Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-04-09
ECLI:NL:CRVB:2026:456
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/3028 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 september 2023, 21/5855 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (Staat) Datum uitspraak: 9 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer per 9 april 2021 heeft vastgesteld op 70,62%. Volgens appellante heeft werknemer meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan werknemer niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september 2024. Voor appellante zijn medisch adviseur D.C.M. Meijer en mr. Van Zijl verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht te reageren op een vraagstelling van de Raad. Het Uwv heeft een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht. Appellante heeft daarop gereageerd. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. De werknemer van appellante heeft voor het laatst gewerkt als APK keurmeester voor 34 uur per week. Op 11 april 2017 heeft hij zich ziekgemeld na een bedrijfsongeval. Nadat werknemer een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat werknemer bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 februari 2019. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werknemer niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor werknemer functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 45,26%. Het Uwv heeft bij besluit van 29 maart 2019 aan werknemer met ingang van 9 april 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. 1.2. Bij besluit van 21 januari 2021 heeft het Uwv aan werknemer medegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering de maximumduur bereikt en dat hij per 9 april 2021 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45,26%. 1.3. Bij besluit van 12 november 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geselecteerde functies laten vervallen omdat deze de belastbaarheid van werknemer overschrijden, heeft nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer alsnog vastgesteld op 70,62%. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit on De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2021, 23 maart 2023 en 29 augustus 2024 deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 19 juli 2021 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van werknemer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat door de ADHD tot aan het ongeval geen sprake was van pathologisch disfunctioneren. Hij heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn voor pre-existente beperkingen door ziekte die niet binnen de na het ongeval gestelde beperkingen vallen. 5.2. Wat appellante in hoger beroep onder verwijzing naar de reeds bij de rechtbank ingebrachte informatie van medisch adviseur Meijer heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank. Het Uwv heeft met de in 4.3 genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend toegelicht dat geen psychiatrische diagnose aanwezig is en dat de werknemer door therapie beter heeft leren omgaan met zijn tinnitusklachten. Omdat de door adviseur Meijer genoemde beperkingen niet uit ziekte verklaarbaar zijn, bestaat er geen grond voor aanvullende beperkingen in de rubrieken I en II van de FML. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben werknemer daarnaast ook beperkt geacht voor omgevingen met (continue) harde geluiden. Verder hebben zij aan de hand van de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid overtuigend gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor een verdergaande urenbeperking. Er zijn geen aanwijzingen uit ziekte of anamnese voor een duurbelastbaarheid van slechts twee uur per dag. Dat het werknemer niet lukt om vier uur per dag werkzaam te zijn als monteur maakt dit niet anders, nu dit geen passende arbeid betreft. Arbeidskundige beoordeling 5.3. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2021 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht passend zijn voor werknemer. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van werknemer in de rapporten van 18 augustus 2021, 11 november 2021, de in beroep ingebrachte rapporten en het rapport van 4 november 2024 toegelicht. Daarbij is overtuigend gemotiveerd dat in de geselecteerde functies geen harde geluiden aan de orde zijn. 5.4. Over de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gesteld dat het geluid van de stofzuiger bij een werkplekonderzoek door de arbeidskundig analist niet nadrukkelijk aanwezig was, maar – mocht zo een te hoge geluidsbelasting bij het stofzuigen aan de orde zijn – de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische bezwaren aanwezig acht voor het dragen van een noise cancelling hoofdtelefoon. De aanschaf van een ‘stille’ stofzuiger kan in zo’n geval eventueel ook in redelijkheid van een werkgever worden verwacht, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De Raad is van oordeel dat hiermee door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is onderbouwd dat de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) ook qua geluidsbelasting geschikt is voor de werknemer. De Raad acht daarbij van belang dat de werknemer in de FML beperkt is geacht voor een werkomgeving met continue harde geluiden. In de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) wordt geluidsbelasting niet als kenmerkende belasting genoemd. Daarnaast vindt stofzuigen in de betreffende functie niet continu, maar slechts gedurende 20% van de werktijd plaats. Tegen de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoemde mogelijkheid van een noise cancelling hoofdtelefoon heeft appellante weliswaar gesteld, dat een dergelijke k