Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-20
ECLI:NL:CRVB:2026:341
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,049 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:341 text/xml public 2026-03-23T13:55:24 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-20 24/434 WLZ Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:341 text/html public 2026-03-23T13:54:05 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:341 Centrale Raad van Beroep , 20-03-2026 / 24/434 WLZ Hoger beroep niet-ontvankelijk. Niet het volledige griffierecht is binnen de termijn betaald. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/434 WLZ Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2024, 23/914 Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CAK Datum uitspraak: 20 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft op 3 juli 2024 zonder zitting uitspraak gedaan en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (volledig) binnen de termijn was betaald. Tegen de uitspraak van 3 juli 2024 heeft appellant verzet gedaan. De Raad heeft met de uitspraak van 16 april 2025 (kenmerk 24/434 WLZ-V) het verzet gegrond verklaard. De correspondentie over de verschuldigde betaling van het griffierecht is namelijk per (aangetekende) post naar appellant gestuurd, terwijl appellant vooraf al direct te kennen had gegeven slecht bereikbaar te zijn per post. Daarom achtte de Raad aannemelijk dat appellant de brieven en nota’s in deze procedure niet tijdig heeft ontvangen. Nu het verzet van appellant gegrond is verklaard, komt de uitspraak van de Raad van 3 juli 2024 te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Via e-mailbericht van 26 juni 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Op 7 juli 2025 heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 25,-. Via een bij e-mailbericht van 2 september 2025 verzonden brief is appellant gewezen op de verschuldigdheid van het resterende griffierecht van € 113,- en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven. Daarbij is erop gewezen dat als het resterende griffierecht niet tijdig wordt betaald, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Op 8 september heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 67,50 waarna appellant nog een resterend griffierecht is verschuldigd van € 45,50. De termijn is inmiddels verstreken en de Raad heeft geen nieuwe betalingen meer ontvangen van appellant. Dat betekent dat niet het volledige griffierecht binnen de termijn is betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.