Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-15
ECLI:NL:CRVB:2026:43
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2023, 22/4681 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te Turkije (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 15 januari 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de terugvordering van teveel betaald AOW-pensioen en een opgelegde boete. Volgens de Svb en de rechtbank heeft appellant alleen tegen de boete bezwaar gemaakt. De Raad is het hiermee niet eens en oordeelt dat het bezwaar van appellant ook gericht was tegen de terugvordering. In zoverre krijgt appellant gelijk. Appellant krijgt geen gelijk wat betreft zijn gronden tegen de hoogte van de terugvordering en de boete. Volgens de Raad zijn er geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering en is de boete niet onevenredig. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van appellant heeft schriftelijke vragen van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Voor appellant is mr. Gans verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met een besluit van 4 juli 2019 is aan appellant vanaf 17 september 2019 een AOW -pensioen toegekend naar de norm van een ongehuwde. Op 21 september 2021 heeft appellant aan de Svb doorgegeven dat hij per [datum] 2020 is gaan samenwonen met zijn partner. De Svb heeft appellant op 29 september 2021 verzocht om meer informatie over zijn woonsituatie en een formulier “Onderzoek gezamenlijk huishouden” toegestuurd. Met een besluit van 24 november 2021 heeft de Svb het AOW-pensioen vanaf december 2021 geschorst omdat appellant niet op de verzoeken om informatie heeft gereageerd. Op 24 januari 2022 heeft appellant telefonisch contact met de Svb opgenomen en daarbij over zijn leefsituatie gemeld dat hij in augustus 2020 is gehuwd en dat zijn partner in Turkije woont. Eind januari 2022 zal hij definitief naar Turkije vertrekken. 1.2. Met een besluit van 16 maart 2022 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant vanaf september 2020 herzien naar een gehuwdenpensioen omdat hij sinds [datum] 2020 is getrouwd. Er is een specificatie bijgevoegd van wat teveel is betaald aan AOWpensioen over de periode vanaf september 2020 tot en met november 2021. Ook is meegedeeld dat een boete kan worden opgelegd en dat appellant daarop kan reageren. Tegen het besluit van 16 maart 2022 heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 1.3. Met een brief van 16 maart 2022 heeft de Svb aangekondigd van plan te zijn het teveel ontvangen bedrag aan AOW-pensioen terug te vragen en een boete op te leggen. 1.4. Met een besluit van 2 mei 2022 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat een boete wordt opgelegd van € 1.172,20 omdat hij de wijziging in zijn leefsituatie (lees: zijn huwelijk) niet op tijd aan de Svb heeft doorgegeven. Ook is onder het kopje “Betalingsregeling” vermeld dat hij naast de boete ook het teveel betaalde AOW-pensioen van € 5.396,97 moet betalen, zodat hij in totaal € 6.569,17 aan de Svb verschuldigd is. Dit bedrag moet hij voor 1 juli 2022 aan de Svb betalen. Zo nodig kan een betalingsregeling worden afgesproken. 1.5. Op 7 juni 2022 heeft de Svb een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 2 mei 2022 ontvangen. In dat bezwaarschrift heeft appellant aangegeven dat hij niet wist hoe hij de Svb op tijd moest informeren en dat zijn intentie goed was. Verder heeft hij naar voren gebracht dat gezien zijn financiële situatie de opgelegde boete te hoog is om te betalen. 1.6. Met een besluit van 18 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de opgelegde boete ongegrond verklaard. Volgens de Svb is de boete terecht opgelegd omdat hij zijn huw De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid. 4.6. Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de Svb toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 heeft de Svb de vaste gedragslijn gehanteerd dat de “dringende reden”- toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening. In een uitspraak van 21 november 2024 heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met bovenstaande in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 is beoogd. 4.7. Als de Svb een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Svb ziet geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb onder andere belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt. 4.8. De vaste gedragslijn bij de terugvordering is sinds 3 december 2025 als beleidsregel opgenomen in SB1429: “De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering. Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit (ECLI:NL:CRVB:2024:726, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192).” 4.9. De Svb heeft naar het oordeel van de Raad bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle aangevoerde relevante feiten en omstandigheden meegewogen. De Svb heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dit betekent dat de terugvordering van het ten onrechte betaalde AOW-pensioen in stand blijft. Daartoe overweegt de Raad als volgt. 4.9.1. Appellant heeft betoogd dat het ontstaan van de terugvordering in overwegende mate te wijten is aan de Svb en dat de Svb zijn eigen aandeel in de ontstane terugvordering niet in de belangenafweging heeft betrokken. Volgens appellant heeft hij de Svb wel tijdig geïnformeerd over zijn huwelijk. Hij hee De rechtbank heeft overwogen dat de Svb bij de vaststelling van de boete terecht is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid, omdat appellant uiteindelijk zelf melding heeft gemaakt van zijn huwelijk. De boete is daardoor verlaagd naar 25% van het benadelingsbedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze boete evenredig is. De Raad sluit zich bij de motivering van dit oordeel aan. Anders dan door appellant in hoger beroep is bepleit, zijn er volgens de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake zou zijn van een sterk verminderde verwijtbaarheid waardoor volgens het beleid SB1108 van de Svb de boete zou moeten worden verlaagd naar 10% van het benadelingsbedrag. 4.11. Bij de op te leggen boete moet de Svb ook rekening houden met de draagkracht van de betrokkene. Bij de vaststelling van de draagkracht hanteert de Svb termijnen die zijn gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid (beleidsregel SB1243). Bij verminderde verwijtbaarheid is dat zes maanden. De Svb verlaagt de boete als appellant deze niet binnen zes maanden kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen aan te spreken. Appellant is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om inzicht te geven in zijn financiële situatie, maar heeft dat tot op heden niet gedaan. De enkele mededeling dat zijn inkomen slechts bestaat uit zijn AOW-pensioen is daarvoor niet genoeg. Ter zitting heeft de Svb te kennen gegeven dat als appellant alsnog inzicht geeft in zijn financiële omstandigheden de Svb zal beoordelen of er aanleiding is de boete te matigen. Ook kan er dan bij de invordering rekening worden gehouden met deze gegevens. Conclusie en gevolgen 4.12. Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat in het bestreden besluit terecht niet is beslist over de terugvordering. Het hoger beroep slaagt niet voor zover het betrekking heeft op de terugvordering en de boete. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard voor zover de Svb niet op het bezwaar tegen de terugvordering heeft beslist en het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard ten aanzien van de boete. Het bezwaar tegen de terugvordering wordt alsnog ongegrond verklaard. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De terugvordering en de boete blijven dus in stand. 5. Omdat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, is er aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten worden begroot € 1.868,- voor rechtsbijstand in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting) en € 2.335,- voor rechtsbijstand in hoger beroep (één punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal worden de kosten voor verleende rechtsbijstand daarmee op € 4.203,-vastgesteld. De Svb moet ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2022 gegrond voor zover de Svb niet op het bezwaar tegen de terugvordering heeft beslist en vernietigt dat besluit in zoverre; verklaart het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 18 augustus 2022; verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2022 ongegrond ten aanzien van de boete; veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-; bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en L.M. T Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 49 van deze wet of 35 van de Algemene nabestaandenwet als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen, nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend. 7. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 8. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 9. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. 10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 11. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen. 12. Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 25, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 13. Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het twaalfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan. Artikel 24 (terugvordering) 1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. (…)5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn. Artikel 49 (inlichtingenplicht) De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Regeling uitzondering inlichtingenplicht Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b De inlichtingenplicht, bedoeld in art In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. Evenredigheidstoets Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan: - de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en - de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt. Beleidsregel SB1429 (dringende reden bij terugvordering) De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als sprake is van dringende redenen. De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 ). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407 ) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering. Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 , ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192 ). Beleidsregel SB1108 (mate van verwijtbaarheid) Op grond van artikel 5:46, tweede lid Awb moet de SVB de hoogte van de boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid. De op te leggen boete is hoger naarmate de schending van de mededelingsverplichting de belanghebbende meer kan worden aangerekend. Artikel 2, tweede tot en met vijfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten onderscheidt de volgende categorieën: opzet, grove schuld, verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld en verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast neemt de SVB aan dat ook sprake kan zijn van een situatie waarin een belanghebbende sterk verminderd verwijtbaar is. Het beleid over deze vijf categorieën staat in SB1244 over de mate van verwijtbaarheid. De SVB legt in beginsel een boete op van 50% van het benadelingsbedrag. In de volgende gevallen hanteert de SVB een ander percentage van het benadelingsbedrag: 100% in geval van opzet; 75% in geval van grove schuld; 25% in geval van verminderde verwijtbaarheid; 10% in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid. In geval van recidive vermenigvuldigt de SVB het benadelingsbedrag eerst met 150% en daarna met de hiervoor genoemde percentages. Behalve voor sterk verminderde verwijtbaarheid volgt dit uit artikel 2, zesde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten. In het geval van sterk verminderde verwijtbaarheid past de SVB dit artikellid naar analogie toe. Artikel 2, zevende lid Boetebesluit socialezekerheidswetten bevat een formule voor het berekenen van de maximale boete in geval van verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. De SVB past deze formule naar analogie toe op gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid. Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan ziet de SVB op grond van artikel 5:41 Awb af van het opleggen van een boete of het geven van een schriftelijke waarschuwing. Beleidsregel SB1243 (Vaststellen boete naar draagkracht) Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen boete dient de SVB rekening te houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5:46, tweede lid van de Awb blijkt dat de draagkracht van de overtreder daarbij een rol kan spelen. De SVB onderzoekt de draagkracht van de belanghebbende indien hij aangeeft dat hij de voorgenomen boete niet kan betalen. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 h