Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-15
ECLI:NL:CRVB:2026:467
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:467 text/xml public 2026-04-29T08:10:16 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 25/209 WW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:467 text/html public 2026-04-28T16:06:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:467 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 25/209 WW Weigering betaling WW-uitkering. Te late aanvraag om WW-uitkering (bijna 8 jaar). Niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene onjuist is geïnformeerd dan wel van verkeerde informatie is uitgegaan waardoor hij niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen (laten) indienen. Geen sprake van een bijzonder geval om af te wijken van een dwingendrechtelijke bepaling. Het hoger beroep slaagt niet. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/209 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 december 2024, 24/3243 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven (appellanten) van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) (ex-werkgeefster van betrokkene) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018 niet tot betaling komt, omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Volgens appellanten is sprake van een bijzonder geval, op grond waarvan de WW-uitkering moet worden betaald. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen en daarom terecht heeft geweigerd de WW-uitkering van betrokkene te betalen. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De staatssecretaris heeft vragen van de Raad beantwoord en twee brieven ingebracht. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Namens appellanten is verschenen [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.M. Konings en drs. J. Leijders. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Betrokkene is op 15 januari 1979 in dienst gekomen bij het ministerie van Defensie. Aan betrokkene is met ingang van 1 augustus 2015 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid. Op [datum] 2019 is betrokkene overleden. 1.2. Bij besluit van 27 november 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) vastgesteld dat betrokkene recht heeft op een WW-uitkering van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018. De uitkering wordt echter niet betaald omdat deze periode voor 26 weken voorafgaand aan de datum van de WW-aanvraag van 31 juli 2023 ligt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 35 van de WW de uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering wordt ingediend. De WW-uitkering is op 31 juli 2023 aangevraagd voor de periode vanaf het ontslag van betrokkene in 2015. Deze periode ligt te ver in het verleden. Daarnaast is volgens het Uwv geen sprake van een bijzonder geval. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een bijzonder geval. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene onjuist is geïnformeerd dan wel van verkeerde informatie is uitgegaan waardoor hij niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen (laten) indienen. Evenmin is gebleken dat betrokkene (vanwege medische redenen) niet in staat zou zijn geweest om tijdig een WW-uitkering aan te (laten) vragen. Betrokkene is destijds gedurende een anderhalf jaar durend traject begeleid naar ander werk. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat hij in deze periode over zijn rechtspositie is geïnformeerd. Door de rechtbank is verder aangenomen dat betrokkene heeft geweten in welk kader hij werd ontslagen. Het standpunt van appellanten 3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellanten hebben tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval en het Uwv op grond hiervan de WW-uitkering vanaf 1 augustus 2015 had moeten uitbetalen. Volgens appellanten is onvoldoende geluisterd naar de redenen waarom niet tijdig een WW-uitkering is aangevraagd. Ten tijde van het ontslag van betrokkene was een veiligheidsonderzoek gaande. Daarom dacht betrokkene dat hij in dat kader was ontslagen en geen recht had op WW. Verder is gewezen op sociale problemen van betrokkene zoals dakloosheid, het leiden van een zwervend bestaan en belastende schulden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5.1. Op grond van artikel 35 van de WW wordt de uitkering op grond van de WW niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin. 5.2. Vaststaat dat de WW-aanvraag bijna acht jaar na de periode waarover recht bestaat op een WW-uitkering is ingediend. Tussen partijen is daarom uitsluitend in geschil de vraag of sprake is van een bijzonder geval. 5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling in de eerste volzin van artikel 35 van de WW. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan de voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. Op appellanten rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. 5.4.1. Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellanten in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe. 5.4.2. Appellanten hebben ter zitting gesteld dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij oneervol was ontslagen en daarom geen recht had op een WW-uitkering. Volgens appellanten is betrokkene tijdens zijn verlof opgebeld dat hij thuis kon blijven en niet meer naar het werk hoefde te komen. Brieven van zijn ex-werkgeefster hierover hebben hem destijds niet bereikt. 5.4.3. Appellanten hebben deze stellingen niet onderbouwd. Ook de gedingstukken bevatten hiervoor geen aanknopingspunten. In hoger beroep heeft de staatssecretaris desgevraagd informatie verstrekt over het ontslag van betrokkene en heeft hierbij een tweetal brieven overgelegd. Bij brief van 23 december 2013 heeft de ex-werkgeefster betrokkene per 4 januari 2014 aangewezen als herplaatsingskandidaat wegens het vervallen van zijn functie. In deze brief staat dat betrokkene hier reeds in een persoonlijk gesprek over is geïnformeerd. Ook wordt vermeld dat indien blijkt dat er na het volledige herplaatsingstraject geen passende functie (intern of extern Defensie) kan worden gevonden, aan betrokkene ontslag wordt verleend in verband met overtolligheid met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zijn herplaatsingstermijn is verstreken, zijnde 1 augustus 2015.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:467 text/xml public 2026-04-29T08:10:16 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 25/209 WW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:467 text/html public 2026-04-28T16:06:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:467 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 25/209 WW Weigering betaling WW-uitkering. Te late aanvraag om WW-uitkering (bijna 8 jaar). Niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene onjuist is geïnformeerd dan wel van verkeerde informatie is uitgegaan waardoor hij niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen (laten) indienen. Geen sprake van een bijzonder geval om af te wijken van een dwingendrechtelijke bepaling. Het hoger beroep slaagt niet. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/209 WW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 december 2024, 24/3243 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven (appellanten) van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) (ex-werkgeefster van betrokkene) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018 niet tot betaling komt, omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Volgens appellanten is sprake van een bijzonder geval, op grond waarvan de WW-uitkering moet worden betaald. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen en daarom terecht heeft geweigerd de WW-uitkering van betrokkene te betalen. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De staatssecretaris heeft vragen van de Raad beantwoord en twee brieven ingebracht. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Namens appellanten is verschenen [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.M. Konings en drs. J. Leijders. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Betrokkene is op 15 januari 1979 in dienst gekomen bij het ministerie van Defensie. Aan betrokkene is met ingang van 1 augustus 2015 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid. Op [datum] 2019 is betrokkene overleden. 1.2. Bij besluit van 27 november 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) vastgesteld dat betrokkene recht heeft op een WW-uitkering van 1 augustus 2015 tot en met 31 augustus 2018. De uitkering wordt echter niet betaald omdat deze periode voor 26 weken voorafgaand aan de datum van de WW-aanvraag van 31 juli 2023 ligt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 35 van de WW de uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering wordt ingediend. De WW-uitkering is op 31 juli 2023 aangevraagd voor de periode vanaf het ontslag van betrokkene in 2015. Deze periode ligt te ver in het verleden. Daarnaast is volgens het Uwv geen sprake van een bijzonder geval. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een bijzonder geval. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene onjuist is geïnformeerd dan wel van verkeerde informatie is uitgegaan waardoor hij niet eerder een WW-aanvraag heeft kunnen (laten) indienen. Evenmin is gebleken dat betrokkene (vanwege medische redenen) niet in staat zou zijn geweest om tijdig een WW-uitkering aan te (laten) vragen. Betrokkene is destijds gedurende een anderhalf jaar durend traject begeleid naar ander werk. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat hij in deze periode over zijn rechtspositie is geïnformeerd. Door de rechtbank is verder aangenomen dat betrokkene heeft geweten in welk kader hij werd ontslagen. Het standpunt van appellanten 3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellanten hebben tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval en het Uwv op grond hiervan de WW-uitkering vanaf 1 augustus 2015 had moeten uitbetalen. Volgens appellanten is onvoldoende geluisterd naar de redenen waarom niet tijdig een WW-uitkering is aangevraagd. Ten tijde van het ontslag van betrokkene was een veiligheidsonderzoek gaande. Daarom dacht betrokkene dat hij in dat kader was ontslagen en geen recht had op WW. Verder is gewezen op sociale problemen van betrokkene zoals dakloosheid, het leiden van een zwervend bestaan en belastende schulden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5.1. Op grond van artikel 35 van de WW wordt de uitkering op grond van de WW niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin. 5.2. Vaststaat dat de WW-aanvraag bijna acht jaar na de periode waarover recht bestaat op een WW-uitkering is ingediend. Tussen partijen is daarom uitsluitend in geschil de vraag of sprake is van een bijzonder geval. 5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling in de eerste volzin van artikel 35 van de WW. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan de voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. Op appellanten rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. 5.4.1. Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellanten in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe. 5.4.2. Appellanten hebben ter zitting gesteld dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij oneervol was ontslagen en daarom geen recht had op een WW-uitkering. Volgens appellanten is betrokkene tijdens zijn verlof opgebeld dat hij thuis kon blijven en niet meer naar het werk hoefde te komen. Brieven van zijn ex-werkgeefster hierover hebben hem destijds niet bereikt. 5.4.3. Appellanten hebben deze stellingen niet onderbouwd. Ook de gedingstukken bevatten hiervoor geen aanknopingspunten. In hoger beroep heeft de staatssecretaris desgevraagd informatie verstrekt over het ontslag van betrokkene en heeft hierbij een tweetal brieven overgelegd. Bij brief van 23 december 2013 heeft de ex-werkgeefster betrokkene per 4 januari 2014 aangewezen als herplaatsingskandidaat wegens het vervallen van zijn functie. In deze brief staat dat betrokkene hier reeds in een persoonlijk gesprek over is geïnformeerd. Ook wordt vermeld dat indien blijkt dat er na het volledige herplaatsingstraject geen passende functie (intern of extern Defensie) kan worden gevonden, aan betrokkene ontslag wordt verleend in verband met overtolligheid met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zijn herplaatsingstermijn is verstreken, zijnde 1 augustus 2015.