Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-31
ECLI:NL:CRVB:2026:394
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,831 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:394 text/xml public 2026-04-16T13:48:21 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-31 23/618 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:394 text/html public 2026-04-08T18:17:51 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:394 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2026 / 23/618 PW Hoger beroep niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang bij verzoek om ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Woonplaats in andere gemeente. Appellant heeft het college verzocht om ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de PW moet appellant zich daarvoor wenden tot het college van de gemeente van zijn woonplaats. Niet in geschil is dat appellant al geruime tijd niet meer in de gemeente Tilburg woont. Dat betekent dat appellant sindsdien geen aanspraak kan maken op ondersteuning bij arbeid door het college van de gemeente Tilburg. Toekomstige ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling kan met deze procedure niet worden bereikt. Het college van de gemeente van de huidige woonplaats van appellant is in deze procedure immers geen partij. Met deze hoger beroepsprocedure kan appellant daarom geen resultaat bereiken dat feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/618 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 januari 2023, 21/1383 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg (college) Datum uitspraak: 31 maart 2026 SAMENVATTING Appellant heeft het college verzocht om hulp bij het vinden van een baan. Met een emailbericht heeft het college appellant laten weten dat hij zich daarvoor tot het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) moet wenden. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Appellant is het daarmee niet eens. De Raad komt in deze zaak niet toe aan een oordeel daarover. Appellant woont niet meer woont in de gemeente Tilburg en kan daarom niets meer met deze procedure bereiken. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft gereageerd op een brief van de Raad van 17 december 2025 (regiebrief). De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 16 februari 2021 heeft appellant het college verzocht om hulp bij het vinden van een baan. In antwoord op vragen van het college heeft hij laten weten dat hij een uitkering van het Uwv ontvangt en dat hij graag wil dat de gemeente Tilburg voor hem een baan creëert. Met een e-mailbericht van 23 februari 2021 heeft een klantadviseur van de gemeente Tilburg appellant medegedeeld dat hij bij het Uwv moet zijn voor het vinden van een baan en dat de gemeente Tilburg hem daarbij niet kan helpen. 1.2. Appellant heeft tegen het e-mailbericht van 23 februari 2021 bezwaar gemaakt. Met een besluit van 15 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar nietontvankelijk verklaard op de grond dat het e-mailbericht geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij in een moeilijke situatie zit en hij nog altijd een baan zoekt. Ook wijst hij erop dat hij een aanvraag heeft ingediend voor een speciale werkplek. 3.2. Het college heeft zich in verweer onder meer op het standpunt gesteld dat appellant sinds 29 november 2021 niet meer in de gemeente Tilburg woont en voor het college daarom niet duidelijk is wat het procesbelang van appellant nog is. Het oordeel van de Raad 4. Voordat de Raad aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of de uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven, zal hij eerst ambtshalve beoordelen of appellant daarbij voldoende procesbelang heeft. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Dit is vaste rechtspraak. Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dit is ook vaste rechtspraak. 4.2. De Raad heeft appellant in de regiebrief gevraagd wat hij met deze procedure wil bereiken nu hij niet meer woonachtig is in de gemeente Tilburg. In reactie op die vraag heeft appellant, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Hij woont in de gemeente Groningen en leeft van een WW-uitkering, bijstand en spaargeld. Appellant solliciteert zeer regelmatig, maar het is nog steeds niet gelukt om een baan te vinden. Hij wil graag een basisinkomen of een speciale werkplek. 4.3. De Raad begrijpt het in 1.1 genoemde verzoek van appellant zo dat hij het college heeft verzocht om ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet moet appellant zich daarvoor wenden tot het college van de gemeente van zijn woonplaats. Niet in geschil is dat appellant al geruime tijd niet meer in de gemeente Tilburg woont. Dat betekent dat appellant sindsdien geen aanspraak kan maken op ondersteuning bij arbeid door het college van de gemeente Tilburg. Toekomstige ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling kan met deze procedure niet worden bereikt. Het college van de gemeente van de huidige woonplaats van appellant is in deze procedure immers geen partij. Met deze hoger beroepsprocedure kan appellant daarom geen resultaat bereiken dat feitelijke betekenis voor hem kan hebben. 4.4. Hieruit volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Dit brengt mee dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is. Conclusie en gevolgen 4.5. Appellant heeft geen procesbelang bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk zal beoordelen. 5. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) A.H. Hagendoorn-Huls Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:394 text/xml public 2026-04-16T13:48:21 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-31 23/618 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:394 text/html public 2026-04-08T18:17:51 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:394 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2026 / 23/618 PW Hoger beroep niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang bij verzoek om ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Woonplaats in andere gemeente. Appellant heeft het college verzocht om ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de PW moet appellant zich daarvoor wenden tot het college van de gemeente van zijn woonplaats. Niet in geschil is dat appellant al geruime tijd niet meer in de gemeente Tilburg woont. Dat betekent dat appellant sindsdien geen aanspraak kan maken op ondersteuning bij arbeid door het college van de gemeente Tilburg. Toekomstige ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling kan met deze procedure niet worden bereikt. Het college van de gemeente van de huidige woonplaats van appellant is in deze procedure immers geen partij. Met deze hoger beroepsprocedure kan appellant daarom geen resultaat bereiken dat feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/618 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 januari 2023, 21/1383 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg (college) Datum uitspraak: 31 maart 2026 SAMENVATTING Appellant heeft het college verzocht om hulp bij het vinden van een baan. Met een emailbericht heeft het college appellant laten weten dat hij zich daarvoor tot het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) moet wenden. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Appellant is het daarmee niet eens. De Raad komt in deze zaak niet toe aan een oordeel daarover. Appellant woont niet meer woont in de gemeente Tilburg en kan daarom niets meer met deze procedure bereiken. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft gereageerd op een brief van de Raad van 17 december 2025 (regiebrief). De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 16 februari 2021 heeft appellant het college verzocht om hulp bij het vinden van een baan. In antwoord op vragen van het college heeft hij laten weten dat hij een uitkering van het Uwv ontvangt en dat hij graag wil dat de gemeente Tilburg voor hem een baan creëert. Met een e-mailbericht van 23 februari 2021 heeft een klantadviseur van de gemeente Tilburg appellant medegedeeld dat hij bij het Uwv moet zijn voor het vinden van een baan en dat de gemeente Tilburg hem daarbij niet kan helpen. 1.2. Appellant heeft tegen het e-mailbericht van 23 februari 2021 bezwaar gemaakt. Met een besluit van 15 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar nietontvankelijk verklaard op de grond dat het e-mailbericht geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij in een moeilijke situatie zit en hij nog altijd een baan zoekt. Ook wijst hij erop dat hij een aanvraag heeft ingediend voor een speciale werkplek. 3.2. Het college heeft zich in verweer onder meer op het standpunt gesteld dat appellant sinds 29 november 2021 niet meer in de gemeente Tilburg woont en voor het college daarom niet duidelijk is wat het procesbelang van appellant nog is. Het oordeel van de Raad 4. Voordat de Raad aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of de uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven, zal hij eerst ambtshalve beoordelen of appellant daarbij voldoende procesbelang heeft. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Dit is vaste rechtspraak. Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dit is ook vaste rechtspraak. 4.2. De Raad heeft appellant in de regiebrief gevraagd wat hij met deze procedure wil bereiken nu hij niet meer woonachtig is in de gemeente Tilburg. In reactie op die vraag heeft appellant, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Hij woont in de gemeente Groningen en leeft van een WW-uitkering, bijstand en spaargeld. Appellant solliciteert zeer regelmatig, maar het is nog steeds niet gelukt om een baan te vinden. Hij wil graag een basisinkomen of een speciale werkplek. 4.3. De Raad begrijpt het in 1.1 genoemde verzoek van appellant zo dat hij het college heeft verzocht om ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet moet appellant zich daarvoor wenden tot het college van de gemeente van zijn woonplaats. Niet in geschil is dat appellant al geruime tijd niet meer in de gemeente Tilburg woont. Dat betekent dat appellant sindsdien geen aanspraak kan maken op ondersteuning bij arbeid door het college van de gemeente Tilburg. Toekomstige ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling kan met deze procedure niet worden bereikt. Het college van de gemeente van de huidige woonplaats van appellant is in deze procedure immers geen partij. Met deze hoger beroepsprocedure kan appellant daarom geen resultaat bereiken dat feitelijke betekenis voor hem kan hebben. 4.4. Hieruit volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Dit brengt mee dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is. Conclusie en gevolgen 4.5. Appellant heeft geen procesbelang bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk zal beoordelen. 5. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) A.H. Hagendoorn-Huls Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.