Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-15
ECLI:NL:CRVB:2026:42
24/2416 WSW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024, 23/5036 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 15 januari 2026 SAMENVATTING In geschil is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant, die een herindicatie voor de Wsw heeft gekregen, niet kan opkomen tegen de indeling in een arbeidshandicapcategorie. De Raad is van oordeel dat dit oordeel van de rechtbank juist is. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouwerkerk-Hoogendonk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met een besluit van 12 juli 2018 heeft het Uwv besloten dat appellant tot de doelgroep van de Wsw behoort. Appellant heeft een Wsw-indicatie gekregen met een geldigheidsduur van vijf jaar en de einddatum is daarbij vastgesteld op 12 juli 2023. De arbeidshandicap van appellant is ingedeeld in de categorie ernstig. 1.2. Appellant is in dienst van [naam Wsw-werkbedrijf] . Dit is een Gemeenschappelijke Regeling, een publiekrechtelijk samenwerkingsverband van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Capelle aan den IJssel, Gouda , Krimpen aan den IJssel, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas. Appellant is bij [naam Wsw-werkbedrijf] werkzaam als [naam functie] . 1.3. Appellant heeft op 6 mei 2022 een aanvraag herindicatie Wsw ingediend bij het Uwv omdat hij het niet eens is met de indeling van zijn arbeidshandicap in de categorie ernstig. Hij is van mening dat hij ingedeeld dient te worden in de categorie matig. 1.4. Met een besluit van 30 november 2022 heeft het Uwv bepaald dat appellant een Wsw-indicatie krijgt, met een geldigheidsduur van zeventien jaar, dus met de einddatum 30 november 2039. De arbeidshandicap van appellant is daarbij opnieuw ingedeeld in de categorie ernstig. Tevens is hierbij het advies gegeven dat appellant niet in aanmerking komt voor begeleid werken. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.5. Met een besluit van 31 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen procesbelang heeft. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft tegen de toekenning van de Wsw-indicatie. Hij heeft alleen bezwaar gemaakt tegen het onderdeel "de categorie van uw arbeidshandicap". De categorieindeling van de arbeidshandicap heeft volgens het Uwv geen directe gevolgen voor appellant; die indeling is alleen van belang voor de hoogte van de subsidie voor de Sociale Werkvoorziening. Omdat geen sprake is van gevolgen voor appellant heeft hij volgens het Uwv geen direct belang bij de categorie-indeling. 1.6. Op 28 maart 2023 heeft appellant opnieuw een aanvraag herindicatie Wsw ingediend bij het Uwv. Met een besluit van 20 april 2023 heeft het Uwv besloten dat appellant een Wsw-indicatie krijgt met een geldigheidsduur van zestien jaar , dus tot einddatum 2 mei 2039 . De arbeidshandicap van appellant is daarbij ingedeeld in de categorie ernstig. Bij besluit van 31 mei 2023 is het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 31 mei 2013 heeft appellant geen beroep ingesteld. Dat besluit staat in rechte vast en daarmee ook de categorie-indeling vanaf dat moment. Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet een