Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-25
ECLI:NL:CRVB:2026:353
18/1780 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2018, 17/2360 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 25 maart 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een expertiserapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk van 15 juli 2021 in geding gebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd. Wegens ziekte van de gemachtigde van appellant is de verdere behandeling van de zaak uitgesteld. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 november 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te bieden onderling overleg te voeren. De Raad heeft ook een vraag gesteld aan het Uwv. Bij brief van 30 januari 2024 heeft het Uwv deze vraag beantwoord en meegedeeld nadere informatie te zullen opvragen bij de huisarts van appellant. Bij brief van 28 november 2024 heeft de Raad appellant meegedeeld dat hij, ondanks diverse rappels, niets heeft vernomen over de uitkomst van het overleg met het Uwv en dat het blijkbaar niet mogelijk is gebleken de gegevens van de (nieuwe) huisarts te achterhalen. De Raad heeft appellant verzocht de gevraagde informatie alsnog te verstrekken. Bij brieven van 2 januari 2025, 3 januari 2025, en 6 februari 2025, met bijlagen, heeft appellant gereageerd. Het Uwv heeft hierop bij brief van 18 maart 2025, met bijlagen, een reactie gegeven. Met het oog op een efficiënte behandeling van het hoger beroep ter zitting, heeft de Raad bij brief van 28 augustus 2025 geïnventariseerd waarover partijen nog met elkaar van mening verschillen en appellant verzocht mee te delen waarom hij het over die punten oneens is met het Uwv. Bij brieven van 10 januari 2026 en 12 januari 2026, met bijlagen, heeft appellant deze vragen beantwoord. Bij brieven van 26 januari 2026 en 2 maart 2026, met bijlagen, heeft het Uwv gereageerd. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 4 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich weer laten vertegenwoordigen door Maas. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant is vanaf 16 januari 2006 werkzaam geweest als monteur van systeemwanden en -plafonds bij [naam B.V. 1] Op 22 januari 2008 heeft hij zich ziekgemeld wegens klachten aan de onderrug met uitstraling in het rechterbeen. Het Uwv heeft appellant met ingang van 22 januari 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 19 januari 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 juli 2011 (AWB 10/3269) dat beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2010 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. 1.2. Appellant heeft vanaf 19 januari 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 12 mei 2010 heeft hij zich ziekgemeld wegens lage rugklachten. Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het Uwv appellant, nadat de WWuit Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen objectieve argumenten voorhanden die het standpunt van appellant onderbouwen dat er meer beperkingen ten aanzien van de belasting van de rug moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij beperkt is wat betreft persoonlijk risico in verband met zijn medicijngebruik. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op overtuigende wijze uiteengezet waarom er geen aanleiding bestaat om in verband met medicijngebruik van appellant meer of verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van persoonlijk risico. 2.2. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen was appellant op 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012 en 8 januari 2013 in staat de bij elke beoordelingsdatum geduide functies te vervullen. Ook de beroepsgronden met betrekking tot het gehanteerde maatmanloon heeft de rechtbank niet laten slagen. 2.3. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv terecht heeft bepaald dat per 19 april 2016 geen recht op een WIA-uitkering bestaat omdat sinds 19 januari 2010 binnen vijf jaar daarna geen dag aan te wijzen is waarop appellant als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak minimaal 35% arbeidsongeschikt is. 2.4. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012, 8 januari 2013 en 19 april 2016 een WIA-uitkering toe te kennen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt, voor zover thans nog van belang, hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit van 25 juli 2017 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omvang van het geding 4.1. De Raad heeft in zijn brief van 28 augustus 2025 benoemd dat tijdens de zitting van 1 november 2023 is vastgesteld dat nog twee data in geding zijn, namelijk 12 mei 2012 en 1 februari 2011. In die brief zijn als resterende geschilpunten vermeld: het maatmanloon, het CBS-indexcijfer en het gebruik van het medicijn Diazepam door appellant en de mogelijk daaruit voortvloeiende (extra) medische beperkingen. Bij brief van appellant van 10 januari 2026 heeft appellant de beroepsgronden die zien op het maatmanloon en het CBSindexcijfer ingetrokken. Appellant heeft dit ter zitting bevestigd. Data in geding 4.2. Appellant heeft in zijn brief 10 januari 2026 betwist dat hij ter zitting van 1 november 2023 de omvang van het geschil heeft beperkt tot twee data, namelijk 12 mei 2010 en 1 februari 2011. Volgens appellant is sprake van een misverstand en blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat appellant het door hem ingebrachte expertiserapport van verzekeringsarts Van Eijk van 15 juli 2021 heeft onderschreven, maar niet dat hij heeft verklaard dat nog slechts twee data in geding zijn. De Raad heeft hierin aanleiding gezien een transcriptie op te stellen van de geluidsopname van het betreffende gedeelte van de zitting van 1 november 2023. Ter zitting van 4 maart 2026 heeft de Raad partijen deze transcriptie overhandigd. Appellant heeft na lezing van deze transcriptie zijn standpunt dat sprake is van een misverstand laten vallen en bevestigd dat nog slechts twee data in geding zijn, namelijk 12 mei 2010 en 1 februari 2011. De Raad zal zich tot deze twee beoordelingsmomenten beperken. Diazepam 4.3. In zijn expertiserapport van 15 juli 2021 heeft verzekeringsarts Van Eijk geconcludeerd dat op grond van de aanwezige objectieve gegevens de belastbaarheid van appellant op 12 mei 2010 en 1 februari 2011, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijsten, onvolledig is, omdat uit de z De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 4.10. In deze zaak geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 26 oktober 2016 tot aan de uitspraak in hoger beroep negen jaar en (afgerond naar boven) vijf maanden zijn verstreken. De Raad ziet aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Op 18 november 2021 heeft appellant verzocht om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting op 9 februari 2022 wegens zwangerschapsverlof van zijn gemachtigde. Nadat de zaak was geagendeerd voor de zitting van 2 juni 2022 heeft appellant opnieuw verzocht om uitstel van de zitting, wegens ziekte van zijn gemachtigde. Vervolgens is de zaak geagendeerd voor de zitting van 13 oktober 2022 en heeft appellant wederom verzocht om uitstel wegens ziekte van zijn gemachtigde. Nadat de vervanger van de gemachtigde van appellant had verklaard dat de zaak alsnog op een zitting kon worden behandeld, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden op 1 november 2023. De Raad ziet hierin aanleiding om in deze zaak de redelijke termijn te verlengen met twee jaar. Nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 31 januari 2024 had voorgesteld om bij de huisarts van appellant de ontbrekende specifieke informatie over het gebruik van Diazepam na te vragen en gebleken was dat het Uwv alleen beschikte over de contactgegevens van de vorige huisarts, heeft appellant, ondanks diverse rappels, het Uwv niet de contactgegevens van zijn (huidige) huisarts verstrekt. Uiteindelijk heeft het Uwv op 15 januari 2026 zelf contact opgenomen met de (vorige) huisarts van appellant om deze contactgegevens te kunnen krijgen en deze informatie op 12 februari 2026 van de huidige huisarts van appellant ontvangen. De Raad ziet hierin aanleiding om in deze zaak de redelijke termijn verder te verlengen met twee jaar. Dit betekent dat in dit geval de redelijke termijn acht jaar bedraagt. De redelijke termijn is in dit geval dus met één jaar en (afgerond naar boven) vijf maanden overschreden. Dit betekent dat appellant in aanmerking komt voor een schadevergoeding van € 1.500,-. 4.11. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot een vergoeding van een bedrag van € 264,71- (3/17 van € 1.500,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.235,29,- (14/17 van € 1.500,-). 4.12. Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5), door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 264,71; - veroordeelt de Staat der Nederlandsen (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.235,29; - veroordeelt