Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-28
ECLI:NL:CRVB:2026:541
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
10,325 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:541 text/xml public 2026-05-13T13:50:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-28 24/2147 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:541 text/html public 2026-05-08T07:32:42 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:541 Centrale Raad van Beroep , 28-04-2026 / 24/2147 PW Toekenning bijstand. Ingangsdatum. Bijzondere omstandigheden. Afgehouden van het doen van een aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich in ieder geval op 25 januari 2022 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De melding is gevolgd door een brief waarin A appellant duidelijk heeft gemaakt dat de melding geen vervolg krijgt en waarin A appellant wijst op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Met de stellige woorden dat de melding niet leidt tot vervolggesprekken, is appellant afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. 24/1427 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2024, 23/730 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 28 april 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstand. Het dagelijks bestuur heeft bijstand toegekend met ingang van 2 maart 2022. Appellant voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand per 1 oktober 2021 toe te kennen. Hij krijgt daarin gelijk, in zoverre dat de Raad bijstand toekent met ingang van 15 december 2021. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Op 24 september 2024 heeft mr. Van de Wege zich teruggetrokken als gemachtigde. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn dochter (X) – als getuige – en zijn echtgenote. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ay. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant had een schoenenzaak in [woonplaats] . De schoenenzaak is wegens een onveilige situatie als gevolg van gebreken aan het pand in oktober 2021 gesloten. Appellant had sinds 1 oktober 2021 geen inkomsten meer uit de schoenenzaak. 1.2. In de periode na 1 oktober 2021 zijn in de systemen van het dagelijks bestuur de volgende meldingen geregistreerd voor aanvragen van appellant voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW), dan wel het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers (IOAW): - 25 januari 2022, melding voor een PW-uitkering; - 30 januari 2022, melding voor een Bbz-uitkering; - 2 maart 2022, melding voor een PW-uitkering; - 4 maart 2022, meldingen voor een IOAW- en een PW-uitkering en - 14 maart 2022, melding voor een PW-uitkering. 1.3. Naar aanleiding van de in 1.2 genoemde meldingen hebben verschillende inkomensconsulenten met appellant en/of X, die namens appellant optrad, meldingsgesprekken gevoerd. 1.3.1. Op 26 januari 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met inkomensconsulent A, waarna A aan appellant met een brief van 26 januari 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. A heeft appellant doorverwezen naar de website van Baanbrekers voor het aanvragen van Bbz-ondersteuning. 1.3.2. Op 2 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met inkomensconsulent B, waarna B aan appellant met een brief van 2 maart 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. De aanvraag Bbz liep nog en B heeft appellant doorverwezen naar de behandelaar van de Bbz-aanvraag. 1.3.3. Op 9 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met A, waarna A appellant met een brief van 9 maart 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering. A heeft appellant doorverwezen naar de behandelaar van de Bbzaanvraag. 1.3.4. In een e-mailbericht van 10 maart 2022 heeft consulent zelfstandigen C aan A het volgende geschreven: “Ik heb zojuist de dochter van [appellant] gesproken, Zij geeft (…) mij nadrukkelijk aan dat het bedrijf wel degelijk is gestopt, dat haar ouders daadwerkelijk niet verder willen c.q. kunnen als zelfstandigen en dat de uitschrijving KvK niet mogelijk is i.v.m. een belastingschuld. Dit laatste klopt: als een BV nog schulden heeft dan kun je deze niet zomaar uitschrijven. Maar dat betekent niet dat het bedrijf c.q. de bedrijfsactiviteiten niet beëindigd is/zijn en dat er geen recht zou kunnen bestaan op Participatiewet!! (...) Als aanvragers verklaren geen bedrijfsactiviteiten te ontplooien dan is een PW-uitkering hier aan de orde. Pragmatisch en snel oplossen a.u.b. Steeds terugsturen naar Bbz-consulent heeft geen enkele zin.” 1.3.5. Op 14 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met A, waarna A aan appellant met een brief van 14 maart 2022 heeft meegedeeld dat deze melding leidt tot vervolgafspraken. In de brief staat onder meer het volgende: “U heeft op 14 maart 2022 opnieuw telefonisch contact opgenomen met Baanbrekers om te melden voor een aanvraag bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het gesprek is gehouden met uw dochter. Er is contact opgenomen met [C]. U heeft aangegeven dat u gestopt bent met de onderneming en dat u niet verder wilt gaan als een zelfstandige. U heeft aangegeven dat u dit ook heeft geprobeerd aan te geven bij de voorgaande meldingsgesprekken voor het aanvragen van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Mogelijk is hierin miscommunicatie geweest.” 1.4. Appellant heeft op 28 maart 2022 een aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering ingediend. Hij heeft daarin aangegeven dat hij na 1 oktober 2021 geen inkomsten meer had uit zijn schoenenwinkel en dat de gewenste ingangsdatum van de uitkering 1 oktober 2021 is. 1.5. Met een besluit van 28 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 december 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur appellant met ingang van 2 maart 2022 bijstand toegekend. De aanvraag is afgewezen voor de periode van 1 oktober 2021 tot 2 maart 2022. Aan die afwijzing heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die reden geven om bijstand per 1 oktober 2021 toe te kennen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026, en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). 4.2.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:541 text/xml public 2026-05-13T13:50:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-28 24/2147 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:541 text/html public 2026-05-08T07:32:42 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:541 Centrale Raad van Beroep , 28-04-2026 / 24/2147 PW Toekenning bijstand. Ingangsdatum. Bijzondere omstandigheden. Afgehouden van het doen van een aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich in ieder geval op 25 januari 2022 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De melding is gevolgd door een brief waarin A appellant duidelijk heeft gemaakt dat de melding geen vervolg krijgt en waarin A appellant wijst op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Met de stellige woorden dat de melding niet leidt tot vervolggesprekken, is appellant afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. 24/1427 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2024, 23/730 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 28 april 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstand. Het dagelijks bestuur heeft bijstand toegekend met ingang van 2 maart 2022. Appellant voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand per 1 oktober 2021 toe te kennen. Hij krijgt daarin gelijk, in zoverre dat de Raad bijstand toekent met ingang van 15 december 2021. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Op 24 september 2024 heeft mr. Van de Wege zich teruggetrokken als gemachtigde. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn dochter (X) – als getuige – en zijn echtgenote. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ay. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant had een schoenenzaak in [woonplaats] . De schoenenzaak is wegens een onveilige situatie als gevolg van gebreken aan het pand in oktober 2021 gesloten. Appellant had sinds 1 oktober 2021 geen inkomsten meer uit de schoenenzaak. 1.2. In de periode na 1 oktober 2021 zijn in de systemen van het dagelijks bestuur de volgende meldingen geregistreerd voor aanvragen van appellant voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW), dan wel het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers (IOAW): - 25 januari 2022, melding voor een PW-uitkering; - 30 januari 2022, melding voor een Bbz-uitkering; - 2 maart 2022, melding voor een PW-uitkering; - 4 maart 2022, meldingen voor een IOAW- en een PW-uitkering en - 14 maart 2022, melding voor een PW-uitkering. 1.3. Naar aanleiding van de in 1.2 genoemde meldingen hebben verschillende inkomensconsulenten met appellant en/of X, die namens appellant optrad, meldingsgesprekken gevoerd. 1.3.1. Op 26 januari 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met inkomensconsulent A, waarna A aan appellant met een brief van 26 januari 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. A heeft appellant doorverwezen naar de website van Baanbrekers voor het aanvragen van Bbz-ondersteuning. 1.3.2. Op 2 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met inkomensconsulent B, waarna B aan appellant met een brief van 2 maart 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. De aanvraag Bbz liep nog en B heeft appellant doorverwezen naar de behandelaar van de Bbz-aanvraag. 1.3.3. Op 9 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met A, waarna A appellant met een brief van 9 maart 2022 heeft meegedeeld dat zijn melding niet leidt tot vervolggesprekken. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering. A heeft appellant doorverwezen naar de behandelaar van de Bbzaanvraag. 1.3.4. In een e-mailbericht van 10 maart 2022 heeft consulent zelfstandigen C aan A het volgende geschreven: “Ik heb zojuist de dochter van [appellant] gesproken, Zij geeft (…) mij nadrukkelijk aan dat het bedrijf wel degelijk is gestopt, dat haar ouders daadwerkelijk niet verder willen c.q. kunnen als zelfstandigen en dat de uitschrijving KvK niet mogelijk is i.v.m. een belastingschuld. Dit laatste klopt: als een BV nog schulden heeft dan kun je deze niet zomaar uitschrijven. Maar dat betekent niet dat het bedrijf c.q. de bedrijfsactiviteiten niet beëindigd is/zijn en dat er geen recht zou kunnen bestaan op Participatiewet!! (...) Als aanvragers verklaren geen bedrijfsactiviteiten te ontplooien dan is een PW-uitkering hier aan de orde. Pragmatisch en snel oplossen a.u.b. Steeds terugsturen naar Bbz-consulent heeft geen enkele zin.” 1.3.5. Op 14 maart 2022 heeft een meldingsgesprek plaatsgevonden met A, waarna A aan appellant met een brief van 14 maart 2022 heeft meegedeeld dat deze melding leidt tot vervolgafspraken. In de brief staat onder meer het volgende: “U heeft op 14 maart 2022 opnieuw telefonisch contact opgenomen met Baanbrekers om te melden voor een aanvraag bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het gesprek is gehouden met uw dochter. Er is contact opgenomen met [C]. U heeft aangegeven dat u gestopt bent met de onderneming en dat u niet verder wilt gaan als een zelfstandige. U heeft aangegeven dat u dit ook heeft geprobeerd aan te geven bij de voorgaande meldingsgesprekken voor het aanvragen van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Mogelijk is hierin miscommunicatie geweest.” 1.4. Appellant heeft op 28 maart 2022 een aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering ingediend. Hij heeft daarin aangegeven dat hij na 1 oktober 2021 geen inkomsten meer had uit zijn schoenenwinkel en dat de gewenste ingangsdatum van de uitkering 1 oktober 2021 is. 1.5. Met een besluit van 28 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 december 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur appellant met ingang van 2 maart 2022 bijstand toegekend. De aanvraag is afgewezen voor de periode van 1 oktober 2021 tot 2 maart 2022. Aan die afwijzing heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die reden geven om bijstand per 1 oktober 2021 toe te kennen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026, en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). 4.2.
Volledig
Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend die tot een beslissing had moeten leiden, of als is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college, hier het dagelijks bestuur, heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Dit is vaste rechtspraak. 4.3. Appellant heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2021 toe te kennen. Hij voert daartoe het volgende aan. 4.3.1. Appellant is sinds de sluiting van zijn schoenenzaak in oktober 2021 werkloos en heeft sindsdien geen inkomsten meer uit zijn onderneming. X heeft vanaf november 2021 meermaals gebeld met het dagelijks bestuur om namens appellant een PW-uitkering aan te vragen. Zij heeft met diverse medewerkers van het dagelijks bestuur gesproken, maar is van het kastje naar de muur gestuurd. X heeft namens appellant in november 2021 twee keer telefonisch contact opgenomen met het dagelijks bestuur om een uitkering aan te vragen. Zij heeft toen gesproken met iemand van de receptie, die tegen haar zei dat appellant zou worden teruggebeld. In december 2021 heeft X opnieuw gebeld voor een uitkering, omdat appellant niets hoorde van het dagelijks bestuur. Zij kreeg toen weer een receptionist te spreken en zou weer worden teruggebeld. Na daarop ongeveer twee weken tevergeefs te hebben gewacht, heeft X opnieuw naar het dagelijks bestuur gebeld. Ditmaal stond zij erop te worden doorverbonden met iemand bij wie zij een uitkering kon aanvragen. X heeft toen C gesproken aan wie zij, namens appellant, uitgebreid heeft verteld dat appellant geen schoenenzaak en geen inkomen meer had en daarom een uitkering wilde krijgen. C heeft haar toen meegedeeld dat appellant, gelet op zijn situatie, niet in aanmerking kwam voor bijstand op grond van het Bbz 2004. Hij heeft de gegevens van appellant doorgegeven aan A. Vervolgens is op 25 januari 2022 een melding gedaan, waarna appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 26 januari 2022 op kantoor met A. X was bij dat gesprek aanwezig en heeft toen de situatie van appellant ook aan A uitgelegd. Na dat gesprek kreeg appellant echter een brief van A, waarin stond dat appellant zich moet melden voor een Bbz-uitkering. Appellant heeft dit ook gedaan, omdat het moest van A en omdat appellant dringend een uitkering nodig had. A is er uiteindelijk pas op 14 maart 2022, na opnieuw een gesprek met X, van doorgedrongen geraakt dat appellant in aanmerking dient te komen voor een PWuitkering. Omdat appellant sinds 1 oktober 2021 geen inkomsten meer heeft en X vanaf oktober 2021 aan het dagelijks bestuur te kennen heeft gegeven dat appellant een uitkering wil omdat hij is gestopt met zijn onderneming, is appellant van mening dat hem op grond van bijzondere omstandigheden een PW-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2021 toekomt. 4.4. De feiten en omstandigheden van deze zaak vormen bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen per 15 december 2021. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.4.1. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 oktober 2021 zijn onderneming feitelijk niet kon voortzetten, hij vanaf die datum geen inkomsten meer had en in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Ook de telefonische contacten met de receptioniste in november en december 2021 zijn niet als zodanige omstandigheden te zien. Dat is alleen al het geval omdat niet blijkt dat en wanneer X met welke redenen telefonisch contact heeft opgenomen met het dagelijks bestuur. Omdat X in de eerste gesprekken met de receptioniste eigenlijk niet verder is gekomen dan een terugbelverzoek, is het bovendien nog maar de vraag of, als al aannemelijk zou zijn dat deze gesprekken zijn gevoerd, een melding tot stand is gekomen die had moeten leiden tot het toekennen van bijstand. 4.4.2. Tussen partijen is ook niet in geschil dat appellant zich in ieder geval op 25 januari 2022 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De melding wordt genoemd in de brief van 26 januari 2022, maar uit de stukken wordt niet duidelijk hoe die melding tot stand is gekomen. De melding is, net als de melding van 2 maart 2022, gevolgd door een brief waarin A appellant duidelijk heeft gemaakt dat de melding geen vervolg krijgt en waarin A appellant wijst op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Appellant is met die brief duidelijk gemaakt dat bijstand op grond van de PW voor het dagelijks bestuur geen begaanbare weg was. Met de stellige woorden dat de melding niet leidt tot vervolggesprekken, is appellant afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. 4.4.3. Het dagelijks bestuur stelt wel dat appellant is doorverwezen, omdat hij te kennen zou hebben gegeven zijn schoenenzaak te willen voortzetten, maar het dagelijks bestuur heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Dat is alleen al het geval omdat niet duidelijk is wat appellant daarover op welke momenten en in welk kader zou hebben verklaard. In de brief van 26 januari 2022 staat weliswaar dat appellant niet is gestopt als zelfstandige, maar dat dit zo is, lijkt vooral een aanname te zijn van A op grond van de omstandigheid dat de onderneming van appellant nog steeds stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Dat A hieraan veel betekenis toekende, valt onder meer af te leiden uit het e-mailbericht dat C op 10 maart 2022 aan A stuurde. Dat appellant zou hebben verklaard niet te willen stoppen met de schoenenzaak vindt verder geen steun in de gedingstukken. Het dagelijks bestuur kan dit ook niet onderbouwen, omdat van geen van de contactmomenten tussen X of appellant en de inkomensconsulenten in de periode van 26 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 verslagen of notities zijn gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Raad bovendien meegedeeld dat ook niet kan worden geverifieerd bij de betrokken medewerkers wat er tijdens de contactmomenten is gezegd, omdat deze medewerkers niet meer bij Baanbrekers in dienst zijn. De onzekerheid over wat appellant zou hebben verklaard over het stopzetten, dan wel het voortzetten van de schoenenzaak laat de Raad, vooral gelet op het feit dat appellant zich op 25 januari 2022 heeft gemeld voor een aanvraag op grond van de PW – en dus niet voor een aanvraag op grond van het Bbz 2004 – en de consistentie van het in 4.3.1 weergegeven verhaal van appellant, voor rekening en risico van het dagelijks bestuur. 4.4.4. Dit betekent dat aannemelijk is dat appellant steeds te kennen heeft gegeven te zijn gestopt met de schoenenzaak en hij in aanmerking wilde komen voor bijstand op grond van de PW. Ook aannemelijk is dat X dit al in december 2021 – in een gesprek met C – duidelijk heeft gemaakt. Daarvan uitgaande moet het ervoor worden gehouden dat C de gegevens van appellant heeft doorgegeven aan A, waarna kennelijk de verder niet geregistreerde melding van 25 januari 2022 tot stand is gekomen. In dat geval valt echter niet in te zien dat en waarom het gesprek met C in december 2021 niet zou kunnen worden gezien als een concrete actie van X namens appellant om ervoor te zorgen dat een aanvraag om bijstand op grond van de PW tot stand zou komen die tot toekenning van bijstand had moeten leiden. De vraag is dan per welke datum deze bijzondere omstandigheden de toekenning van bijstand rechtvaardigen. Niet duidelijk is immers op welke dag in december 2021 het gesprek met C over het aanvragen van een PW-uitkering heeft plaatsgevonden, anders dan dat dit in ieder geval in de tweede helft van december het geval moet zijn geweest, omdat X na het gesprek met de receptioniste in december 2021 twee weken heeft gewacht voordat zij opnieuw heeft gebeld.
Volledig
Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend die tot een beslissing had moeten leiden, of als is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college, hier het dagelijks bestuur, heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Dit is vaste rechtspraak. 4.3. Appellant heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2021 toe te kennen. Hij voert daartoe het volgende aan. 4.3.1. Appellant is sinds de sluiting van zijn schoenenzaak in oktober 2021 werkloos en heeft sindsdien geen inkomsten meer uit zijn onderneming. X heeft vanaf november 2021 meermaals gebeld met het dagelijks bestuur om namens appellant een PW-uitkering aan te vragen. Zij heeft met diverse medewerkers van het dagelijks bestuur gesproken, maar is van het kastje naar de muur gestuurd. X heeft namens appellant in november 2021 twee keer telefonisch contact opgenomen met het dagelijks bestuur om een uitkering aan te vragen. Zij heeft toen gesproken met iemand van de receptie, die tegen haar zei dat appellant zou worden teruggebeld. In december 2021 heeft X opnieuw gebeld voor een uitkering, omdat appellant niets hoorde van het dagelijks bestuur. Zij kreeg toen weer een receptionist te spreken en zou weer worden teruggebeld. Na daarop ongeveer twee weken tevergeefs te hebben gewacht, heeft X opnieuw naar het dagelijks bestuur gebeld. Ditmaal stond zij erop te worden doorverbonden met iemand bij wie zij een uitkering kon aanvragen. X heeft toen C gesproken aan wie zij, namens appellant, uitgebreid heeft verteld dat appellant geen schoenenzaak en geen inkomen meer had en daarom een uitkering wilde krijgen. C heeft haar toen meegedeeld dat appellant, gelet op zijn situatie, niet in aanmerking kwam voor bijstand op grond van het Bbz 2004. Hij heeft de gegevens van appellant doorgegeven aan A. Vervolgens is op 25 januari 2022 een melding gedaan, waarna appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 26 januari 2022 op kantoor met A. X was bij dat gesprek aanwezig en heeft toen de situatie van appellant ook aan A uitgelegd. Na dat gesprek kreeg appellant echter een brief van A, waarin stond dat appellant zich moet melden voor een Bbz-uitkering. Appellant heeft dit ook gedaan, omdat het moest van A en omdat appellant dringend een uitkering nodig had. A is er uiteindelijk pas op 14 maart 2022, na opnieuw een gesprek met X, van doorgedrongen geraakt dat appellant in aanmerking dient te komen voor een PWuitkering. Omdat appellant sinds 1 oktober 2021 geen inkomsten meer heeft en X vanaf oktober 2021 aan het dagelijks bestuur te kennen heeft gegeven dat appellant een uitkering wil omdat hij is gestopt met zijn onderneming, is appellant van mening dat hem op grond van bijzondere omstandigheden een PW-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2021 toekomt. 4.4. De feiten en omstandigheden van deze zaak vormen bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen per 15 december 2021. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.4.1. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 oktober 2021 zijn onderneming feitelijk niet kon voortzetten, hij vanaf die datum geen inkomsten meer had en in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Ook de telefonische contacten met de receptioniste in november en december 2021 zijn niet als zodanige omstandigheden te zien. Dat is alleen al het geval omdat niet blijkt dat en wanneer X met welke redenen telefonisch contact heeft opgenomen met het dagelijks bestuur. Omdat X in de eerste gesprekken met de receptioniste eigenlijk niet verder is gekomen dan een terugbelverzoek, is het bovendien nog maar de vraag of, als al aannemelijk zou zijn dat deze gesprekken zijn gevoerd, een melding tot stand is gekomen die had moeten leiden tot het toekennen van bijstand. 4.4.2. Tussen partijen is ook niet in geschil dat appellant zich in ieder geval op 25 januari 2022 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De melding wordt genoemd in de brief van 26 januari 2022, maar uit de stukken wordt niet duidelijk hoe die melding tot stand is gekomen. De melding is, net als de melding van 2 maart 2022, gevolgd door een brief waarin A appellant duidelijk heeft gemaakt dat de melding geen vervolg krijgt en waarin A appellant wijst op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Appellant is met die brief duidelijk gemaakt dat bijstand op grond van de PW voor het dagelijks bestuur geen begaanbare weg was. Met de stellige woorden dat de melding niet leidt tot vervolggesprekken, is appellant afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. 4.4.3. Het dagelijks bestuur stelt wel dat appellant is doorverwezen, omdat hij te kennen zou hebben gegeven zijn schoenenzaak te willen voortzetten, maar het dagelijks bestuur heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Dat is alleen al het geval omdat niet duidelijk is wat appellant daarover op welke momenten en in welk kader zou hebben verklaard. In de brief van 26 januari 2022 staat weliswaar dat appellant niet is gestopt als zelfstandige, maar dat dit zo is, lijkt vooral een aanname te zijn van A op grond van de omstandigheid dat de onderneming van appellant nog steeds stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Dat A hieraan veel betekenis toekende, valt onder meer af te leiden uit het e-mailbericht dat C op 10 maart 2022 aan A stuurde. Dat appellant zou hebben verklaard niet te willen stoppen met de schoenenzaak vindt verder geen steun in de gedingstukken. Het dagelijks bestuur kan dit ook niet onderbouwen, omdat van geen van de contactmomenten tussen X of appellant en de inkomensconsulenten in de periode van 26 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 verslagen of notities zijn gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Raad bovendien meegedeeld dat ook niet kan worden geverifieerd bij de betrokken medewerkers wat er tijdens de contactmomenten is gezegd, omdat deze medewerkers niet meer bij Baanbrekers in dienst zijn. De onzekerheid over wat appellant zou hebben verklaard over het stopzetten, dan wel het voortzetten van de schoenenzaak laat de Raad, vooral gelet op het feit dat appellant zich op 25 januari 2022 heeft gemeld voor een aanvraag op grond van de PW – en dus niet voor een aanvraag op grond van het Bbz 2004 – en de consistentie van het in 4.3.1 weergegeven verhaal van appellant, voor rekening en risico van het dagelijks bestuur. 4.4.4. Dit betekent dat aannemelijk is dat appellant steeds te kennen heeft gegeven te zijn gestopt met de schoenenzaak en hij in aanmerking wilde komen voor bijstand op grond van de PW. Ook aannemelijk is dat X dit al in december 2021 – in een gesprek met C – duidelijk heeft gemaakt. Daarvan uitgaande moet het ervoor worden gehouden dat C de gegevens van appellant heeft doorgegeven aan A, waarna kennelijk de verder niet geregistreerde melding van 25 januari 2022 tot stand is gekomen. In dat geval valt echter niet in te zien dat en waarom het gesprek met C in december 2021 niet zou kunnen worden gezien als een concrete actie van X namens appellant om ervoor te zorgen dat een aanvraag om bijstand op grond van de PW tot stand zou komen die tot toekenning van bijstand had moeten leiden. De vraag is dan per welke datum deze bijzondere omstandigheden de toekenning van bijstand rechtvaardigen. Niet duidelijk is immers op welke dag in december 2021 het gesprek met C over het aanvragen van een PW-uitkering heeft plaatsgevonden, anders dan dat dit in ieder geval in de tweede helft van december het geval moet zijn geweest, omdat X na het gesprek met de receptioniste in december 2021 twee weken heeft gewacht voordat zij opnieuw heeft gebeld.
Volledig
De Raad zal gelet hierop 15 december 2021 aanmerken als de dag waarop dit gesprek heeft plaatsgevonden en daarmee als de dag waarop appellant zodanige actie in de richting van het dagelijks bestuur heeft ondernomen dat dit er toen al toe had moeten leiden dat appellant een aanvraag om bijstand op grond van de PW kon indienen. 4.5. Uit 4.4.2 tot en met 4.4.4 volgt dat het college ten onrechte geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht om met ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022 bijstand toe te kennen aan appellant. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover daarbij geen bijstand is toegekend ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022. Omdat het dagelijks bestuur ter zitting heeft verklaard dat er verder geen beletselen zijn voor toekenning van de bijstand naar de norm voor gehuwden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 april 2022 in zoverre te herroepen en bepalen dat aan appellant bijstand naar de norm voor gehuwden wordt toegekend over de periode van 15 december 2021 tot 2 maart 2022. Proceskosten van appellant 5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten verbonden aan het meebrengen van een getuige. Ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is appellant aan deze getuige vergoedingen verschuldigd, die ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) ten laste van het dagelijks bestuur kunnen worden gebracht. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde in de Wet tarieven in stafzaken in verbinding met het Besluit tarieven in strafzaken 2003 van € 89,31. Dit betreft een vergoeding wegens tijdverzuim van € 27,24 (4 uur maal € 6,81) en een vergoeding van € 62,07 aan reis- en verblijfkosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2022 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij geen bijstand is toegekend met ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022; herroept het besluit van 28 april 2022 in zoverre; bepaalt dat aan appellant over de periode van 15 december 2021 tot 2 maart 2022 bijstand wordt verleend naar de norm voor gehuwden en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 december 2022; - veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 89,31; - bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026. (getekend) P.W. van Straalen de griffier is verhinderd te ondertekenen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Artikel 44 van de Participatiewet, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026 1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. 2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en: a. indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel 41; b. indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede lid. [...] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP8626. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:385.
Volledig
De Raad zal gelet hierop 15 december 2021 aanmerken als de dag waarop dit gesprek heeft plaatsgevonden en daarmee als de dag waarop appellant zodanige actie in de richting van het dagelijks bestuur heeft ondernomen dat dit er toen al toe had moeten leiden dat appellant een aanvraag om bijstand op grond van de PW kon indienen. 4.5. Uit 4.4.2 tot en met 4.4.4 volgt dat het college ten onrechte geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht om met ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022 bijstand toe te kennen aan appellant. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover daarbij geen bijstand is toegekend ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022. Omdat het dagelijks bestuur ter zitting heeft verklaard dat er verder geen beletselen zijn voor toekenning van de bijstand naar de norm voor gehuwden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 april 2022 in zoverre te herroepen en bepalen dat aan appellant bijstand naar de norm voor gehuwden wordt toegekend over de periode van 15 december 2021 tot 2 maart 2022. Proceskosten van appellant 5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten verbonden aan het meebrengen van een getuige. Ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is appellant aan deze getuige vergoedingen verschuldigd, die ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) ten laste van het dagelijks bestuur kunnen worden gebracht. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde in de Wet tarieven in stafzaken in verbinding met het Besluit tarieven in strafzaken 2003 van € 89,31. Dit betreft een vergoeding wegens tijdverzuim van € 27,24 (4 uur maal € 6,81) en een vergoeding van € 62,07 aan reis- en verblijfkosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2022 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij geen bijstand is toegekend met ingang van een eerdere datum dan 2 maart 2022; herroept het besluit van 28 april 2022 in zoverre; bepaalt dat aan appellant over de periode van 15 december 2021 tot 2 maart 2022 bijstand wordt verleend naar de norm voor gehuwden en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 december 2022; - veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 89,31; - bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026. (getekend) P.W. van Straalen de griffier is verhinderd te ondertekenen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Artikel 44 van de Participatiewet, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026 1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. 2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en: a. indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel 41; b. indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede lid. [...] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP8626. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:385.