Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-12
ECLI:NL:CRVB:2026:311
24/2679 WMO15, 25/546 WMO15, 25/547 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/2679 WMO15, 25/546 WMO15, 25/547 WMO15 Uitspraken op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 23 oktober 2024, 23/1865 (aangevallen uitspraak 1) en van 11 maart 2025, 24/3886 en 24/5054 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Heerlen, namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (college) Datum uitspraak: 12 maart 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de omvang en de duur van maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en het gehanteerde uurtarief voor de begeleiding door één van de ondersteuners. De hoger beroepen slagen niet. Appellant wordt niet tekort gedaan met de verstrekte 56 uur per week aan begeleiding met een uurtarief gebaseerd op ondersteuning door een persoon uit het sociale netwerk. In de situatie van appellant is een indicatieduur van uiteindelijk drie jaar niet onredelijk kort. De Raad is het ook eens met de oordelen van de rechtbank over de verzoeken om schadevergoeding. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellant is verschenen [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.J.M. van den Heuvel. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren in 1991, is bekend met complexe problematiek. Hij woont sinds 2009 in huis bij [naam 1] (hierna: ondersteuner), die tevens zijn wettelijk vertegenwoordiger (curator) is. Sinds 15 augustus 2016 ontvangt appellant een maatwerkvoorziening beschermd wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). 1.2. Op 15 juli 2019 heeft appellant het college verzocht om verlenging en ophoging van de maatwerkvoorziening beschermd wonen. Hij ontving op dat moment 40 uur per week begeleiding ‘persoonlijk netwerk’ van zijn zorgverlener tegen een uurtarief van € 13,74 en 3 uur per week begeleiding ‘persoonlijk speciaal’ van een andere, externe ondersteuner, [naam 2] , tegen een uurtarief van € 40,-. Besluitvorming zaak 24/2679 1.3. Met een besluit van 27 maart 2020 heeft het college voor de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 de maatwerkvoorziening beschermd wonen ongewijzigd voortgezet. Met de beslissing op bezwaar van 20 augustus 2020 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. 1.4. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een onafhankelijke derde partij een onderzoek laten verrichten. Op 5 mei 2023 heeft Factum Advies (Factum) een advies uitgebracht. Conclusie is dat beschermd wonen zoals gedefinieerd in de Wmo 2015 niet aansluit bij de persoonskenmerken van appellant en niet passend is en dat appellant woont in adequate huisvesting met passende begeleiding die te vergelijken is met beschermd wonen. Er is sprake van een zware (complexe) problematiek op vrijwel alle leefgebieden en de verwachting is dat geen of weinig ontwikkeling in de situatie van appellant kan worden bereikt. De door de ondersteuner aangegeven acht uur begeleiding per dag wordt als redelijk en billijk gezien. 1.5. Met een beslissing op bezwaar van 6 juli 2023 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de indicatie van appellant met ingang van 1 september 2019 gewijzigd in 56 uur per week begeleiding ‘persoonlijk netwerk’ en 3 uur per week begeleiding ‘persoonlijk speciaal’. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit II. 1.6. Met een besluit van 10 Appellant verwijst daarnaast naar lopende procedures bij de rechtbank over een door het college in 2025 aangekondigd Wmo-onderzoek. Appellant meent dat het college vooringenomen is. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen op goede gronden heeft verstrekt zoals het dat heeft gedaan. Daarnaast beoordeelt de Raad of de rechtbank het verzoek om (im)materiële schadevergoeding van appellant terecht heeft afgewezen en of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard te oordelen over de verzoeken om schadevergoeding van de ondersteuners. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad kortheidshalve naar de aangevallen uitspraken. 4.1. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank deze gronden besproken en daarover een oordeel gegeven. De Raad verenigt zich met het oordeel over die beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop het berust. Dat geldt ook voor het oordeel van de rechtbank over de verzoeken om schadevergoeding. De Raad voegt daar het volgende aan toe. Omvang en hoogte van het pgb tarief 4.2. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, uit het advies van Factum blijkt dat de deskundigheid van de ondersteuner ruim voldoende wordt geacht en de begeleiding van appellant wordt beoordeeld als “veilig, doeltreffend en adequaat”, maakt niet dat het college gehouden zou zijn om in de voorliggende situatie voor de begeleiding door ondersteuner het (hogere) uurtarief voor persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, te hanteren. Van formele ondersteuning in de zin van de van toepassing zijnde verordening is geen sprake. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarom het college in dit geval zou moeten afwijken van de bepalingen in de verordening over het te hanteren tarief. De indicatieduur en een nieuw onderzoek 4.3. De huidige indicatieduur loopt van 1 augustus 2023 tot en met 31 juli 2026. Het college heeft voor deze duur gekozen omdat sprake is van een kwetsbare situatie. Appellant is in feite volledig afhankelijk van zijn ondersteuner. Dit volgt ook uit het advies van Factum. Onder de omstandigheden van dit geval is een indicatieduur van – uiteindelijk – drie jaar zeker niet onredelijk kort. Appellant heeft ook niet met (medische) stukken aannemelijk gemaakt dat een nieuw onderzoek in verband met een nieuwe indicatie te belastend voor hem zou zijn. Verder bestaan er geen aanwijzingen dat bij de in geschil zijnde besluitvorming sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid van het college. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op het onafhankelijke advies van Factum. 4.4. Dat het belang in de visie van appellant ook is gelegen in de toekomst als begeleiding van ondersteuner niet langer mogelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Als de omstandigheden in de toekomst wijzigen moet een nieuwe aanvraag worden ingediend, die zal worden beoordeeld op grond van de situatie op dat moment. 4.5. Het onderzoek dat door het college is aangekondigd in 2025, mede omdat de externe begeleiding van [naam 2] op dat moment was gestopt, valt buiten de omvang van dit geding, zodat de Raad daar niet over kan oordelen. De verzoeken om schadevergoeding 4.6. Voor de verzoeken om schadevergoeding sluit de Raad geheel aan bij het oordeel van de rechtbank en de overwegingen hierover in de aangevallen uitspraken. Conclusie en gevolgen 4.7. De hoger beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraken worden bevestigd. 5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekk