Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-04-09
ECLI:NL:CRVB:2026:359
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/1395 TBSH Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2025, 24/6645 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) Datum uitspraak: 9 april 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van appellant om een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Appellant is vanuit zijn geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd voordat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk werd. Op zijn aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat hij jonger was dan 18 jaar toen hij in 1968 vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. De Raad oordeelt dat deze afwijzing stand houdt. De minister mocht er op grond van het Schakelregister vanuit gaan dat appellant voor zijn achttiende verjaardag in Nederland is komen wonen. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH kan in het algemeen de hier aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en toepassing van deze voorwaarde is in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. 1.1. Appellant is op [geboortedatum] 1950 in Suriname geboren. Hij is in 1968 in Nederland komen wonen. Als datum van vestiging in Nederland is in het Schakelregister 23 augustus 1968 geregistreerd. Appellant heeft in Nederland gestudeerd en heeft er, behoudens periodes waarin zijn Nederlandse werkgever hem elders detacheerde, tot op heden gewerkt en gewoond. 1.2. Appellant heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. Bij besluit van 12 augustus 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 september 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde in het TBSH dat hij achttien jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen. Volgens de minister bestaat er geen ruimte om af te wijken van de in het TBSH gestelde voorwaarden, en worden hierop ook geen uitzonderingen gemaakt. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. Over de datum waarop appellant in Nederland kwam wonen heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast voor de onderbouwing van een aanvraag in principe bij de aanvrager ligt, dat de minister zich bij de vaststelling van de datum waarop appellant in Nederland is komen wonen heeft gebaseerd op gegevens uit het Schakelregister, dat aan dergelijke gegevens veel betekenis mag worden gehecht en dat appellant te weinig heeft aangevoerd om twijfel te wekken aan de gegevens over hem in het Schakelregister. 2.2. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om de leeftijdsgrens in het TBSH te verruimen of wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Volgens de rechtbank ligt aan de in het TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde een politiekbestuurlijke afweging ten grondslag die de rechtbank heeft te respecteren. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister, het onverplichte en begunstigende karakter van het Tijdelijk besluit dat is bedoeld als een gebaar van erkenning voor een geselecteerde groep ouderen van Surinaamse afkomst en de in dat verband dwingend vastgestelde toekenningsvoorwaarden, die de terughoudende toets kunnen doorstaan. Ook blijkt volgens de rechtbank in het concrete geval van appellant niet van zeer bijzondere omstandigheden die ma Appellant heeft verklaard te betwijfelen of hij daadwerkelijk op 23 augustus 1968 in Nederland is gaan wonen, zoals in het Schakelregister vermeld staat, en betoogt dat de minister deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Hij sluit niet uit dat hij door familieleden al eerder is ingeschreven dan hij daadwerkelijk naar Nederland is gekomen. Dit kan hij echter niet onderbouwen omdat zijn oudere familieleden inmiddels zijn overleden. Hij voelt zich in zijn twijfel over de juistheid van de registratie in het Schakelregister gesterkt doordat op een door hem overgelegd rapport van de middelbare school van het schooljaar 1968/69 pas vanaf de derde periode rapportcijfers zijn vermeld. Als appellant inderdaad al in augustus 1968 was overgekomen, hadden over de eerste twee periodes ook cijfers vermeld moeten staan, nu hij naar eigen zeggen tot zijn achttiende jaar leerplichtig was en in die periode naar school zou hebben moeten gaan. Het ontbreken van de cijfers maakt aannemelijk dat hij pas vanaf 1969 in Nederland woonde, toen hij de leeftijd van achttien jaar al had bereikt. Verder wijst hij erop dat hij in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam niet op 23 augustus 1968 maar op 28 augustus 1968 is ingeschreven. Het Schakelregister kan gelet op het voorgaande geen definitief en volledig uitsluitsel bieden over de vraag of appellant voor of na zijn achttiende verjaardag in Nederland is komen wonen. 8.1. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van die aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt zeker als de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager. Het ligt dus op de weg van appellant, als aanvrager van een tegemoetkoming op grond van het TBSH, om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het recht op deze tegemoetkoming. Appellant is dus degene die aannemelijk moet maken dat hij de achttienjarige leeftijd had bereikt op het moment dat hij zich in Nederland vestigde. 8.2. Appellant is hierin niet geslaagd. De Raad stelt vast dat het enige objectieve gegeven over het moment waarop appellant in Nederland kwam wonen de registratie in het Schakelregister is. Dit register wordt gevuld met gegevens van onder andere de douane en de politie. In het Schakelregister is vermeld dat appellant op 23 augustus 1968 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen. 8.3. Wat appellant aanvoert is onvoldoende om de objectieve registratie in het Schakelregister te ontkrachten. De inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam ondersteunt juist de inschrijving enkele dagen daarvoor in het Schakelregister. Over de bewijskracht van het overgelegde schoolrapport merkt de Raad op dat in 1969 een verruiming van de leerplicht plaatsvond en dat vanaf de inwerkingtreding van de Leerplichtwet 1969 de leerplicht eindigde aan het eind van het leerjaar waarin het kind de leeftijd van zestien jaar bereikte. Alles overziende gaat de Raad ervan uit dat appellant in augustus 1968, dus voor zijn achttiende verjaardag, in Nederland is gaan wonen. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH 9. Vervolgens rijst de vraag of de leeftijdsvoorwaarde in het TBSH aan appellant mag worden tegengeworpen. Appellant heeft gesteld dat het leeftijdsvereiste slechts een handvat is voor de toetsing aan de onderliggende gedachte, dat sprake moet zijn van een duidelijke en welbewuste keuze om naar Nederland te komen, er te blijven en zo Nederlander te blijven. Daarmee heeft appellant gesteld dat de leeftijdsgrens van achttien jaar bij aankomst in Nederland in een aantal gevallen geen geschikt middel is om het doel van het TBSH te bereiken. Verder heeft appellant gesteld dat in zijn geval aantoonbaar sprake is geweest van zo’n duidelijke en welbewuste keuze. De Raad ziet zich daarom gesteld voor twee vragen: de vraag of de keuze om het recht op de tegemoetkoming op grond van het TBSH afhankelijk te stellen van het in artikel 3, aanhef en sub c, TBSH opgenomen leeft In dit verband wijst de Raad op het volgende. 9.3.1. Het TBSH is gebaseerd op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel 3 bepaalt dat ter zake van de verstrekking van subsidie regels kunnen worden gesteld. Meer afbakening van de regelgevende bevoegdheid dan dat het moet gaan om activiteiten die passen in het sociale zekerheidsbeleid, bevat de Kaderwet SZW-subsidies niet. Dat betekent dat de minister zeer veel vrijheid wordt gelaten bij het beslissen of een regeling moet worden getroffen en bij het bepalen van de inhoud van die regeling. 9.3.2. Het TBSH is tot stand gekomen na advisering door een ‘commissie van wijzen’ (commissie Sylvester) om gericht en uitsluitend de groep toenmalig rijksgenoten die leefde in Suriname in de periode 1957 tot 1975 en nu langere tijd woonachtig is in Nederland, tegemoet te komen voor hun onvolledige AOW-opbouw. De Afdeling advisering van de Raad van State zag, onder verwijzing naar vaste rechtspraak waaruit blijkt dat de beperking van AOW-verzekering tot ingezetenen van het toenmalige Europese rijksdeel gerechtvaardigd was, geen juridische grondslag die ruimte biedt voor een dergelijke tegemoetkoming uitsluitend voor deze groep. Volgens de afdeling Advisering bestond hiertoe ook geen noodzaak, gelet op de vangnetregelingen waar deze groep aanspraak op kan en kon maken, zoals onder meer de AIO. 9.3.3. De politiek-bestuurlijke wens om te komen tot een tegemoetkoming, en daarmee ook tot een passend einde aan een discussie die al tientallen jaren op de politieke agenda stond, bleef echter bestaan. Uiteindelijk is, na een gedetailleerd debat in een vaste commissie van de Tweede Kamer over de afbakening van de doelgroep en de vormgeving van de tegemoetkoming, het TBSH tot stand gekomen zoals het nu luidt. 9.4. De Raad concludeert dat het TBSH, met inbegrip van de daarin opgenomen criteria die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming, bij uitstek het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging. Een verzoek om rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een besluit waarbij de aanvraag om een tegemoetkoming is afgewezen omdat de aanvrager niet aan alle voorwaarden voldoet, vraagt dan ook om een zeer terughoudende rechterlijke benadering als omschreven in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. Deze terughoudendheid vindt, zoals gezegd, zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen. Exceptieve toetsing van de leeftijdsvoorwaarde 9.5. In het TBSH is ervoor gekozen om de tegemoetkoming toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname – 25 november 1975 – bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. Daarbij geldt de voorwaarde dat de persoon 18 jaar of ouder was op het moment van de verhuizing naar Nederland. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij deze leeftijd kan er volgens de nota van toelichting van uitgegaan worden dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Deze leeftijd sluit verder aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken, aldus de nota van toelichting. 9.6. Appellant betoogt dat de voorwaarde dat de betrokkene de achttienjarige leeftijd had bereikt op het moment van verhuizing naar Nederland, niet geschikt of in ieder geval niet noodzakelijk is om vast te stellen dat sprake is van een duidelijke en welbewuste keuze om naar Nederland te komen, er te blijven en Nederlander te blijven. Personen van Surinaamse herkomst die bij aankomst in Nederland jonger waren dan achttien jaar maar op 25 november 1975 wel de achttienjarige leeftijd hadden bereikt, in Nederland woonden en er sindsdien zijn geble Concrete toetsing van het bestreden besluit 10. Appellant heeft aangevoerd dat uit zijn levensloop blijkt dat hij bewust de keuze heeft gemaakt naar Nederland te komen, er te blijven en Nederlander te blijven. De Raad begrijpt dat appellant vindt dat de leeftijdsvoorwaarde in zijn geval onredelijk bezwarend uitpakt en daarom op hem niet mag worden toegepast. 10.1. Dit betoog slaagt niet. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die hieraan niet voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Dit is het beoogde resultaat van het stellen van deze voorwaarde. Er is op geen enkele wijze gebleken dat die voorwaarde in het geval van appellant nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd, of om andere redenen onredelijk bezwarend is. Conclusie en gevolgen 11. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH in stand blijft. 12. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Kaderwet SZW-subsidies Artikel 1, eerste lid 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in: het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid; het arbeidsomstandighedenbeleid; het arbeidsverhoudingenbeleid; het inkomensbeleid; het socialezekerheidsbeleid; het kinderopvangbeleid; het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid. Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan is nadien overgenomen door andere bewindslieden die vallen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3, eerste lid Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot: a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt; b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald; c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover; d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend; e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger; f. de vaststelling van de subsidie; g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten; i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie. Artikel 9 Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet. Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst Artikel 2 Doel van het besluit Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafh