Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-12
ECLI:NL:CRVB:2026:309
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1840 JW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 21/6247 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 12 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. R.M. Noorlander, advocaat, heeft namens appellant gronden ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 december 2025, gelijktijdig met de zaken met de nummers 24/1845, 24/1846 en 25/2536 en met het hoger beroep van [naam 1] (in de zaken met de nummers 24/1838 en 24/1839) en van [naam 2] (in de zaken met de nummers 24/1843 en 24/1844). Voor appellant is mr. Noorlander verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira. Appellant heeft het hoger beroep ter zitting ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. OVERWEGINGEN 1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. 2. Vastgesteld wordt dat het hoger beroep niet is ingetrokken omdat er sprake is van een tegemoetkoming door het bestuursorgaan als bedoeld in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt dan ook afgewezen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman (getekend) F.M. Gerritsen