Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-15
ECLI:NL:CRVB:2026:32
24/607 AKW Datum uitspraak: 15 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2024, 23/3826 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) SAMENVATTING In deze uitspraak oordeelt de Raad dat appellant op de peildatum van het 4e kwartaal 2020 niet heeft voldaan aan de onderhoudseis voor zijn in Marokko woonachtige kinderen. De Svb heeft terecht bepaald dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Jozefzoon-Flipse, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 maart 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jozefzoon-Flipse. Tevens was voor appellant aanwezig [X] als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk . Het onderzoek ter zitting is geschorst. Appellant is in de gelegenheid gesteld nadere bewijsstukken over de periode(n) van zijn verblijf in Marokko en de betaling van onderhoudsbijdrage(n) in geding te brengen. Op 20 maart 2025 zijn namens appellant nadere stukken overgelegd. De Svb heeft op de overgelegde stukken gereageerd. De behandeling van de zaak is door de Raad hervat op de zitting van 4 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jozefzoon-Flipse. Voor appellant was tevens aanwezig [Y] als tolk. De Svb heeft zich laten door vertegenwoordigen door mr. Vonk. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft op 24 november 2021 kinderbijslag aangevraagd op grond van de AKW voor zijn kinderen [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2010), [naam kind 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2013) en [naam kind 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2015). De kinderen wonen bij hun moeder in Marokko. Om te beoordelen of er recht bestaat op kinderbijslag heeft de Svb appellant verzocht aan te tonen dat hij een bijdrage levert in de onderhoudskosten (onderhoudseis) van de kinderen. 1.2. Met een besluit van 28 januari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 maart 2022 heeft de Svb de aanvraag niet in behandeling genomen. Ondanks verzoeken daartoe heeft appellant niet de benodigde gegevens overgelegd zodat de door hem ingediende aanvraag om toekenning van kinderbijslag niet kan worden beoordeeld. Het beroep dat appellant tegen het besluit van 31 maart 2022 had ingesteld is door hem ingetrokken. 1.3. Met een besluit van 31 januari 2023 heeft de Svb afwijzend beslist op het verzoek van appellant om de eerdere afwijzing te herzien. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 15 juni 2023 ongegrond verklaard. De Svb heeft overwogen dat appellant vanaf het 4e kwartaal 2020 geen kinderbijslag krijgt. Hierbij is in aanmerking genomen dat van appellant geen (verdere) betaalbewijzen of bewijzen van zijn verblijf in Marokko zijn ontvangen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Verzoek om herziening 4.1. De Raad stelt vast dat de Svb het verzoek om herziening inhoudelijk heeft beoordeeld. Gelet hierop zal de Raad de afwijzing ervan toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over een aanvraag voor kinderbijslag. Onderhoudseis 4.2. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de AKW, heeft een verzekerde recht op kinderbijsl