Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-04-02
ECLI:NL:CRVB:2026:412
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 23/2964 WLZ, 24/985 WLZ Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 september 2023, 21/1327 (aangevallen uitspraak) Partijen: Salland Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor) [betrokkene 1] te [plaats 1] (betrokkene 1) [betrokkene 2] , te [plaats 2] (betrokkene 2) [betrokkene 3] , te [plaats 2] (betrokkene 3) [betrokkene 4] , te [plaats 2] (betrokkene 4, gezamenlijk: betrokkenen) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat) Datum uitspraak: 2 april 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of betrokkenen als erfgenaam, zorgverleners of gewaarborgde hulp belanghebbenden zijn bij een besluit tot wijziging ten nadele van eerder vastgestelde pgb en terugvordering hiervan op grond van de Wlz. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. PROCESVERLOOP Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkenen heeft mr. N. Aydogdu een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een zienswijze ingediend in het incidenteel hoger beroep. Betrokkenen hebben de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk, mr. P.C.R.G. van de Rijt en H. Sari. Voor betrokkenen is mr. Aydogdu verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. [naam budgethouder] (budgethouder), geboren in 1941, was geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). De budgethouder is op [datum] 2019 overleden. Betrokkene 2 is de zoon van de budgethouder en betrokkene 3 diens echtgenote. Betrokkenen 1 en 4 zijn de zoon en de dochter van betrokkenen 2 en 3 en kleinkinderen van de budgethouder. 1.2. De budgethouder realiseerde de zorg met een persoonsgebonden budget (pgb). Zij kocht hiermee zorg in van betrokkenen 1 tot en met 4. Betrokkene 1 was aangesteld als gewaarborgde hulp, met uitzondering van de periode van 6 november 2017 tot 1 november 2018 waarin betrokkene 4 de gewaarborgde hulp was. 1.3. Het zorgkantoor heeft aan de budgethouder op grond van de Wlz een pgb verleend voor de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019. Het zorgkantoor heeft de pgb’s voor deze jaren vastgesteld op de door de Sociale verzekeringsbank uitbetaalde bedragen. 1.4. Naar aanleiding van een fraudemelding van 15 november 2019 is het zorgkantoor een onderzoek gestart naar de besteding van het pgb door de budgethouder. 1.5. Met drie afzonderlijke besluiten van 22 maart 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 juli 2021 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor de voor 2016, 2017, 2018 en 2019 vastgestelde pgb’s ten nadele van de budgethouder gewijzigd en de pgb’s voor deze jaren op nihil vastgesteld . Het zorgkantoor heeft een bedrag van in totaal € 125.249,81 teruggevorderd van de budgethouder wegens onverschuldigd betaald pgb. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de besluiten van 22 maart 2021 herroepen. De rechtbank heeft overwogen dat het zorgkantoor onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden om de vastgestelde pgb’s ten nadele van de budgethouder te wijzigen, waardoor ook de terugvordering geen stand kan houden. Het standpunt van het zorgkantoor 3.1. Het zorgkantoor heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat betrokkenen geen belanghebbenden zijn bij de besluiten van 22 maart 2021. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het standpunt van betrokkenen 3.2. Betrokkenen hebben aangevoerd dat de rechtbank de veroordeling in de procesk Het bezwaar van betrokkenen tegen de besluiten van 22 maart 2021 is door het zorgkantoor bij het bestreden besluit ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 4.8. Betrokkenen hebben verzocht om een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 4.9. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 4.10. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van betrokkenen door het zorgkantoor op 3 mei 2021 zijn tot de datum van deze uitspraak vier jaar en bijna elf maanden verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van betrokkenen zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met – afgerond – elf maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de fase bij de bestuursrechter. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van € 1.000,- aan betrokkenen. Conclusie en gevolgen 5.1. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Omdat het beroep gegrond is krijgen betrokkenen wel een vergoeding voor hun proceskosten in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting bij de rechtbank, met een wegingsfactor van 1). In de zaak zijn geen omstandigheden gevonden die rechtvaardigen dat een zwaardere wegingsfactor moet worden gehanteerd, zoals betrokkenen hebben betoogd. Betrokkenen krijgen ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben moeten maken in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een wegingsfactor van 0,5). 5.2. De Raad zal verder bepalen dat het zorgkantoor het door betrokkenen in beroep betaalde griffierecht vergoedt. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2021 gegrond en vernietigt dat besluit; verklaart het bezwaar van betrokkenen tegen de besluiten van 22 maart 2021 nietontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 juli 2021; veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van betrokkenen in beroep tot een bedrag van € 1.868,-; bepaalt dat het zorgkantoor aan betrokkenen het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 50,- vergoedt; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan betrokkenen van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgespr