Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-17
ECLI:NL:CRVB:2026:383
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,182 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:383 text/xml public 2026-04-08T16:19:00 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-17 25/652 BBZ-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:383 text/html public 2026-04-02T16:48:51 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:383 Centrale Raad van Beroep , 17-03-2026 / 25/652 BBZ-PV Niet-ontvankelijk bezwaar. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Opdracht nieuw besluit. Niet langer is in geschil is dat het college de bezwaren tegen besluiten 2 tot en met 4 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vervolgens is ook vastgesteld dat niet in geschil is dat het subsidiaire standpunt van het college – dat de bezwaren tegen die besluiten ongegrond is – ook geen stand kan houden. Alle relevante stukken moeten alsnog aan appellant ter beschikking worden gesteld en appellant moet vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zijn bezwaargronden aan te vullen. De Raad zal gelet hierop geen judiciële lus toepassen, ook omdat partijen ter zitting hebben toegelicht dat dit niet hun voorkeur geniet. 25/652 BBZ-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025, 24/5246 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 17 maart 2026 Zitting heeft: E.C.E. Marechal Griffier: C.E.A. Tessemaker Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Velthorst, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 augustus 2024 voor zover het bezwaar tegen de besluiten van 10 juni 2022, 7 juli 2022 en 4 augustus 2022 niet-ontvankelijk zijn verklaard; draagt het college op in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-; bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 194,-. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Met een besluit van 5 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant van 11 april 2023 tegen besluiten van 5 december 2020 (besluit 1), 10 juni 2022 (besluit 2), 7 juli 2022 (besluit 3) en 4 augustus 2022 (besluit 4) niet-ontvankelijk verklaard omdat er volgens het college sprake was van een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Subsidiair heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Sinds de beroepsprocedure is niet in geschil dat het college het bezwaar tegen besluit 1 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Na bespreking van de regiebrief van de Raad van 19 november 2025 met partijen ter zitting, is vastgesteld dat niet langer in geschil is dat het college de bezwaren van appellant tegen besluiten 2 tot en met 4 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vervolgens is ook vastgesteld dat niet in geschil is dat het subsidiaire standpunt van het college ook geen stand kan houden. Het subsidiaire standpunt is nauwelijks gemotiveerd. Appellant heeft ook nog niet de beschikking gekregen over een groot deel van de aan de besluiten 2 tot en met 4 onderliggende relevante stukken en er heeft in bezwaar ook nog geen inhoudelijke discussie plaatsgevonden. Het bestreden besluit kent daarom een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en moet worden vernietigd voor zover het zowel de primaire niet-ontvankelijkverklaring als de subsidiaire ongegrondverklaring van besluiten 2 tot en met 4 betreft. Alle relevante stukken moeten alsnog aan appellant ter beschikking worden gesteld, appellant moet vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zijn bezwaargronden aan te vullen en er zal een volledige heroverweging van deze besluiten door het college moeten plaatsvinden. De Raad zal gelet hierop geen judiciële lus toepassen, ook omdat partijen ter zitting hebben toegelicht dat dit niet hun voorkeur geniet. Appellant krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (2 punten) en € 1.868,- in hoger beroep (2 punten) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.736,-. Appellant krijgt ook het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.E.A. Tessemaker (getekend) E.C.E. Marechal