Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-01
ECLI:NL:CRVB:2026:390
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,111 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:390 text/xml public 2026-04-09T12:16:19 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-01 23/3470 WIA Uitspraak Hoger beroep Proceskostenveroordeling NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:390 text/html public 2026-04-09T12:13:19 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:390 Centrale Raad van Beroep , 01-04-2026 / 23/3470 WIA Proceskostenveroordeling. Namens appellant zijn de hoger beroepen ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 oktober 2025 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. 23/3470 WIA, 23/3471 ZW Datum uitspraak: 1 april 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 november 2023, 21/5010 en 22/5446 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, de hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2024. Voor appellant is verschenen mr. Cools. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H. Maas. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen. Op 16 oktober 2024 heeft het Uwv een nadere reactie ingediend. Op 7 april 2025 heeft de Raad drs. A.M.E. Giesberts, orthopedisch chirurg, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 28 augustus 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Met een besluit van 28 oktober 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 16 december 2025 heeft appellant een specificatie gegeven van zijn proceskosten. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 oktober 2025 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van zijn beroepen en hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.802,- in beroep (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2024 en 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze op het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 5.604,-. Verder dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.604,-; bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 371,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. (getekend) S. Wijna (getekend) M.G.J. van Eck