Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-31
ECLI:NL:CRVB:2026:407
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
15,881 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:407 text/xml public 2026-04-16T14:19:52 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-31 24/305 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:407 text/html public 2026-04-08T17:34:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:407 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2026 / 24/305 PW Intrekking van bijstand na opschorting. Niet verschenen op gesprek. Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Hoofdverblijf. Extreem laag waterverbruik. Vooronderstelling. Schadevergoeding redelijke termijn. De vooronderstelling bij extreem laag waterverbruik is gebaseerd op het uitgangspunt dat hoofdverblijf altijd gepaard gaat met gebruik van water voor onder meer douchen en toiletgang, het wassen van kleding en koken. Hierbij wijst de Raad erop dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen op zichzelf – dus nog los van alle andere waterverbruikende handelingen die doorgaans in een woning plaatsvinden – een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van het verbruik waarvoor de vooronderstelling geldt. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/305 PW, 24/309 PW, 25/290 PW Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 20 december 2023, 21/2533 (aangevallen uitspraak 1) en 22/106 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college) de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 31 maart 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een intrekking van bijstand na een eerdere opschorting. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen op een gesprek waarvoor hij was opgeroepen. Appellant voert aan dat hij de oproepingsbrief niet heeft ontvangen, zodat hem niet valt te verwijten dat hij niet op de afspraak is verschenen. Hierin krijgt hij geen gelijk. Daarnaast gaat het om een intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en hij daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake was van een extreem laag waterverbruik op dat adres, dat dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant daar niet woonde en dat appellant het tegendeel daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant voert aan dat deze vooronderstelling niet mag worden gehanteerd en dat hij wel op het uitkeringsadres woonde, maar door zijn levenswijze weinig water verbruikte. Ook hierin krijgt appellant geen gelijk. Wel wordt aan appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. Het college heeft ter uitvoering van aangevallen uitspraak 2 op 16 maart 2024 een nieuw besluit genomen (nader besluit). De Raad heeft een regiebrief met vragen aan appellant gestuurd. Namens appellant hebben mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, en een zoon van appellant (X) op die brief gereageerd en nadere stukken overgelegd. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en X. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim. Ter zitting heeft appellant verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontving sinds 1 maart 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond vanaf 25 februari 2016 ingeschreven op een adres in Vaals (uitkeringsadres). 1.2. Naar aanleiding van een melding van woningcorporatie [naam] dat appellant een zeer laag waterverbruik had, is de sociale recherche vanaf medio juli 2019 een onderzoek gestart naar de woonsituatie van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft een sociaal rechercheur informatie gevorderd bij Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) over het waterverbruik op het uitkeringsadres. Uit de door WML verstrekte overzichten van de meterstanden volgt dat in de periode van 25 februari 2016 tot en met 2 april 2020 op het uitkeringsadres een waterverbruik van in totaal 23 m³ is geregistreerd. Vervolgens hebben sociaal rechercheurs gegevens gevorderd over het gas- en elektraverbruik en over de frequentie waarin afval op het uitkeringsadres is aangeboden. Op basis van de verkregen informatie is vastgesteld dat er vanaf 1 maart 2016 nauwelijks gas- en elektraverbruik was en dat er vanaf 2018 geen restafval is aangeboden. Op 20 december 2019 hebben twee sociaal rechercheurs met appellant een gesprek gevoerd en aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. Verder hebben de sociaal rechercheurs bankafschriften bij appellant opgevraagd. Appellant heeft op 8 januari 2020 de gevraagde bankafschriften ingeleverd. Op 8 januari 2020 en 30 januari 2020 hebben buurtbewoners verklaringen afgelegd. Verder hebben de sociaal rechercheurs in de periode van 30 januari 2020 tot en met 20 november 2020 een aantal keer getracht een onaangekondigd huisbezoek op het woonadres af te leggen. Daarbij werd appellant nooit aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 12 februari 2021. 1.3. Het college heeft appellant met een aangetekende brief van 4 december 2020 uitgenodigd voor een gesprek op 11 december 2020 met als doel het verstrekken van inlichtingen over zijn verblijf. Ook heeft het college appellant in die brief verzocht om bankafschriften vanaf 10 december 2019 van alle op zijn naam staande bankrekeningen naar het gesprek mee te brengen. Appellant is zonder bericht niet verschenen op het gesprek. 1.4. Het college heeft met een aangetekend besluit van 11 december 2020 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand met ingang van deze datum opgeschort. Daarbij heeft het college appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 18 december 2020 met als doel het verstrekken van inlichtingen over zijn verblijf en hem in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde (bank)gegevens over te leggen. Appellant is erop gewezen dat als hij weer niet naar de afspraak komt en ook niet laat weten waarom hij niet komt, het college de bijstand definitief kan intrekken. Appellant heeft tegen het besluit van 11 december 2020 geen bezwaar gemaakt. Appellant is zonder bericht ook niet verschenen op het gesprek van 18 december 2020. 1.5. Met een besluit van 29 december 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 augustus 2021 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 11 december 2020. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de twee uitnodigingen voor een gesprek en de gevraagde gegevens niet binnen de in het opschortingsbesluit geboden hersteltermijn heeft overgelegd. 1.6. Appellant heeft opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft aan appellant bijstand toegekend op het uitkeringsadres met ingang van 10 februari 2021. 1.7. Het college heeft met een besluit van 1 maart 2021 (besluit 2) de over de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 74.500,60 bruto van appellant teruggevorderd. 1.8.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:407 text/xml public 2026-04-16T14:19:52 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-31 24/305 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:407 text/html public 2026-04-08T17:34:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:407 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2026 / 24/305 PW Intrekking van bijstand na opschorting. Niet verschenen op gesprek. Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Hoofdverblijf. Extreem laag waterverbruik. Vooronderstelling. Schadevergoeding redelijke termijn. De vooronderstelling bij extreem laag waterverbruik is gebaseerd op het uitgangspunt dat hoofdverblijf altijd gepaard gaat met gebruik van water voor onder meer douchen en toiletgang, het wassen van kleding en koken. Hierbij wijst de Raad erop dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen op zichzelf – dus nog los van alle andere waterverbruikende handelingen die doorgaans in een woning plaatsvinden – een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van het verbruik waarvoor de vooronderstelling geldt. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/305 PW, 24/309 PW, 25/290 PW Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 20 december 2023, 21/2533 (aangevallen uitspraak 1) en 22/106 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college) de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 31 maart 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een intrekking van bijstand na een eerdere opschorting. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen op een gesprek waarvoor hij was opgeroepen. Appellant voert aan dat hij de oproepingsbrief niet heeft ontvangen, zodat hem niet valt te verwijten dat hij niet op de afspraak is verschenen. Hierin krijgt hij geen gelijk. Daarnaast gaat het om een intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en hij daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake was van een extreem laag waterverbruik op dat adres, dat dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant daar niet woonde en dat appellant het tegendeel daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant voert aan dat deze vooronderstelling niet mag worden gehanteerd en dat hij wel op het uitkeringsadres woonde, maar door zijn levenswijze weinig water verbruikte. Ook hierin krijgt appellant geen gelijk. Wel wordt aan appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. Het college heeft ter uitvoering van aangevallen uitspraak 2 op 16 maart 2024 een nieuw besluit genomen (nader besluit). De Raad heeft een regiebrief met vragen aan appellant gestuurd. Namens appellant hebben mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, en een zoon van appellant (X) op die brief gereageerd en nadere stukken overgelegd. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en X. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim. Ter zitting heeft appellant verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontving sinds 1 maart 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond vanaf 25 februari 2016 ingeschreven op een adres in Vaals (uitkeringsadres). 1.2. Naar aanleiding van een melding van woningcorporatie [naam] dat appellant een zeer laag waterverbruik had, is de sociale recherche vanaf medio juli 2019 een onderzoek gestart naar de woonsituatie van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft een sociaal rechercheur informatie gevorderd bij Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) over het waterverbruik op het uitkeringsadres. Uit de door WML verstrekte overzichten van de meterstanden volgt dat in de periode van 25 februari 2016 tot en met 2 april 2020 op het uitkeringsadres een waterverbruik van in totaal 23 m³ is geregistreerd. Vervolgens hebben sociaal rechercheurs gegevens gevorderd over het gas- en elektraverbruik en over de frequentie waarin afval op het uitkeringsadres is aangeboden. Op basis van de verkregen informatie is vastgesteld dat er vanaf 1 maart 2016 nauwelijks gas- en elektraverbruik was en dat er vanaf 2018 geen restafval is aangeboden. Op 20 december 2019 hebben twee sociaal rechercheurs met appellant een gesprek gevoerd en aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. Verder hebben de sociaal rechercheurs bankafschriften bij appellant opgevraagd. Appellant heeft op 8 januari 2020 de gevraagde bankafschriften ingeleverd. Op 8 januari 2020 en 30 januari 2020 hebben buurtbewoners verklaringen afgelegd. Verder hebben de sociaal rechercheurs in de periode van 30 januari 2020 tot en met 20 november 2020 een aantal keer getracht een onaangekondigd huisbezoek op het woonadres af te leggen. Daarbij werd appellant nooit aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 12 februari 2021. 1.3. Het college heeft appellant met een aangetekende brief van 4 december 2020 uitgenodigd voor een gesprek op 11 december 2020 met als doel het verstrekken van inlichtingen over zijn verblijf. Ook heeft het college appellant in die brief verzocht om bankafschriften vanaf 10 december 2019 van alle op zijn naam staande bankrekeningen naar het gesprek mee te brengen. Appellant is zonder bericht niet verschenen op het gesprek. 1.4. Het college heeft met een aangetekend besluit van 11 december 2020 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand met ingang van deze datum opgeschort. Daarbij heeft het college appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 18 december 2020 met als doel het verstrekken van inlichtingen over zijn verblijf en hem in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde (bank)gegevens over te leggen. Appellant is erop gewezen dat als hij weer niet naar de afspraak komt en ook niet laat weten waarom hij niet komt, het college de bijstand definitief kan intrekken. Appellant heeft tegen het besluit van 11 december 2020 geen bezwaar gemaakt. Appellant is zonder bericht ook niet verschenen op het gesprek van 18 december 2020. 1.5. Met een besluit van 29 december 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 augustus 2021 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 11 december 2020. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de twee uitnodigingen voor een gesprek en de gevraagde gegevens niet binnen de in het opschortingsbesluit geboden hersteltermijn heeft overgelegd. 1.6. Appellant heeft opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft aan appellant bijstand toegekend op het uitkeringsadres met ingang van 10 februari 2021. 1.7. Het college heeft met een besluit van 1 maart 2021 (besluit 2) de over de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 74.500,60 bruto van appellant teruggevorderd. 1.8.
Volledig
Met een besluit van 7 december 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard met verbetering van de grondslag in zoverre dat het college de bijstand over de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 op grond van artikel 54, derde lid, van de PW intrekt. De terugvordering over die periode ter hoogte van € 74.500,60 is gehandhaafd. Het college heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad, omdat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat appellant in die periode een extreem laag elektra-, gas- en waterverbruik heeft gehad. Het college vindt voor zijn standpunt mede steun in het buurtonderzoek, de controlemomenten en het feit dat er sinds 2018 nooit een lediging van de afvalcontainer is geweest. Appellant heeft het college niet met verifieerbare en objectieve bewijsstukken ervan kunnen overtuigen dat hij in de betreffende periode op het uitkeringsadres heeft gewoond. Het college kan daardoor niet vaststellen of appellant in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college is vanwege schending van de inlichtingenverplichting gehouden om de ten onrechte verstrekte bijstand van appellant terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is het college niet gebleken. Uitspraken van de rechtbank 2. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. 3. Met aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en bestreden besluit 2 vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de perioden van 1 maart 2016 tot en met 5 mei 2017 en van 3 april 2020 tot en met 10 december 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bijstand van appellant over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank heeft bepaald dat het college een nieuw besluit neemt over de hoogte van de terugvordering. Het nadere besluit 4. Ter uitvoering van aangevallen uitspraak 2 heeft het college met het nader besluit het bedrag van de terugvordering over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 vastgesteld op € 45.719,25. Het standpunt van appellant 5. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens, met aangevallen uitspraak 2 niet voor zover daarbij bestreden besluit 2 in stand is gebleven. Ook is appellant het met het nader besluit niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 6. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. 6.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank bestreden besluit 1 terecht in stand heeft gelaten en bestreden besluit 2 terecht gedeeltelijk heeft vernietigd. Ook beoordeelt de Raad het nader besluit. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen en het beroep tegen het nader besluit niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De intrekking vanaf 11 december 2020 (aangevallen uitspraak 1) 6.2. Het gaat in hoger beroep alleen over de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellant na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 11 december 2020 in te trekken. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand namelijk geen bezwaar gemaakt. 6.3. Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand moet worden beoordeeld of de betrokkene het in het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. In dit geval moet daartoe worden beoordeeld of appellant binnen die termijn voldoende medewerking heeft verleend door te verschijnen op het gesprek op 18 december 2020 en de gevraagde bankgegevens te verstrekken. Als dat niet het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. 6.4. Niet in geschil is dat appellant niet is verschenen op 18 december 2020 en de gevraagde bankafschriften niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft overgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat hem dat niet kan worden verweten, omdat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen en dus niet wist dat hij op de afspraak op 18 december 2020 moest verschijnen. Hij heeft niet getekend voor ontvangst van deze brief. Er is een ontvangstbewijs van PostNL overgelegd waar een handtekening op staat, maar die handtekening is niet van hem. Zijn handtekening op zijn paspoort komt niet overeen met de handtekening op het ontvangstbewijs. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.4.1. Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. 6.4.2. Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden. 6.4.3. Uit de door het college overgelegde track & trace-informatie van PostNL blijkt dat de aangetekend verzonden oproepingsbrief van 11 december 2020 op 12 december 2020 op het adres van appellant is bezorgd en dat voor de ontvangst ervan is getekend. Op het ontvangstbewijs staat de naam van appellant en een handtekening waarin de achternaam van appellant valt te lezen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat de brief op regelmatige wijze op het adres van appellant is aangeboden. 6.4.4. Appellant heeft de ontvangst van de brief wel betwist, maar heeft zijn stelling dat het niet zijn handtekening is die op het ontvangstbewijs staat, niet onderbouwd. Hij heeft namelijk geen stukken met zijn handtekening overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de handtekening op het ontvangstbewijs zijn handtekening niet is en ook geen andere gegevens die aannemelijk maken dat het niet zijn handtekening is die op het ontvangstbewijs staat. 6.4.5. Met de enkele stelling dat het wel eens voorkomt dat bezorgers van PostNL handtekeningen vervalsen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval ook is gebeurd. 6.4.6. Dat appellant, zoals hij heeft betoogd, op andere momenten wel steeds heeft meegewerkt aan onderzoeken van het college, zegt verder niets over de vraag of appellant het opschortingsbesluit al dan niet heeft ontvangen. Appellant is er niet in geslaagd het vermoeden dat dit besluit aan hem is aangeboden te ontzenuwen. Hieruit volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet is verschenen op het gesprek op 18 december 2020 en de gevraagde gegevens niet tijdig heeft overgelegd. De intrekking en terugvordering over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 (aangevallen uitspraak 2) 6.5.
Volledig
Met een besluit van 7 december 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard met verbetering van de grondslag in zoverre dat het college de bijstand over de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 op grond van artikel 54, derde lid, van de PW intrekt. De terugvordering over die periode ter hoogte van € 74.500,60 is gehandhaafd. Het college heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020 niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad, omdat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat appellant in die periode een extreem laag elektra-, gas- en waterverbruik heeft gehad. Het college vindt voor zijn standpunt mede steun in het buurtonderzoek, de controlemomenten en het feit dat er sinds 2018 nooit een lediging van de afvalcontainer is geweest. Appellant heeft het college niet met verifieerbare en objectieve bewijsstukken ervan kunnen overtuigen dat hij in de betreffende periode op het uitkeringsadres heeft gewoond. Het college kan daardoor niet vaststellen of appellant in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college is vanwege schending van de inlichtingenverplichting gehouden om de ten onrechte verstrekte bijstand van appellant terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is het college niet gebleken. Uitspraken van de rechtbank 2. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. 3. Met aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en bestreden besluit 2 vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de perioden van 1 maart 2016 tot en met 5 mei 2017 en van 3 april 2020 tot en met 10 december 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bijstand van appellant over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank heeft bepaald dat het college een nieuw besluit neemt over de hoogte van de terugvordering. Het nadere besluit 4. Ter uitvoering van aangevallen uitspraak 2 heeft het college met het nader besluit het bedrag van de terugvordering over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 vastgesteld op € 45.719,25. Het standpunt van appellant 5. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens, met aangevallen uitspraak 2 niet voor zover daarbij bestreden besluit 2 in stand is gebleven. Ook is appellant het met het nader besluit niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 6. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. 6.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank bestreden besluit 1 terecht in stand heeft gelaten en bestreden besluit 2 terecht gedeeltelijk heeft vernietigd. Ook beoordeelt de Raad het nader besluit. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen en het beroep tegen het nader besluit niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De intrekking vanaf 11 december 2020 (aangevallen uitspraak 1) 6.2. Het gaat in hoger beroep alleen over de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellant na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 11 december 2020 in te trekken. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand namelijk geen bezwaar gemaakt. 6.3. Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand moet worden beoordeeld of de betrokkene het in het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. In dit geval moet daartoe worden beoordeeld of appellant binnen die termijn voldoende medewerking heeft verleend door te verschijnen op het gesprek op 18 december 2020 en de gevraagde bankgegevens te verstrekken. Als dat niet het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. 6.4. Niet in geschil is dat appellant niet is verschenen op 18 december 2020 en de gevraagde bankafschriften niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft overgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat hem dat niet kan worden verweten, omdat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen en dus niet wist dat hij op de afspraak op 18 december 2020 moest verschijnen. Hij heeft niet getekend voor ontvangst van deze brief. Er is een ontvangstbewijs van PostNL overgelegd waar een handtekening op staat, maar die handtekening is niet van hem. Zijn handtekening op zijn paspoort komt niet overeen met de handtekening op het ontvangstbewijs. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.4.1. Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. 6.4.2. Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden. 6.4.3. Uit de door het college overgelegde track & trace-informatie van PostNL blijkt dat de aangetekend verzonden oproepingsbrief van 11 december 2020 op 12 december 2020 op het adres van appellant is bezorgd en dat voor de ontvangst ervan is getekend. Op het ontvangstbewijs staat de naam van appellant en een handtekening waarin de achternaam van appellant valt te lezen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat de brief op regelmatige wijze op het adres van appellant is aangeboden. 6.4.4. Appellant heeft de ontvangst van de brief wel betwist, maar heeft zijn stelling dat het niet zijn handtekening is die op het ontvangstbewijs staat, niet onderbouwd. Hij heeft namelijk geen stukken met zijn handtekening overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de handtekening op het ontvangstbewijs zijn handtekening niet is en ook geen andere gegevens die aannemelijk maken dat het niet zijn handtekening is die op het ontvangstbewijs staat. 6.4.5. Met de enkele stelling dat het wel eens voorkomt dat bezorgers van PostNL handtekeningen vervalsen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval ook is gebeurd. 6.4.6. Dat appellant, zoals hij heeft betoogd, op andere momenten wel steeds heeft meegewerkt aan onderzoeken van het college, zegt verder niets over de vraag of appellant het opschortingsbesluit al dan niet heeft ontvangen. Appellant is er niet in geslaagd het vermoeden dat dit besluit aan hem is aangeboden te ontzenuwen. Hieruit volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet is verschenen op het gesprek op 18 december 2020 en de gevraagde gegevens niet tijdig heeft overgelegd. De intrekking en terugvordering over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 (aangevallen uitspraak 2) 6.5.
Volledig
Tussen partijen is, gelet op het nader besluit, alleen nog in geschil of het college terecht is overgegaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 (te beoordelen periode). 6.6. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich mee dat het college aannemelijk moet maken dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres en de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college. 6.7. Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 6.8. Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om die vooronderstelling te weerleggen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. 6.9. Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het waterverbruik op het uitkeringsadres ongeveer 4 m³ per jaar was. Dit is een extreem laag waterverbruik. 6.10. Appellant heeft aangevoerd dat het college de vooronderstelling bij extreem laag waterverbruik niet mocht hanteren, omdat deze uitgaat van (de afwijking van het) gemiddeld waterverbruik en daarmee onvoldoende recht doet aan zijn specifieke individuele omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.10.1. De vooronderstelling is gebaseerd op het uitgangspunt dat hoofdverblijf altijd gepaard gaat met gebruik van water voor onder meer douchen en toiletgang, het wassen van kleding en koken. Wat er ook zij van het gemiddeld waterverbruik, als in een woning zo weinig water wordt verbruikt – minder dan 7 m³ – dat deze en andere waterverbruikende handelingen niet of nauwelijks kunnen worden uitgevoerd, dan kan worden voorondersteld dat die woning niet wordt bewoond en daarmee ook dat de betrokkene daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Hierbij wijst de Raad erop dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen op zichzelf – dus nog los van alle andere waterverbruikende handelingen die doorgaans in een woning plaatsvinden – een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van het verbruik waarvoor de vooronderstelling geldt. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. 6.10.2. Individuele omstandigheden die naar voren worden gebracht, zoals appellant ook heeft gedaan, kunnen een ander licht werpen op het extreem lage waterverbruik. Met de specifieke omstandigheden van appellant wordt dus wel rekening gehouden, in die zin dat deze worden betrokken in de beoordeling of appellant daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode, ondanks het extreem lage waterverbruik, zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. 6.11. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode wel op het uitkeringsadres woonde. Als verklaring voor het extreem lage waterverbruik op dat adres heeft appellant erop gewezen dat hij zuinig leeft. Hij is in Afghanistan opgegroeid en heeft door oorlogservaringen ernstige PTSS-klachten en aan armoede gerelateerde klachten ontwikkeld. Zijn sobere levensstijl leidt tot een minimaal gebruik van water, energie en huishoudelijke voorzieningen en tot een minimum aan afval. Daarbij komt dat het dagelijks leven van appellant zich om gezondheidsredenen vooral buitenshuis afspeelde. Ook eten en douchen deed appellant voor een deel buitenshuis, zoals in de moskee in Aken. Zijn was werd door zijn kinderen verzorgd. Verder wijst appellant erop dat uit het door hem in hoger beroep ingebrachte huisartsjournaal blijkt dat hij in de te beoordelen periode zeer frequent contact had met de huisarts die op enkele honderden meters van het uitkeringsadres is gevestigd. Ook wijst hij erop dat uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt dat hij alleen geld heeft gepind in Vaals. Volgens appellant blijkt uit deze gegevens dat hij op het uitkeringsadres woonde. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.11.1. Appellant heeft, mede in het licht van de overige onderzoeksbevindingen van het college, niet aannemelijk gemaakt dat hij ondanks het extreem lage waterverbruik zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dat appellant op de door hem geschetste wijze leefde, heeft hij namelijk niet onderbouwd aan de hand van – bijvoorbeeld – verklaringen van buren, de huisarts of moskeebezoekers of anderen die zijn wijze van leven kunnen bevestigen. 6.11.2. Uit het feit dat appellant frequent bij zijn huisarts kwam, volgt niet zonder meer dat hij op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had. Dit geldt ook voor de vele pintransacties in Vaals waar appellant op heeft gewezen. Het gaat er immers niet om of appellant in Vaals woonde, maar of hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Conclusie en gevolgen 6.12. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd, aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten. Het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven. 7. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Overschrijding redelijke termijn 8. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 8.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 . 8.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. 8.3. In gevallen waarin meerdere zaken van dezelfde belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. 8.4. In dit geval gaat het om twee zaken van dezelfde belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. Vanaf de ontvangst door het college op 8 februari 2021 van het eerste bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak op 17 februari 2026 zijn ruim vijf jaar verstreken.
Volledig
Tussen partijen is, gelet op het nader besluit, alleen nog in geschil of het college terecht is overgegaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 (te beoordelen periode). 6.6. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich mee dat het college aannemelijk moet maken dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres en de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college. 6.7. Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 6.8. Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om die vooronderstelling te weerleggen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. 6.9. Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het waterverbruik op het uitkeringsadres ongeveer 4 m³ per jaar was. Dit is een extreem laag waterverbruik. 6.10. Appellant heeft aangevoerd dat het college de vooronderstelling bij extreem laag waterverbruik niet mocht hanteren, omdat deze uitgaat van (de afwijking van het) gemiddeld waterverbruik en daarmee onvoldoende recht doet aan zijn specifieke individuele omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.10.1. De vooronderstelling is gebaseerd op het uitgangspunt dat hoofdverblijf altijd gepaard gaat met gebruik van water voor onder meer douchen en toiletgang, het wassen van kleding en koken. Wat er ook zij van het gemiddeld waterverbruik, als in een woning zo weinig water wordt verbruikt – minder dan 7 m³ – dat deze en andere waterverbruikende handelingen niet of nauwelijks kunnen worden uitgevoerd, dan kan worden voorondersteld dat die woning niet wordt bewoond en daarmee ook dat de betrokkene daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Hierbij wijst de Raad erop dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen op zichzelf – dus nog los van alle andere waterverbruikende handelingen die doorgaans in een woning plaatsvinden – een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van het verbruik waarvoor de vooronderstelling geldt. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. 6.10.2. Individuele omstandigheden die naar voren worden gebracht, zoals appellant ook heeft gedaan, kunnen een ander licht werpen op het extreem lage waterverbruik. Met de specifieke omstandigheden van appellant wordt dus wel rekening gehouden, in die zin dat deze worden betrokken in de beoordeling of appellant daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode, ondanks het extreem lage waterverbruik, zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. 6.11. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode wel op het uitkeringsadres woonde. Als verklaring voor het extreem lage waterverbruik op dat adres heeft appellant erop gewezen dat hij zuinig leeft. Hij is in Afghanistan opgegroeid en heeft door oorlogservaringen ernstige PTSS-klachten en aan armoede gerelateerde klachten ontwikkeld. Zijn sobere levensstijl leidt tot een minimaal gebruik van water, energie en huishoudelijke voorzieningen en tot een minimum aan afval. Daarbij komt dat het dagelijks leven van appellant zich om gezondheidsredenen vooral buitenshuis afspeelde. Ook eten en douchen deed appellant voor een deel buitenshuis, zoals in de moskee in Aken. Zijn was werd door zijn kinderen verzorgd. Verder wijst appellant erop dat uit het door hem in hoger beroep ingebrachte huisartsjournaal blijkt dat hij in de te beoordelen periode zeer frequent contact had met de huisarts die op enkele honderden meters van het uitkeringsadres is gevestigd. Ook wijst hij erop dat uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt dat hij alleen geld heeft gepind in Vaals. Volgens appellant blijkt uit deze gegevens dat hij op het uitkeringsadres woonde. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.11.1. Appellant heeft, mede in het licht van de overige onderzoeksbevindingen van het college, niet aannemelijk gemaakt dat hij ondanks het extreem lage waterverbruik zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dat appellant op de door hem geschetste wijze leefde, heeft hij namelijk niet onderbouwd aan de hand van – bijvoorbeeld – verklaringen van buren, de huisarts of moskeebezoekers of anderen die zijn wijze van leven kunnen bevestigen. 6.11.2. Uit het feit dat appellant frequent bij zijn huisarts kwam, volgt niet zonder meer dat hij op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had. Dit geldt ook voor de vele pintransacties in Vaals waar appellant op heeft gewezen. Het gaat er immers niet om of appellant in Vaals woonde, maar of hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Conclusie en gevolgen 6.12. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd, aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten. Het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven. 7. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Overschrijding redelijke termijn 8. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 8.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 . 8.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. 8.3. In gevallen waarin meerdere zaken van dezelfde belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. 8.4. In dit geval gaat het om twee zaken van dezelfde belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. Vanaf de ontvangst door het college op 8 februari 2021 van het eerste bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak op 17 februari 2026 zijn ruim vijf jaar verstreken.
Volledig
De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond dertien maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dus € 1.500,-. In aanmerking genomen dat de behandeling in de bestuurlijke fase afgerond een maand te lang heeft geduurd, moet volgens de door de Hoge Raad vastgestelde toerekeningsmethode in het onder 8.1 genoemde arrest van 19 februari 2016 en in het arrest van 24 februari 2017 van dat bedrag € 115,- (1/13e deel van € 1.500,-) worden toegerekend aan de bestuurlijke fase en € 1.385,- (12/13e deel van € 1.500,-) aan de rechterlijke fase. Proceskosten 9. Wat onder 8.4 over de overschrijding van de redelijke termijn is overwogen, geeft aanleiding het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant die samenhangen met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek, waarde per punt € 934,-, met wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding aan zowel het college als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak 1; bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten; verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond; veroordeelt het college tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 115,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.385,-; veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50; veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. (getekend) W.F. Claessens (getekend) J. Bonnema Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. (...) Artikel 54 van de Participatiewet 1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. 3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. 4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid (…). Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld. Artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987 en van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986. Vergelijk de uitspraken van onder meer 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3354, onder 4.5.3, en van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2210, onder 4.6.2. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1232. ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. ECLI:NL:HR:2016:252. Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125. ECLI:NL:HR:2017:292.
Volledig
De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond dertien maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dus € 1.500,-. In aanmerking genomen dat de behandeling in de bestuurlijke fase afgerond een maand te lang heeft geduurd, moet volgens de door de Hoge Raad vastgestelde toerekeningsmethode in het onder 8.1 genoemde arrest van 19 februari 2016 en in het arrest van 24 februari 2017 van dat bedrag € 115,- (1/13e deel van € 1.500,-) worden toegerekend aan de bestuurlijke fase en € 1.385,- (12/13e deel van € 1.500,-) aan de rechterlijke fase. Proceskosten 9. Wat onder 8.4 over de overschrijding van de redelijke termijn is overwogen, geeft aanleiding het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant die samenhangen met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek, waarde per punt € 934,-, met wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding aan zowel het college als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak 1; bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten; verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond; veroordeelt het college tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 115,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.385,-; veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50; veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. (getekend) W.F. Claessens (getekend) J. Bonnema Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. (...) Artikel 54 van de Participatiewet 1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. 3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. 4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid (…). Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld. Artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987 en van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986. Vergelijk de uitspraken van onder meer 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3354, onder 4.5.3, en van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2210, onder 4.6.2. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1232. ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. ECLI:NL:HR:2016:252. Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125. ECLI:NL:HR:2017:292.