Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-15
ECLI:NL:CRVB:2026:41
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2024, 24/1026 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) Datum uitspraak: 15 januari 2026 SAMENVATTING De Raad oordeelt dat de aan appellant toekomende bijzondere invaliditeitsverhoging niet eerder dan met ingang van 1 januari 2023 aan appellant kon worden toegekend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. de Casparis hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat en kantoorgenoot van mr. De Casparis. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.J.G. Simon. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant was in de periode van [periode] in dienst als beroepsmilitair bij de [onderdeel] . Hij is in 2009 uitgezonden geweest naar Afghanistan. Tijdens deze uitzending is hij bij een raketinslag in [plaatsnaam] op [datum] 2009 gewond geraakt aan zijn buik en gezicht. Appellant is volledig hervat in september 2009. Na een militair geneeskundig onderzoek (MGO) is appellant op 10 februari 2010 dienstgeschikt geacht. In 2020 is het hem overkomen ongeval aangemerkt als dienstongeval. 1.2. In september 2022 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Appellant heeft op 7 oktober 2022 een MGO ondergaan. Aan appellant is met ingang van 1 januari 2023 ontslag verleend. Met een besluit van 6 april 2023 is aan appellant, onder verwijzing naar de bevindingen van het MGO, met ingang van 1 januari 2023 een militair invaliditeitspensioen toegekend naar een mate van invaliditeit van 45% en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 10%. Hierbij is dienstverband aanvaard voor zijn aandoeningen en de gevolgen daarvan. 1.3. Met een besluit van 19 december 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2023 gegrond verklaard, in die zin dat de mate van invaliditeit werd bepaald op 55% met een bijzondere invaliditeitsverhoging van 15%. De staatssecretaris heeft zich hierbij mede gebaseerd op de adviezen van de bezwaarverzekeringsarts van 6 juli 2023 en 14 december 2023. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is, voor zover hier van belang, van oordeel dat de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging terecht is bepaald op 1 januari 2023, zijnde de datum van het ontslag van appellant. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. De wettelijke bepalingen die voor de beoordeling van belang zijn staan in de bijlage bij deze uitspraak. 4.2. Appellant is onafgebroken in dienst geweest tot zijn ontslag met ingang van 1 januari 2023 en hij heeft tot die datum ook zijn volledige bezoldiging ontvangen. Op grond van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die inval