Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-11
ECLI:NL:CRVB:2026:295
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,009 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:295 text/xml public 2026-03-19T13:03:56 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-11 25/671 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:295 text/html public 2026-03-19T12:56:16 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:295 Centrale Raad van Beroep , 11-03-2026 / 25/671 WIA Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 50,41%. Zorgvuldigheid onderzoek. Onderzoek na datum in geding. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/671 WIA, 25/672 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2025, 24/6762 en 24/6765 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 11 maart 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 14 februari 2022 en per 1 juli 2023 heeft vastgesteld op 50,41%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd en een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Voor appellant is verschenen mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als lasser voor gemiddeld 40,5 uur per week. Op 17 februari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 april 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 47,60%. Naar aanleiding van nieuwe door appellant ingebrachte medische informatie heeft de arts van het Uwv nader gerapporteerd en geconcludeerd dat geen aanleiding is om de belastbaarheid aan te passen. 1.2. Bij besluit van 14 juni 2023 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 februari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het Uwv deze uitkering per 1 juli 2023 omgezet naar een WGAvervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.3. De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 juni 2023 en 19 juni 2023 heeft het Uwv bij besluiten van 7 juni 2024 (bestreden besluiten) gegrond verklaard, in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid is bijgesteld naar 50,41%. Aan deze besluiten liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de primaire verzekeringsarts en de FML van 21 april 2023 onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee geselecteerde functies laten vallen en op grond van de resterende functies per 14 februari 2022 en 1 juli 2023 het arbeidsongeschiktheidspercentage op 50,41% vastgesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is en dat geen aanleiding bestaat om het medisch oordeel, dat aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt, voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Ook de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom voor appellant geen urenbeperking is aangenomen, heeft de rechtbank gevolgd. Bij de beoordeling van de elleboog- en knieklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de huisarts betrokken en afdoende toegelicht dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van zwaardere beperkingen. Dat geldt ook voor de hartkloppingen, de rugklachten en de gestelde psychische klachten, omdat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrisch ziektebeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De geselecteerde functies zijn geschikt en het Uwv heeft appellant per 14 februari 2022 en 1 juli 2023 terecht 50,41% arbeidsongeschikt geacht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat zijn belastbaarheid is onderschat. Het medisch spreekuur heeft pas een jaar na het einde van de wachttijd, 14 februari 2022, plaatsgevonden, zodat dit spreekuur geen representatief beeld geeft van de medische situatie van appellant op die datum. In de periode van 19 september 2021 tot 11 april 2022 stond appellant voor zijn psychische klachten onder behandeling bij de Polikliniek Medische Psychologie van het Franciscus Gasthuis & Vlietland. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een brief van de psychologen A. Korpel en J.F. Flach van 11 april 2024 overgelegd. Over de lichamelijke klachten heeft appellant gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de klachten aan zijn armen, rugklachten, knieklachten, buikklachten en jichtaanvallen. Volgens appellant had een urenbeperking moeten worden aangenomen in verband met zijn schildklierproblematiek, hypertensie, vermoeidheidsklachten en een slechte nachtrust. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid op 14 februari 2022 en 1 juli 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. Medische beoordeling 5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Alle de door appellant naar voren gebrachte klachten, waaronder de buikklachten, rugklachten, knieklachten en tennisellebogen, waren bij de (verzekerings)artsen (bezwaar en beroep) bekend en met deze klachten is rekening gehouden in de FML van 21 april 2023. Niet gebleken is dat de belastbaarheid van appellant is onderschat. Appellant heeft zijn stelling dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld niet onderbouwd met nieuwe medische informatie. 5.3. Het feit dat het spreekuur van de primaire arts een jaar na het einde van de wachttijd heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel.