Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-29
ECLI:NL:CRVB:2026:504
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,063 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:504 text/xml public 2026-05-04T16:45:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-29 21/3916 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:504 text/html public 2026-05-04T16:44:40 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:504 Centrale Raad van Beroep , 29-04-2026 / 21/3916 ZW Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing op bezwaar. Vordering vergoeding kosten deskundige deels gehonoreerd. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 21/3916 ZW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2021, 19/2146 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [ex-werkgever B.V.] . (ex-werkgever) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 29 april 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en stukken ingestuurd. De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen. Appellante heeft een expertiserapport van psychiater J.L.M. Schoutrop van 29 september 2023 ingestuurd. De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 3 september 2025 gerapporteerd. Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het rapport. Het Uwv heeft op 14 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Daarnaast heeft appellante de Raad verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig acht en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna meegedeeld geen zitting te wensen. OVERWEGINGEN 1.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. 1.2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Proceskosten 2.1. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, reiskosten in verband met de mondelinge behandeling bij de rechtbank en de reiskosten van het bezoek aan de deskundige psychiater Hernandez-Dwarkasing en de kosten van de door psychiater Schoutrop verrichte expertise (waaronder kosten tolk). Rechtsbijstand en reiskosten zitting rechtbank. 2.2. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, een 0,5 punt voor een zienswijze en tweemaal een 0,5 punt voor het indienen van een reactie, met een waarde per punt van € 934,-). In beroep heeft appellante de zitting bij de rechtbank niet bijgewoond. De gevraagde vergoeding van kosten in verband met de daarmee gemaakte reiskosten worden dan ook niet vergoed. Vergoeding expertise Schoutrop 2.3. Appellante heeft in hoger beroep een rapport ingestuurd van psychiater Schoutrop van 29 september 2023. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat niet alle gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. 2.4. Voor werkzaamheden van psychiater Schoutrop voor het rapport van 29 september 2023, is verzocht om een vergoeding van € 3.611,85. Daarnaast is gevraagd om vergoeding van € 604,37 voor de kosten van de tolk die tijdens het onderzoek van appellante voor Schoutrop heeft vertaald. 2.5. De Raad is van oordeel dat de vordering voor kosten van de deskundige slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde vergoeding voor de secretariële werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad berekent de vergoeding voor de werkzaamheden van Schoutrop op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken (tarief 2023) op € 2.159,09, zijnde 12.5 keer € 142,75 per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting. 2.6. De kosten van de tolk komen slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Die kosten worden berekend op grond van artikel 2, eerste lid, onder c van het Bpb (tarief 2023). Dat betekent dat wordt vergoed de tolktijd, zijnde 2.5 uur, op basis van € 49,- per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting, zijnde € 148,23, vermeerderd met 40 keer € 1,- per gereisde kilometer. In totaal is dat € 188,23. Vergoeding reiskosten naar deskundige Hernandez 2.7. De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundige worden door de Raad vergoed. Griffierecht 2.8. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 3.1. Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen. 3.2. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 3.3. Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. 3.4. In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 14 oktober 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 13 december 2018 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zes jaar en ruim tien maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.000,-. 3.5. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 3.000,-. 3.6.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:504 text/xml public 2026-05-04T16:45:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-29 21/3916 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:504 text/html public 2026-05-04T16:44:40 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:504 Centrale Raad van Beroep , 29-04-2026 / 21/3916 ZW Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing op bezwaar. Vordering vergoeding kosten deskundige deels gehonoreerd. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 21/3916 ZW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2021, 19/2146 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [ex-werkgever B.V.] . (ex-werkgever) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 29 april 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en stukken ingestuurd. De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen. Appellante heeft een expertiserapport van psychiater J.L.M. Schoutrop van 29 september 2023 ingestuurd. De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 3 september 2025 gerapporteerd. Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het rapport. Het Uwv heeft op 14 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Daarnaast heeft appellante de Raad verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig acht en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna meegedeeld geen zitting te wensen. OVERWEGINGEN 1.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. 1.2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Proceskosten 2.1. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, reiskosten in verband met de mondelinge behandeling bij de rechtbank en de reiskosten van het bezoek aan de deskundige psychiater Hernandez-Dwarkasing en de kosten van de door psychiater Schoutrop verrichte expertise (waaronder kosten tolk). Rechtsbijstand en reiskosten zitting rechtbank. 2.2. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, een 0,5 punt voor een zienswijze en tweemaal een 0,5 punt voor het indienen van een reactie, met een waarde per punt van € 934,-). In beroep heeft appellante de zitting bij de rechtbank niet bijgewoond. De gevraagde vergoeding van kosten in verband met de daarmee gemaakte reiskosten worden dan ook niet vergoed. Vergoeding expertise Schoutrop 2.3. Appellante heeft in hoger beroep een rapport ingestuurd van psychiater Schoutrop van 29 september 2023. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat niet alle gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. 2.4. Voor werkzaamheden van psychiater Schoutrop voor het rapport van 29 september 2023, is verzocht om een vergoeding van € 3.611,85. Daarnaast is gevraagd om vergoeding van € 604,37 voor de kosten van de tolk die tijdens het onderzoek van appellante voor Schoutrop heeft vertaald. 2.5. De Raad is van oordeel dat de vordering voor kosten van de deskundige slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde vergoeding voor de secretariële werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad berekent de vergoeding voor de werkzaamheden van Schoutrop op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken (tarief 2023) op € 2.159,09, zijnde 12.5 keer € 142,75 per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting. 2.6. De kosten van de tolk komen slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Die kosten worden berekend op grond van artikel 2, eerste lid, onder c van het Bpb (tarief 2023). Dat betekent dat wordt vergoed de tolktijd, zijnde 2.5 uur, op basis van € 49,- per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting, zijnde € 148,23, vermeerderd met 40 keer € 1,- per gereisde kilometer. In totaal is dat € 188,23. Vergoeding reiskosten naar deskundige Hernandez 2.7. De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundige worden door de Raad vergoed. Griffierecht 2.8. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 3.1. Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen. 3.2. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 3.3. Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. 3.4. In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 14 oktober 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 13 december 2018 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zes jaar en ruim tien maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.000,-. 3.5. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 3.000,-. 3.6.