwv om een bedrag rechtstreeks aan het college te betalen, pas ontstaat als sprake is van terugvordering van bijstand. Dit betekent dat het college een besluit tot terugvordering moet nemen. Tegen dit terugvorderingsbesluit kan een belanghebbende rechtsmiddelen aanwenden. Direct na of tegelijkertijd met het nemen van het terugvorderingsbesluit kan het college aan het Uwv verzoeken het bedrag van de terugvordering aan het college te betalen. Het is vervolgens aan het Uwv om een belanghebbende te informeren over de feitelijke verrekening. Daarbij moet het Uwv uitgaan van het door het college opgegeven bedrag. 5.5. Zoals ter zitting is besproken, blijkt uit een door appellante ingediend overzicht dat zij een bijstandsuitkering heeft ontvangen over de periode van juli 2018 tot en met september 2019. De bijstandsuitkering die appellante over de periode van 19 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 heeft ontvangen is verrekend met de door het Uwv na te betalen WIAuitkering en toeslag. Over de periode van 1 juli 2018 tot 19 juli 2018 en de maanden juli tot en met september 2019 heeft dus geen verrekening plaatsgevonden tussen het Uwv en het college. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting bevestigd dat het bedrag van € 4.073,19 dat het college rechtstreeks van appellante terugvordert betrekking heeft op deze periodes. Indien appellante het niet eens is met de terugvordering van dit bedrag, dient zij zich tot de gemeente te wenden. 5.6. Voor zover appellante betoogt dat de betaalspecificaties van het Uwv van 6 september 2019 en 16 september 2019 niet juist zijn omdat over de maanden juli tot en met september 2019 ten onrechte geen verrekening heeft plaatsgevonden met het college, wordt zij daarin niet gevolgd. Zoals volgt uit wat is overwogen onder 5.4, is het Uwv onder omstandigheden bevoegd om een bedrag rechtstreeks aan het college te betalen. Anders dan appellante lijkt te veronderstellen, kan hieruit niet worden afgeleid dat het Uwv verplicht is om de uitbetaling van een uitkering vooraf af te stemmen met het college. Hierbij wordt nog opgemerkt dat op basis van de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 een bedrag van € 618,23 netto aan appellante is uitbetaald. Gelet op de hoogte van het bedrag dat het college van appellante terugvordert, had een eventuele verrekening van dit bedrag door het Uwv niet kunnen voorkomen dat het college het resterende bedrag rechtstreeks bij appellante terug zou vorderen. De Raad ziet niet in dat de financiële positie van appellante is verslechterd doordat in de betreffende betaalspecificaties geen verrekening tussen het Uwv en het college heeft plaatsgevonden. Conclusie en gevolgen 5.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om de betaalspecificaties van 6 september 2019 en 16 september 2019 te herzien in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026. (getekend) D.S. de Vries (getekend) C.E.A. Tessemaker Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2365.