Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-26
ECLI:NL:CRVB:2026:290
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,023 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:290 text/xml public 2026-04-01T15:47:00 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-26 25/791 BABW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:290 text/html public 2026-03-16T14:06:30 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:290 Centrale Raad van Beroep , 26-02-2026 / 25/791 BABW Aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken – na bezwaar van omwonenden – alsnog afgewezen. Terecht geoordeeld dat appellant een eigen parkeerplaats vóór zijn garage heeft en dat de beroepsgrond dat appellant onvoldoende manoeuvreerruimte heeft om zijn Tesla op eigen terrein te kunnen parkeren, niet slaagt. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/791 BABW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2025, 24/3445 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats 1] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college) Datum uitspraak: 26 februari 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellant voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken – na bezwaar van omwonenden – alsnog terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.A. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom en mr. L. Dekker. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren in 1966, beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder. Op 20 december 2023 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken nabij zijn woning te [woonplaats 2] . Daarin heeft hij aangegeven niet in het bezit te zijn van een carport, garage of parkeerplaats op eigen terrein. 1.2. Het college heeft, na medisch advies te hebben ingewonnen bij Argonaut, de aanvraag bij besluit van 7 februari 2024 ingewilligd. Vervolgens is op 15 februari 2024 in het Gemeenteblad het besluit tot het vaststellen van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken (dubbel) gepubliceerd. 1.3. Tegen dit besluit hebben omwonenden bezwaar gemaakt. Aangevoerd is onder meer dat appellant beschikt over een eigen garage met een stuk grond waar de auto kan staan op ongeveer twintig meter afstand van de woning. Appellant heeft twee auto’s, te weten een Tesla en een Ford. Een van beide kan hij parkeren op eigen terrein. 1.4. Appellant heeft daarop onder meer aangevoerd dat hij zijn garage verhuurt omdat deze te krap is voor het parkeren van zijn voertuigen. Het staat hem vrij om een andere bestemming aan deze ruimte te geven. Het parkeervak op eigen terrein – grond vóór de garage – is moeilijk bereikbaar. 1.5. Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college opnieuw beoordeeld of appellant in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerplaats. Bij besluit van 17 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2024 herroepen en de aanvraag van appellant om aanwijzing van een gehandicaptenparkeerplaats nabij zijn woning alsnog afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de beschikking heeft over een parkeermogelijkheid op eigen terrein. Volgens het beleid is appellant erop aangewezen om zijn voertuig op het eigen terrein te parkeren. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college in afwijking van het beleid tot toekenning van de gehandicaptenparkeerplaats had moeten overgaan. De enkele stelling dat de auto niet geparkeerd kan worden vanwege de grootte van de auto, is niet voldoende om te kunnen worden gekwalificeerd als een bijzondere omstandigheid. De reden dat appellant deze auto rijdt, houdt geen verband met zijn beperkingen. Een kleinere auto zou geparkeerd kunnen worden op het stuk grond voor de garage of mogelijk in de garage. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn eigen terrein niet geschikt is als parkeerplaats. 1.6. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft hij een notitie overgelegd van 24 juni 2024 van [X], sr. adviseur Verkeer, Mobiliteit en Parkeren van Prana Consult. Het college heeft daarop een rijcurve laten uitvoeren door Stadswerk072 en daaruit geconcludeerd dat de Tesla kan worden geparkeerd voor of in de garage. Hierop is van de zijde van de door appellant geraadpleegde deskundige gereageerd met een nadere notitie van 7 januari 2025. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant op de zitting heeft erkend dat de Tesla op het terrein vóór de garage geparkeerd kan worden, hoewel dit lastig is. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt, indien appellant voldoende voorzichtigheid betracht bij het in- en uitrijden. Het is volgens het college niet verboden om met de auto door de steeg te rijden. Het bord ‘doodlopende weg’ aan het begin van de steeg is geplaatst omdat niet zonder steken in één keer door de steeg gereden kan worden. Echter, voor het parkeren van de auto is het mogelijk om via de ene kant van de steeg erin te rijden, de auto te parkeren en via de andere kant eruit te rijden. Dit maakt dat het niet onveilig is om de auto hier te parkeren omdat er dan vooruit ingereden en vooruit uitgereden kan worden. Het bezitten van een grote auto is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten in de gemeente Alkmaar. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer bepaalt dat de plaatsing van het bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats), als bedoeld in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, krachtens een verkeersbesluit moet geschieden. 4.2. Het college hanteert bij de uitvoering van zijn bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen over gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken, de Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten in de gemeente Alkmaar (beleid). Deze bepalen, voor zover hier van belang, het volgende. Gekeken wordt of de aanvrager de beschikking heeft over parkeergelegenheid op eigen terrein. Als dit het geval is, wordt de gehandicaptenparkeerplaats niet toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit toch rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van voldoende manoeuvreerruimte, indien nodig. 4.3. Het criterium om geen gehandicaptenparkeerplaats toe te kennen indien een geschikte eigen parkeerplaats aanwezig is, is volgens vaste rechtspraak van de Raad, niet onredelijk. 4.4. Niet in geschil is dat appellant een eigen parkeerplaats vóór zijn garage heeft. Appellant heeft aangevoerd dat deze parkeerplaats niet geschikt is omdat hij onvoldoende manoeuvreerruimte heeft en de verkeersveiligheid in geding is. Daarmee doet appellant een beroep op de in het beleid bedoelde bijzondere omstandigheden. Aangezien dit een uitzonderingsclausule betreft, ligt het op de weg van degene die zich daarop beroept om te onderbouwen dat hiervan sprake is. 4.5.