Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-14
ECLI:NL:CRVB:2026:54
23/564 WIA, 25/1406 WIA Datum uitspraak: 14 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 januari 2023, 22/301 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 heeft vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 mei 2023 ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 januari 2024. Appellant is verschenen via online videoverbinding, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. ten Brinke. Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft vragen gesteld aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft hierop gereageerd en aanvullende stukken ingediend. De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 24 februari 2025 heeft deskundige GrevelingFockens een rapport uitgebracht. Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv op 28 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft gereageerd op de gewijzigde beslissing op bezwaar. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als projectleider voor gemiddeld 39,77 uur per week. Nadat dit dienstverband was geëindigd, is aan appellant met ingang van 8 september 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 19 juni 2019 heeft hij zich vanuit de WW ziekgemeld met reumatische klachten en jicht. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juni 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 43,69%. 1.2. Bij besluit van 16 juni 2021 heeft het Uwv aan appellant met ingang van dezelfde dag een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. 1.3. Bij besluit van 25 juni 2021 heeft het Uwv beslist dat de loongerelateerde WGA-uitkering per 16 augustus 2021 wordt omgezet in een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.4. Bij besluit van 3 juni 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 juni 2021 en 25 juni 2021 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Met deze rapporten is niet afgeweken van de primaire beoordeling. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden be Verzekeringsarts Greveling-Fockens heeft geen aanleiding gezien voor het aannemen van een urenbeperking. 3.3. Appellant heeft in zijn zienswijze op het rapport van de deskundige aangevoerd dat door fibromyalgie sprake is van meer fysieke beperkingen dan door de deskundige is onderkend. Daarnaast vindt appellant het niet begrijpelijk dat de deskundige hem in staat acht veertig uur per week en acht uur per dag te kunnen werken, nu hij van het Uwv Werkbedrijf te horen heeft gekregen dat hij niet voor veertig uur per week geplaatst kan worden. 3.4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de aanvullende beperkingen van de deskundige volledig overgenomen en een nieuwe FML van 28 maart 2025 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 22 april 2025 geconcludeerd dat verschillende geselecteerde functies in verband met de aangepaste belastbaarheid niet langer geschikt zijn en heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend. 3.5. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar 28 april 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 wordt vastgesteld op 45,72%. Daarnaast heeft het Uwv bepaald dat de WGA-vervolguitkering van appellant per 16 augustus 2021 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 46,16% en appellant daarmee in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% valt. Verder heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed tot een bedrag van € 647,-. Het oordeel van de Raad 4. Nu het Uwv door het nemen van bestreden besluit 2 het bij bestreden besluit 1 ingenomen standpunt niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd evenals het bestreden besluit 1. 4.1. Met bestreden besluit 2 is niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad zal dit besluit daarom, gezien het bepaalde in artikel 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de beoordeling betrekken. Ter beoordeling ligt daarom of het Uwv met bestreden besluit 2 terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 heeft vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%, en daarbij terecht de WGA-vervolguitkering per 16 augustus 2021 baseert op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt. 4.2. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. Medische beoordeling 4.3. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De deskundige heeft appellant gezien op een spreekuur op 6 februari 2025 en heeft daarnaast dossieronderzoek verricht. De informatie van de behandelend sector en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn door de deskundige kenbaar bij het onderzoek betrokken. Er is geen aanleiding het rapport en de hierin getrokken conclusies van de deskundige niet te volgen. Wat appellant hiertegenover heeft gesteld geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. De deskundige heeft overtuigend onderbouwd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en dat op de data in geding (nog) geen sprake is van een depressieve stoornis. Wel is volgens de deskundige op de data in geding sprake va