Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-13
ECLI:NL:CRVB:2026:55
22/2396 WIA Datum uitspraak: 13 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2022, 21/306 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering aan een ex-werknemer van appellante. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de IVA-uitkering niet eerder kan ingaan dan per 1 mei 2018 en dat de WGA-uitkering tot die datum doorloopt. Appellante stelt zich op het standpunt dat het recht op de WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat ex-werknemer volledig en duurzaam en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Dat betekent volgens haar in dit geval dat de WGA-uitkering te lang is verstrekt, waarmee het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet. Verder heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellante heeft ter onderbouwing van dit beroep gewezen op verschillende besluiten van het Uwv in vergelijkbare zaken, waarin het Uwv met terugwerkende kracht van meer dan 52 weken een IVA-uitkering heeft toegekend. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en dat daarom ook in deze zaak de 52-weken termijn buiten toepassing moet blijven. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent ex-werknemer een IVA-uitkering toe met ingang van 18 december 2014. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere gronden en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2023. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak 21/4485 WIA. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Steen en mr. J.P.M. van Zijl, beiden advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen en mr. J.W. van Schaik. De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft hierop gereageerd waarna van appellante een reactie is ontvangen. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaak op 25 maart 2025 opnieuw behandeld ter zitting, gelijktijdig met de zaak 21/4485 WIA. Voor appellante zijn verschenen mr. Van der Steen en mr. Van Zijl. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Coenen en mr. Van Schaik. In de zaak 21/4485 WIA is heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. [naam ex-werknemer] , ex-werknemer van appellante, heeft zich op 18 december 2011 ziekgemeld voor zijn werk als orderpicker voor 40 uur per week. Het dienstverband is op 31 januari 2012 beëindigd, waarna het Uwv ex-werknemer een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft het Uwv exwerknemer met ingang van 15 december 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 22 juli 2014 is deze uitkering per 15 oktober 2014 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven. Tegen deze besluiten is geen bezwaar gemaakt. 1.2. Naar aanleiding van een ambtshalve herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv ex-werknemer op 2 mei 2016 op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd dat ex-werkne De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Op grond van de door appellante aangevoerde gegevens kon niet worden beoordeeld of het om gelijke gevallen gaat, omdat de specifieke feiten en omstandigheden dan wel de motivering van het Uwv in die zaken niet bekend zijn. Standpunt van appellante 3.1. Appellante stelt zich op het standpunt dat ex-werknemer al vóór 1 mei 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat daarom het recht op een WGA-uitkering vanaf die dag eindigt. Primair stelt appellante dat dit, overeenkomstig de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 december 2020, per 18 december 2014 moet zijn en subsidiair per 2 mei 2016. Volgens appellante eindigt de WGA-uitkering op grond van artikel 56, eerste lid, onder a van de Wet WIA op het moment dat geen sprake meer is van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 5 van de Wet WIA, ongeacht de ingangsdatum van de IVA-uitkering. Verstrekking van een WGA-uitkering na de dag waarop de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, is volgens appellante onrechtmatig. Appellant, die geen eigenrisicodrager is voor de WGA-uitkering, heeft als gevolg van de ten onrechte te lang betaalde WGA-uitkering ten onrechte gedifferentieerde WGA-premie betaald. Het Uwv dient daarom in deze procedure een eerdere beëindigingsdatum van de WGA-uitkering vast te stellen. Appellante wijst daarnaast op de uitspraak van de Raad van 14 december 2016. Appellante heeft er in dit verband ook op gewezen dat het Uwv de schade aan een werkgever vergoedt voor het te lang doorlopen van een WGA-uitkering, indien het recht op een WGA-uitkering eindigt als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar de duur van de loongerelateerde WGAuitkering op grond van artikel 56, tweede lid van de Wet WIA nog niet is verstreken. 3.2. Appellante heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd. Zij heeft gewezen op 25 naar haar mening vergelijkbare gevallen. Van die gevallen heeft zij de besluiten en in een aantal gevallen de daaraan ten grondslag liggende medische rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv ingebracht. Daaruit blijkt volgens appellante dat het Uwv in soortgelijke gevallen als het geval van appellante de ingangsdatum van een IVA-uitkering met een verder terugwerkende kracht dan 52 weken heeft bepaald ondanks de door het Uwv gestelde beperkende werking van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Appellante stelt hiermee aannemelijk te hebben gemaakt dat het Uwv gelijke gevallen ongelijk behandelt. Het Uwv heeft volgens haar het tegendeel niet onderbouwd, en ook niet dat sprake is bijzondere gevallen dan wel incidentele gevallen, waarin is afgeweken van de bepaling van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Verder heeft appellante nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2015, waarin ook met verder terugwerkende kracht dan 52 weken een IVA-uitkering is toegekend. Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel betekent volgens appellante dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering van ex-werknemer moet ingaan op één van de in 3.1 genoemde momenten. Standpunt van het Uwv 3.3. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt dat uit artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA voortvloeit dat het recht op een IVAuitkering, behoudens bijzondere gevallen, niet eerder kan ingaan dan uiterlijk 52 weken vóór een aanvraag van de verzekerde dan wel een verzoek om een herbeoordeling door de werkgever. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens het Uwv niet omdat de door appellante genoemde gevallen geen gelijke gevallen zijn. Mogelijk is in die gevallen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Als dat niet het geval is, dan gaat het om incidentele gevallen waarin een onjuist besluit is genomen. Het Uwv is niet gehouden om onjuiste beslissinge Uit de systematiek van de Wet WIA blijkt dus dat sprake is van een systeem waarin het recht op een WGA-uitkering doorloopt tot het moment waarop het Uwv vaststelt dat de WGA-gerechtigde in aanmerking komt voor een IVA-uitkering en het recht op een IVA-uitkering dus aansluit op het recht op een WGA-uitkering. 4.7. De Raad overweegt verder dat de artikelen 56, eerste lid, onderdeel a van de Wet WIA en artikel 48 van de Wet WIA niet los kunnen worden gezien van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Hieruit blijkt dat een IVA-uitkering niet kan ontstaan dan wel later kan ontstaan of herleven over een periode gelegen vóór 52 weken voorafgaand aan de dag van een aanvraag van de verzekerde, een verzoek om herbeoordeling van een werkgever of een ambtshalve herbeoordeling. De vergelijking met een situatie waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 117 van de Wet WIA dan wel artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA gaat niet op, omdat de Raad van oordeel is dat in dit geval het beëindigen van de WGA-uitkering en het ontstaan van een IVA-uitkering voor een verzekerde en de werkgever niet uit elkaar lopen. 4.8. Dit betekent dat het niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn van ex-werknemer als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA geen zelfstandige betekenis heeft maar moet worden bezien in het licht van het later ontstaan van de IVA-uitkering. Het recht op de WGA-uitkering van ex-werknemer eindigt dus niet van rechtswege met ingang van het moment waarop hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Voor het oordeel dat het Uwv de WGA-uitkering van ex-werknemer ten onrechte heeft verstrekt tot de dag dat recht op een IVA-uitkering is ontstaan, is daarom geen grond. 4.9. Wat appellante heeft aangevoerd over het niet (tijdig) verrichten van een herbeoordeling treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen geldt voor het Uwv geen wettelijke verplichting om ambtshalve een herbeoordeling uit te voeren. De Raad ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Voor appellante bestond wel de mogelijkheid om eerder dan met het verzoek van 1 juli 2019 een herbeoordeling aan te vragen. De vraag of appellante hierbij al dan niet over medische informatie heeft kunnen beschikken speelt hierbij geen belemmerende rol. Een verzoek om herbeoordeling kan ook worden ingediend zonder onderbouwende medische informatie. In voorbeelden die appellante heeft aangedragen in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is daarvan ook gebleken. 4.10. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 14 december 2016 , waarin de Raad heeft overwogen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het Uwv ten opzichte van de ex-werkgever als te lang een uitkering op grond van de ZW is verstrekt, gaat niet op. Reeds gelet op wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt dat in deze zaak sprake is van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid jegens haar. Bovendien heeft appellante tegen de besluiten van 22 juli 2014 en 1 juni 2016 geen bezwaar gemaakt en dus moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van die besluiten. Beroep op het gelijkheidsbeginsel 4.11. Het elfde en twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA zijn dwingendrechtelijke bepalingen in een wet in formele zin en laten geen ruimte om daarvan af te wijken. Dat is slechts anders als in een concreet geval toepassing van deze wettelijke bepalingen zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel , dat die toepassing achterwege moet blijven. 4.12. De Raad is van oordeel dat in dit geval sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat toepassing van het elfde en twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA in dit geval achterwege moet blijven. De Raad zal hierna toelichten waarom het gelijkheidsbeginsel in dit geval geschonden is. Gelijke gevallen? 4.13. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel is h Gelet hierop en de hiervoor genoemde uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en omdat ook in de overige besluiten en daaraan ten grondslag liggende rapporten die appellante in deze procedure heeft overgelegd nergens wordt gerept over een bijzonder geval, gaat de Raad ervan uit dat in de door appellante genoemde gevallen is afgeweken van de 52-weken termijn van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, terwijl geen sprake was van een bijzonder geval. 4.18. De Raad concludeert dat 23 door appellante naar voren gebrachte gevallen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel en wat betreft de rechtens relevante aspecten daarvan vergelijkbaar zijn met deze zaak. Verder is in dit verband het volgende van belang. 4.19. Alle door appellante genoemde gevallen zijn afkomstig van één advocatenkantoor, het kantoor van de gemachtigde van appellante. Het is niet waarschijnlijk dat besluiten waarin het Uwv afwijkt van de 52-weken termijn beperkt zijn tot cliënten van het kantoor van de gemachtigde van appellante. Daarnaast zijn de besluiten die appellante heeft ingebracht voorbereid door verschillende kantoren van het Uwv in het hele land gedurende een langere periode (van 2016 tot en met 2024) waarvan vijftien besluiten van 2022 en later. Ook dit vormt een aanwijzing dat in dit verband geen sprake is van consistente besluitvorming. 4.20. Verder heeft appellante terecht gewezen op bladzijde 90 van het “Handboek Wetsuitleg WIA, WAO/WAZ/oWajong en ZW” van het Uwv (Handboek). In het hoofdstuk over het “Bepalen van de ingangsdatum overgang WGA naar IVA” staat over een herbeoordeling die niet plaatsvindt op aanvraag van verzekerde: “ Bij deze herbeoordeling is de ingangsdatum van de IVA-uitkering de datum van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, tenzij het duidelijk is dat de klant op een eerdere datum al volledig arbeidsongeschikt was en zijn beperkingen al duurzaam waren. ” Een verwijzing naar de 52-weken termijn ontbreekt hier. Weliswaar staat elders in het Handboek, onder het kopje “nieuw recht” een verwijzing naar de maximale termijn waarover met terugwerkende kracht een uitkering kan worden vastgesteld, maar in bovengemeld hoofdstuk “Bepalen van de ingangsdatum overgang WGA naar IVA” wordt hier niet naar verwezen. Evenmin is duidelijk hoe de beide passages zich tot elkaar verhouden. Bovendien lijkt het erop dat wat is vermeld in het Handboek onder “nieuw recht” te maken heeft met de invoering van het twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA. Artikel 64, elfde lid van de Wet WIA was al eerder ingevoerd. Desgevraagd heeft het Uwv de Raad laten weten dat er binnen het Uwv geen andere instructies of voorgeschreven werkwijzen zijn over de ingangsdatum van IVA-uitkeringen dan de hiervoor genoemde passages uit het Handboek. Het Uwv heeft ter zitting op 15 november 2023 verklaard dat er is gesignaleerd dat ondanks dat er aandacht voor is het nog regelmatig misgaat, waarschijnlijk vanwege onvoldoende bekendheid met het elfde lid van artikel 64 van de Wet WIA. Ook in deze zaak heeft het Uwv de IVA-uitkering toegekend zonder de beperkende werking van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA toe te passen, echter niet zo ver terug als appellante wenst. 4.21. Appellante heeft met het voorgaande een begin van aannemelijkheid geleverd dat het Uwv het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het ligt dan vervolgens op de weg van het Uwv om dit te ontzenuwen. Louter de stelling van het Uwv dat in de door appellante overgelegde gevallen (mogelijk) sprake is geweest van incidentele fouten is onvoldoende. Evenmin leidt deze stelling ertoe dat het op de weg van appellante ligt om nog meer vergelijkbare gevallen aan te dragen. Het Uwv zal moeten onderbouwen dat de fouten inderdaad slechts incidenteel aan de orde waren. Dit kan het Uwv (onder meer) doen door gevallen aan te dragen of inzicht te geven in cijfers, waaruit blijkt dat bij laattijdige IVAaanvragen er – tegenover de gemaakte fouten – ook voldoende gevallen zijn aan te wijzen waarbij artikel 64 van d Daarbij is van belang dat, zoals vermeld onder 1.4 van deze uitspraak, volgens de arts bezwaar en beroep medisch na de ziekmelding op 18 december 2011 weinig was veranderd en na drie jaar behandelen voldoende duidelijk was dat hier weinig verandering meer zou kunnen worden verwacht. Appellante heeft zich gelet op deze toelichting van de arts bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat ex-werknemer vanaf 18 december 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit standpunt wordt gevolgd en de Raad concludeert dan ook dat ex-werknemer per 18 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering. Overschrijding redelijke termijn 5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 5.1. Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 5.2. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 6 augustus 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en vijf maanden en een week verstreken. De zaak zelf is niet als complex aan te merken en ook de opstelling van appellante geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar, vijf maanden en een week overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-. 5.3. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 16 december 2020 vier maanden en tien dagen geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden en de overschrijding van de redelijke termijn geheel voor rekening voor de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene tot een bedrag van € 1.500,-. Conclusie en gevolgen 6.1. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, behalve voor zover daarbij de kosten van bezwaar zijn vergoed. Onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 9 juli 2020 herroepen en bepalen dat ex-werknemer met ingang van 18 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering. 6.2. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor de aan appellante beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.868,- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.802,- voor de ko