Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-11
ECLI:NL:CRVB:2026:294
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:294 text/xml public 2026-03-19T12:49:26 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-11 25/1015 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:294 text/html public 2026-03-19T12:28:13 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:294 Centrale Raad van Beroep , 11-03-2026 / 25/1015 WIA Geen toepassing 60-plusregeling bij toekenning WIA-uitkering aan werkneemster. Begrip einde wachttijd. Het betoog van appellante, dat het einde van de wachttijd als gevolg van het opleggen van een loonsanctie met 52 weken wordt opgeschoven, wordt niet gevolgd gelet op de duidelijke bewoordingen in artikel 23 van de WIA. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv de 60-plusregeling terecht niet heeft toegepast. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1015 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025, 23/3546 (aangevallen uitspraak) Partijen: Stichting [naam] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 11 maart 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht geen toepassing heeft gegeven aan de 60-plusregeling bij de toekenning van een WIA-uitkering aan werkneemster van appellante. Volgens appellante valt werkneemster onder de 60-plusregeling na de verlengde loondoorbetalingsperiode. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de 60-plusregeling terecht niet heeft toegepast. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is eigenrisicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [werkneemster] (werkneemster) heeft voor het laatst gewerkt als wijkziekenverzorgende voor 32 uur per week. Op 18 oktober 2019 heeft zij zich ziekgemeld. Werkneemster heeft op 22 juli 2021 een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd . Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het Uwv het tijdvak waarin werkneemster tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 14 oktober 2022 omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Bij beslissing op bezwaar van 23 september 2022 heeft het Uwv het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard. 1.2. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2022 aan werkneemster met ingang van 14 oktober 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. 1.3. Bij besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daaraan liggen de volgende overwegingen van de rechtbank ten grondslag. 2.1. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) heeft in 2022 de 60-plusregeling ingevoerd voor de 60-plussers die wachten op de beoordeling van hun aanvraag op grond van de Wet WIA. Bij de 60-plusregeling wordt onderscheid gemaakt tussen personen van onder de 60 jaar die het einde van de wachttijd bereiken en personen van 60 jaar en ouder. De minister heeft de keuze gemaakt om de doelgroep die gebruik kan maken van de 60-plusregeling af te bakenen tot 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd bereikten. Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt voor de verzekerde die aanspraak wil maken op een WIA-uitkering een wachttijd van 104 weken. 2.2. Werkneemster heeft op 14 oktober 2021 het einde van de wachttijd bereikt. Doordat appellante (nog) niet aan de re-integratieverplichtingen had voldaan, heeft het Uwv eerst een loonsanctie opgelegd aan appellante. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen grondslag is voor de stelling van appellante dat daarmee de wachttijd is verlengd. 2.3. De rechtbank heeft appellante niet in haar standpunt gevolgd dat werkneemster onder de reikwijdte van de 60-plusregeling valt en dat het Uwv deze op de aanvraag had moeten toepassen. Een ander oordeel zou betekenen dat door de tekortkoming van appellante in haar re-integratieverplichtingen de 60-plusregeling van toepassing zou zijn op werkneemster. Hierdoor zou appellante financieel voordeel behalen. De rechtbank acht dat een ongewenst neveneffect. Ook ten opzichte van vergelijkbare dossiers waarin een werkgever in de relevante periode wel aan de re-integratieverplichtingen had voldaan, zou dit voordeel niet te rechtvaardigen zijn. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daar het volgende tegen aangevoerd. 3.1. Volgens appellante heeft de rechtbank het begrip “einde wachttijd” ten onrechte beperkt tot het einde van de eerste 104 weken na de eerste ziektedag. De wachttijd kan volgens appellante een periode beslaan van 104 plus 52 weken (of korter). De werknemer moet – in sommige omstandigheden – immers zo lang wachten tot er eventueel voor het eerst een WIA-recht kan ontstaan. Dat de extra periode van 52 weken gekoppeld is aan een verlengde loondoorbetalingsverplichting maakt niet dat dit geen extra wachttijd is. Als het de bedoeling was geweest om de doelgroep 100% zeker te beperken in deze buitenwettelijke regeling dan had de eerste ziektedag als uitgangspunt moeten worden genomen. Nu dat blijkbaar niet is gebeurd, is daardoor een – zeer beperkte en wellicht onbedoelde – uitbreiding van de doelgroep ontstaan. 3.2. De rechtbank heeft verwezen naar een verslag van een commissiedebat van 7 december 2022, waarin staat dat gekozen is voor een bewuste afbakening op basis van datum. Het enige dat is vastgesteld, zowel in het debat als in de Handreiking maatregel vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling 60+, is dat om in aanmerking te komen voor de 60plusregeling de werknemer tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd moet bereiken en minstens 60 jaar moet zijn. Dat is niet in geschil. Maar wat het kenmerk van die datum in relatie tot einde wachttijd is, staat niet zodanig gespecificeerd als de rechtbank aanneemt. Daarnaast creëert de rechtbank verwarring door te citeren over claimbeoordelingen die al op de stapel lagen, terwijl dat niet over de wachttijd voor de WIA gaat maar over de wachttijd bij het Uwv. Appellante volgt ook niet waarom enkel rechtsongelijkheid binnen de 60-plusgroep benoemd wordt, omdat er ten opzichte van andere leeftijden sowieso rechtsongelijkheid wordt gecreëerd. Dat kan geen argument zijn. 3.3. Appellante meent ten slotte dat gelijke gevallen binnen dezelfde leeftijdscategorie ongelijk behandeld worden. De ene 60-plusser met een langere periode van arbeidsongeschiktheid krijgt een volle medisch inhoudelijke beoordeling en een andere, even oude, 60-plusser met een “normale” ziekteduur de vereenvoudigde beoordeling. En allebei op hetzelfde toetsingsmoment. Dit terwijl de 60-plusregeling bedoeld is voor 60plussers die doorgaans minder kans hebben op duurzaam herstel van hun aandoening en een lagere kans hebben om te re-integreren in arbeid. De 60-plusser met een verlengd loontijdvak is zelfs nog kansarmer op een succesvolle re-integratie. 3.4. De 60-plusregeling moet dus wat appellante betreft uitgaan van het feitelijke beoordelingsmoment en dat is aan het einde van de (verlengde) wachttijd. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:294 text/xml public 2026-04-01T14:54:02 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-11 25/1015 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:294 text/html public 2026-03-19T12:28:13 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:294 Centrale Raad van Beroep , 11-03-2026 / 25/1015 WIA Geen toepassing 60-plusregeling bij toekenning WIA-uitkering aan werkneemster. Begrip einde wachttijd. Het betoog van appellante, dat het einde van de wachttijd als gevolg van het opleggen van een loonsanctie met 52 weken wordt opgeschoven, wordt niet gevolgd gelet op de duidelijke bewoordingen in artikel 23 van de WIA. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv de 60-plusregeling terecht niet heeft toegepast. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1015 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025, 23/3546 (aangevallen uitspraak) Partijen: Stichting [naam] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 11 maart 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht geen toepassing heeft gegeven aan de 60-plusregeling bij de toekenning van een WIA-uitkering aan werkneemster van appellante. Volgens appellante valt werkneemster onder de 60-plusregeling na de verlengde loondoorbetalingsperiode. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de 60-plusregeling terecht niet heeft toegepast. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is eigenrisicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [werkneemster] (werkneemster) heeft voor het laatst gewerkt als wijkziekenverzorgende voor 32 uur per week. Op 18 oktober 2019 heeft zij zich ziekgemeld. Werkneemster heeft op 22 juli 2021 een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd . Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het Uwv het tijdvak waarin werkneemster tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 14 oktober 2022 omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Bij beslissing op bezwaar van 23 september 2022 heeft het Uwv het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard. 1.2. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2022 aan werkneemster met ingang van 14 oktober 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. 1.3. Bij besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daaraan liggen de volgende overwegingen van de rechtbank ten grondslag. 2.1. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) heeft in 2022 de 60-plusregeling ingevoerd voor de 60-plussers die wachten op de beoordeling van hun aanvraag op grond van de Wet WIA. Bij de 60-plusregeling wordt onderscheid gemaakt tussen personen van onder de 60 jaar die het einde van de wachttijd bereiken en personen van 60 jaar en ouder. De minister heeft de keuze gemaakt om de doelgroep die gebruik kan maken van de 60-plusregeling af te bakenen tot 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd bereikten. Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt voor de verzekerde die aanspraak wil maken op een WIA-uitkering een wachttijd van 104 weken. 2.2. Werkneemster heeft op 14 oktober 2021 het einde van de wachttijd bereikt. Doordat appellante (nog) niet aan de re-integratieverplichtingen had voldaan, heeft het Uwv eerst een loonsanctie opgelegd aan appellante. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen grondslag is voor de stelling van appellante dat daarmee de wachttijd is verlengd. 2.3. De rechtbank heeft appellante niet in haar standpunt gevolgd dat werkneemster onder de reikwijdte van de 60-plusregeling valt en dat het Uwv deze op de aanvraag had moeten toepassen. Een ander oordeel zou betekenen dat door de tekortkoming van appellante in haar re-integratieverplichtingen de 60-plusregeling van toepassing zou zijn op werkneemster. Hierdoor zou appellante financieel voordeel behalen. De rechtbank acht dat een ongewenst neveneffect. Ook ten opzichte van vergelijkbare dossiers waarin een werkgever in de relevante periode wel aan de re-integratieverplichtingen had voldaan, zou dit voordeel niet te rechtvaardigen zijn. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daar het volgende tegen aangevoerd. 3.1. Volgens appellante heeft de rechtbank het begrip “einde wachttijd” ten onrechte beperkt tot het einde van de eerste 104 weken na de eerste ziektedag. De wachttijd kan volgens appellante een periode beslaan van 104 plus 52 weken (of korter). De werknemer moet – in sommige omstandigheden – immers zo lang wachten tot er eventueel voor het eerst een WIA-recht kan ontstaan. Dat de extra periode van 52 weken gekoppeld is aan een verlengde loondoorbetalingsverplichting maakt niet dat dit geen extra wachttijd is. Als het de bedoeling was geweest om de doelgroep 100% zeker te beperken in deze buitenwettelijke regeling dan had de eerste ziektedag als uitgangspunt moeten worden genomen. Nu dat blijkbaar niet is gebeurd, is daardoor een – zeer beperkte en wellicht onbedoelde – uitbreiding van de doelgroep ontstaan. 3.2. De rechtbank heeft verwezen naar een verslag van een commissiedebat van 7 december 2022, waarin staat dat gekozen is voor een bewuste afbakening op basis van datum. Het enige dat is vastgesteld, zowel in het debat als in de Handreiking maatregel vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling 60+, is dat om in aanmerking te komen voor de 60plusregeling de werknemer tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd moet bereiken en minstens 60 jaar moet zijn. Dat is niet in geschil. Maar wat het kenmerk van die datum in relatie tot einde wachttijd is, staat niet zodanig gespecificeerd als de rechtbank aanneemt. Daarnaast creëert de rechtbank verwarring door te citeren over claimbeoordelingen die al op de stapel lagen, terwijl dat niet over de wachttijd voor de WIA gaat maar over de wachttijd bij het Uwv. Appellante volgt ook niet waarom enkel rechtsongelijkheid binnen de 60-plusgroep benoemd wordt, omdat er ten opzichte van andere leeftijden sowieso rechtsongelijkheid wordt gecreëerd. Dat kan geen argument zijn. 3.3. Appellante meent ten slotte dat gelijke gevallen binnen dezelfde leeftijdscategorie ongelijk behandeld worden. De ene 60-plusser met een langere periode van arbeidsongeschiktheid krijgt een volle medisch inhoudelijke beoordeling en een andere, even oude, 60-plusser met een “normale” ziekteduur de vereenvoudigde beoordeling. En allebei op hetzelfde toetsingsmoment. Dit terwijl de 60-plusregeling bedoeld is voor 60plussers die doorgaans minder kans hebben op duurzaam herstel van hun aandoening en een lagere kans hebben om te re-integreren in arbeid. De 60-plusser met een verlengd loontijdvak is zelfs nog kansarmer op een succesvolle re-integratie. 3.4. De 60-plusregeling moet dus wat appellante betreft uitgaan van het feitelijke beoordelingsmoment en dat is aan het einde van de (verlengde) wachttijd. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5.
Volledig
De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit over de toekenning van de WIA-uitkering aan werkneemster zonder toepassing van de 60-plusregeling terecht in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. Met de Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder inzet verzekeringsarts (hierna: 60-plusregeling) heeft de minister in een brief van 26 augustus 2022 aan de Tweede Kamer een van de Wet WIA afwijkende beoordeling van WIA-aanvragen (claimbeoordelingen) aangekondigd over een periode van 1 oktober 2022 tot (destijds gesteld) eind 2023. Deze tijdelijk van de wet afwijkende beoordeling is bedoeld voor 60plussers die een WIA-beoordeling aanvragen. De 60-plusregeling is buitenwettelijk (begunstigend) beleid. Ter zitting is namens appellant bevestigd dat de 60-plusregeling op zichzelf niet wordt bestreden. Partijen zijn verdeeld over de voorwaarden voor de toepassing van deze beleidsregel. 5.2. Aan appellante kan worden toegegeven dat in de 60-plusregeling, als zodanig aangekondigd en toegelicht in de onder 5.1 genoemde brief van 26 augustus 2022 van de minister, de term “einde wachttijd” niet is genoemd of gespecificeerd. De rechtbank heeft daarvoor terecht aansluiting gezocht bij het onder 3.2 genoemde verslag van een commissiedebat van 7 december 2022. Daarin heeft de minister toegelicht dat de doelgroep van de 60-plusregeling is: alle 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd bereiken. De afbakening van deze doelgroep is bevestigd in een brief van de minister van 28 april 2023. Gelet op artikel 23 van de WIA gaat het dus om de groep 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 een wachttijd van 104 weken hebben bereikt sinds de eerste werkdag waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt. Niet in geschil is dat werkneemster op 18 oktober 2019 wegens ziekte is uitgevallen voor haar werkzaamheden en dat zij op 14 oktober 2021 onafgebroken gedurende 104 weken ziek is geweest. Zij heeft dus op 14 oktober 2021 het einde van haar wachttijd bereikt en toen was de 60-plusregeling nog niet in werking getreden. 5.3. Het betoog van appellante, dat het einde van de wachttijd als gevolg van het opleggen van een loonsanctie met 52 weken wordt opgeschoven, wordt niet gevolgd gelet op de duidelijke bewoordingen in artikel 23 van de WIA. Ter aanvulling hierop wordt het volgende opgemerkt. In artikel 43, onder b, van de Wet WIA is bepaald dat de loonsanctie een uitsluitingsgrond is en in artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA is als voorwaarde voor het recht op een WGA-uitkering onder meer gesteld dat de verzekerde de wachttijd (van 104 weken) heeft doorlopen en dat geen uitsluitingsgrond van toepassing is. De laatste dag van de wachttijd blijft dus staan tijdens de duur van een uitsluitingsgrond. Ook hierin wordt steun gevonden voor het oordeel dat het betoog van appellante niet slaagt. 5.4. Het betoog van appellante dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen wordt evenmin gevolgd. Immers krijgen alle arbeidsongeschikte werknemers van 60 jaar en ouder die gedurende het tijdvak van de 60-plusregeling het einde van de wachttijd bereiken een vereenvoudigde claimbeoordeling als werknemer en werkgever daarmee instemmen. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering zonder toepassing van de 60-plusregeling in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) D. Semiz Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels Artikel 23 van de Wet WIA 1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken. 2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. (…) Artikel 43, onder b, van de Wet WIA Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden: (…) b. het nog niet geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 629, elfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…). Artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien a. hij de wachttijd heeft doorlopen; b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder inzet verzekeringsarts (60-plusregeling – aankondiging en toelichting) Voor 60-plussers die wachten op hun WIA-claimbeoordeling wil ik tijdelijk, tot eind 2023 , mogelijk maken dat UWV deze beoordeling op andere wijze en door andere professionals dan de verzekeringsarts laat uitvoeren. (…) De vereenvoudigde aanpak voor 60-plussers bij de WIA-claimbeoordeling houdt in dat de arbeidsdeskundige bepaalt, mits werkgever en werknemer akkoord zijn met de werkwijze, en op basis van reeds beschikbare informatie, of een oordeel van de verzekeringsarts noodzakelijk is. In veel gevallen betekent dit dat mensen niet door een verzekeringsarts gezien hoeven te worden. (…) Om ook werkgevers niet te benadelen, worden de uitkeringen die zijn toegekend op basis van een vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling, in afwijking van de wet, niet aan publiek verzekerde werkgevers toegerekend via de Whk-premie en niet aan eigenrisicodragende werkgevers doorbelast. Doelgroep 60+ Het doel met deze maatregel is capaciteit van verzekeringsartsen vrij te spelen, zodat die capaciteit ingezet kan worden daar waar die optimaal bijdraagt aan het stimuleren van werkhervatting. Dat levert in algemene zin een positieve bijdrage aan het terugdringen van de tijd dat mensen moeten wachten op een beoordeling. Er wordt bij deze maatregel onderscheid gemaakt tussen personen van onder de 60 jaar die een WIA-beoordeling aanvragen, en personen van 60 jaar en ouder. Voor 60-plussers wordt tijdelijk een vereenvoudigde beoordeling gehanteerd (zie hieronder hoe die vereenvoudigde toetsing eruit ziet). Dit verschil in behandeling wordt gemaakt omdat voor 60-plussers geldt dat hun werkhervattingskans in de huidige praktijk, in vergelijking tot jongere WIAuitkeringsgerechtigden, achterblijft, en bovendien voor hen het type WGA-uitkering beperkt effect heeft op hun werkhervattingskansen. Daarbij is er in de loongerelateerde fase, die voor mensen met een lang arbeidsverleden relatief lang is, geen verschil in hoogte van de uitkering tussen gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid. Overigens behouden 60plussers de mogelijkheid om te kiezen voor een reguliere toetsing als dat hun voorkeur heeft. Met deze overwegingen acht ik het leeftijdsonderscheid gerechtvaardigd. Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling Huidige wettelijk kader Op grond van de wet volgt, na de toetsing of voldoende re-integratieinspanningen zijn verricht (RIV-toets) in de voorafgaande periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid, altijd een sociaal-medische beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts stelt als onderdeel van de beoordeling vast wat iemand fysiek en mentaal nog kan. De arbeidsdeskundige bekijkt vervolgens wat diegene nog kan verdienen. Op basis daarvan wordt het arbeidsgeschiktheidspercentage berekend.
Volledig
De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit over de toekenning van de WIA-uitkering aan werkneemster zonder toepassing van de 60-plusregeling terecht in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. Met de Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder inzet verzekeringsarts (hierna: 60-plusregeling) heeft de minister in een brief van 26 augustus 2022 aan de Tweede Kamer een van de Wet WIA afwijkende beoordeling van WIA-aanvragen (claimbeoordelingen) aangekondigd over een periode van 1 oktober 2022 tot (destijds gesteld) eind 2023. Deze tijdelijk van de wet afwijkende beoordeling is bedoeld voor 60plussers die een WIA-beoordeling aanvragen. De 60-plusregeling is buitenwettelijk (begunstigend) beleid. Ter zitting is namens appellant bevestigd dat de 60-plusregeling op zichzelf niet wordt bestreden. Partijen zijn verdeeld over de voorwaarden voor de toepassing van deze beleidsregel. 5.2. Aan appellante kan worden toegegeven dat in de 60-plusregeling, als zodanig aangekondigd en toegelicht in de onder 5.1 genoemde brief van 26 augustus 2022 van de minister, de term “einde wachttijd” niet is genoemd of gespecificeerd. De rechtbank heeft daarvoor terecht aansluiting gezocht bij het onder 3.2 genoemde verslag van een commissiedebat van 7 december 2022. Daarin heeft de minister toegelicht dat de doelgroep van de 60-plusregeling is: alle 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 het einde van de wachttijd bereiken. De afbakening van deze doelgroep is bevestigd in een brief van de minister van 28 april 2023. Gelet op artikel 23 van de WIA gaat het dus om de groep 60-plussers die tussen 1 oktober 2022 en 31 december 2024 een wachttijd van 104 weken hebben bereikt sinds de eerste werkdag waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt. Niet in geschil is dat werkneemster op 18 oktober 2019 wegens ziekte is uitgevallen voor haar werkzaamheden en dat zij op 14 oktober 2021 onafgebroken gedurende 104 weken ziek is geweest. Zij heeft dus op 14 oktober 2021 het einde van haar wachttijd bereikt en toen was de 60-plusregeling nog niet in werking getreden. 5.3. Het betoog van appellante, dat het einde van de wachttijd als gevolg van het opleggen van een loonsanctie met 52 weken wordt opgeschoven, wordt niet gevolgd gelet op de duidelijke bewoordingen in artikel 23 van de WIA. Ter aanvulling hierop wordt het volgende opgemerkt. In artikel 43, onder b, van de Wet WIA is bepaald dat de loonsanctie een uitsluitingsgrond is en in artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA is als voorwaarde voor het recht op een WGA-uitkering onder meer gesteld dat de verzekerde de wachttijd (van 104 weken) heeft doorlopen en dat geen uitsluitingsgrond van toepassing is. De laatste dag van de wachttijd blijft dus staan tijdens de duur van een uitsluitingsgrond. Ook hierin wordt steun gevonden voor het oordeel dat het betoog van appellante niet slaagt. 5.4. Het betoog van appellante dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen wordt evenmin gevolgd. Immers krijgen alle arbeidsongeschikte werknemers van 60 jaar en ouder die gedurende het tijdvak van de 60-plusregeling het einde van de wachttijd bereiken een vereenvoudigde claimbeoordeling als werknemer en werkgever daarmee instemmen. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering zonder toepassing van de 60-plusregeling in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) D. Semiz Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels Artikel 23 van de Wet WIA 1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken. 2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. (…) Artikel 43, onder b, van de Wet WIA Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden: (…) b. het nog niet geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 629, elfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…). Artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien a. hij de wachttijd heeft doorlopen; b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder inzet verzekeringsarts (60-plusregeling – aankondiging en toelichting) Voor 60-plussers die wachten op hun WIA-claimbeoordeling wil ik tijdelijk, tot eind 2023 , mogelijk maken dat UWV deze beoordeling op andere wijze en door andere professionals dan de verzekeringsarts laat uitvoeren. (…) De vereenvoudigde aanpak voor 60-plussers bij de WIA-claimbeoordeling houdt in dat de arbeidsdeskundige bepaalt, mits werkgever en werknemer akkoord zijn met de werkwijze, en op basis van reeds beschikbare informatie, of een oordeel van de verzekeringsarts noodzakelijk is. In veel gevallen betekent dit dat mensen niet door een verzekeringsarts gezien hoeven te worden. (…) Om ook werkgevers niet te benadelen, worden de uitkeringen die zijn toegekend op basis van een vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling, in afwijking van de wet, niet aan publiek verzekerde werkgevers toegerekend via de Whk-premie en niet aan eigenrisicodragende werkgevers doorbelast. Doelgroep 60+ Het doel met deze maatregel is capaciteit van verzekeringsartsen vrij te spelen, zodat die capaciteit ingezet kan worden daar waar die optimaal bijdraagt aan het stimuleren van werkhervatting. Dat levert in algemene zin een positieve bijdrage aan het terugdringen van de tijd dat mensen moeten wachten op een beoordeling. Er wordt bij deze maatregel onderscheid gemaakt tussen personen van onder de 60 jaar die een WIA-beoordeling aanvragen, en personen van 60 jaar en ouder. Voor 60-plussers wordt tijdelijk een vereenvoudigde beoordeling gehanteerd (zie hieronder hoe die vereenvoudigde toetsing eruit ziet). Dit verschil in behandeling wordt gemaakt omdat voor 60-plussers geldt dat hun werkhervattingskans in de huidige praktijk, in vergelijking tot jongere WIAuitkeringsgerechtigden, achterblijft, en bovendien voor hen het type WGA-uitkering beperkt effect heeft op hun werkhervattingskansen. Daarbij is er in de loongerelateerde fase, die voor mensen met een lang arbeidsverleden relatief lang is, geen verschil in hoogte van de uitkering tussen gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid. Overigens behouden 60plussers de mogelijkheid om te kiezen voor een reguliere toetsing als dat hun voorkeur heeft. Met deze overwegingen acht ik het leeftijdsonderscheid gerechtvaardigd. Vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling Huidige wettelijk kader Op grond van de wet volgt, na de toetsing of voldoende re-integratieinspanningen zijn verricht (RIV-toets) in de voorafgaande periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid, altijd een sociaal-medische beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts stelt als onderdeel van de beoordeling vast wat iemand fysiek en mentaal nog kan. De arbeidsdeskundige bekijkt vervolgens wat diegene nog kan verdienen. Op basis daarvan wordt het arbeidsgeschiktheidspercentage berekend.