Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-19
ECLI:NL:CRVB:2026:287
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,989 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:287 text/xml public 2026-03-20T10:05:16 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-19 24/282 WSF Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl RSV 2026/63 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:287 text/html public 2026-03-17T16:40:13 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:287 Centrale Raad van Beroep , 19-02-2026 / 24/282 WSF Afwijzing aanvraag studiefinanciering. Appellant heeft gedurende de maanden januari en februari 2022 niet gewerkt en wordt daarom niet als migrerend werknemer aangemerkt. 24/282 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/282 WSF Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2023, 23/2818 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 19 februari 2026 Datum uitspraak: 17 juli 2025 SAMENVATTING Appellant heeft de eerste twee maanden van 2022 vakantie genoten. Volgens hem moet hij in die maanden wel worden beschouwd als migrerend werknemer. Hij meent dat hij zijn status van werknemer heeft behouden omdat hij ook in december 2021 werknemer was. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat hij gemiddeld over het hele jaar 2022 voldoende heeft verdiend om als werknemer te worden aangemerkt. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in de eerste twee maanden van het jaar niet kan worden beschouwd als werknemer. De Raad bevestigt dat oordeel in deze uitspraak. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Appellant en mr. Folsche zijn niet verschenen. Namens de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft de Litouwse nationaliteit. Hij heeft op 12 juni 2022 een aanvraag studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ingediend voor de periode vanaf 1 september 2021, in de vorm van een aanvullende beurs, en voor de periode vanaf 1 juli 2022 ook in de vorm van een reisvoorziening. 1.2. Met een tweetal besluiten van 3 oktober 2022 heeft de minister daarop beslist. Uit de besluiten volgt dat de aanvraag (nog) niet wordt toegewezen. 1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.2 bedoelde besluiten, voor zover die betrekking hebben op de periode september 2021 tot en met september 2022. Met een besluit van 6 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en gedeeltelijk ongegrond. De minister heeft daarbij alsnog studiefinanciering toegekend over de maanden maart, april en juni 2022. De uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, zover hier nog van belang, overwogen dat niet in geschil is dat appellant in de maanden januari en februari van 2022 niet heeft gewerkt. Uit de Beleidsregel die de minister hanteert volgt dat bij het vaststellen van het gemiddeld aantal gewerkte uren tot een hoogte van één maand rekening wordt gehouden met vakanties en eventuele ziekte. De rechtbank heeft overwogen dat uit het verweerschrift blijkt dat de minister voor het jaar 2022 al rekening heeft gehouden met een maand vakantie. Voor wat betreft de periode van maart tot en met juli 2022 is immers niet per maand bezien of aan de urennorm is voldaan, maar is gekeken naar het gemiddelde over die periode en daarbij is rekening gehouden met een maand vakantie of ziekte. Daar komt bij de onweersproken verklaring van de minister ter zitting dat appellant in de maand december 2021 slechts vier uren heeft gewerkt. Dit betekent dat appellant gedurende een aaneengesloten periode van (niet één maar) ruim twee maanden in het geheel niet heeft gewerkt. De standpunten van partijen 3.1. Appellant heeft het geschil in hoger beroep beperkt tot de maanden januari en februari 2022 en voert – samengevat – aan dat hij in die maanden wel moet worden beschouwd als migrerend werknemer en dat hij recht had op studiefinanciering. In deze periode had appellant geen onderwijsverplichtingen en is hij op vakantie geweest. In maart heeft hij zijn werkzaamheden bij dezelfde werkgever weer voortgezet. Dit alles op basis van dezelfde oproepovereenkomst. Appellant is daarom niet werkloos geweest, doch is slechts enige tijd niet opgeroepen voor werk, een situatie vergelijkbaar met onbetaald verlof. Appellant meent dat hij, mede gelet op de beperkte duur van de onderbreking van zijn werkzaamheden, zijn status als migrerend werknemer in deze maanden niet verloren is. Appellant heeft daarnaast gesteld dat hij ingevolge de beleidsregel voldoet aan de inkomensnorm wanneer wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen. Het uitgangspunt van de minister dat in iedere maand werkzaamheden moeten worden verricht en dat een migrerend werknemer slechts één maand per kalenderjaar niet mag werken wegens vakantie, verlof of ziekte volgt volgens appellant niet uit de door de minister gehanteerde beleidsregel. Deze veronderstelling spoort bovendien niet met de systematiek van de beleidsregel, waarin het gemiddelde inkomen juist centraal staat zonder specifieke randvoorwaarden. Appellant heeft zich in dit verband beroepen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2025. Ook daar ging het om twee maanden inactiviteit wegens vakantie, terwijl betrokkene beschikte over een lopend arbeidscontract. Volgens appellant heeft de minister tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Appellant wenst op gelijke wijze te worden behandeld als de student in die zaak. Nu sprake is van een vergelijkbaar geval, en de minister in de zaak van appellant evenmin betwist dat aan de inkomensnorm wordt voldaan, maakt appellant aanspraak op studiefinanciering op grond van dezelfde toepassing van zijn beleid. Dat in de aangehaalde procedure de beoordeling plaatsvond op basis van de urennorm, maakt dit niet anders: beide normen vloeien voort uit hetzelfde beleid en zijn niet cumulatief. 3.2. De minister heeft zich, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, op het standpunt gesteld dat appellant over de maanden waarin hij in het geheel niet heeft gewerkt, niet kan worden beschouwd als migrerend werknemer. In die maanden heeft hij geen recht op studiefinanciering. Het oordeel van de Raad 4.1. De wettelijke bepalingen die voor deze zaak van belang zijn, staan opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of appellant recht heeft op studiefinanciering in de maanden januari en februari 2022, omdat hij in die maanden aan te merken zou zijn als migrerend werknemer. 4.3. Voor het aannemen van migrerend werknemerschap moet sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig van aard zijn. Voor de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van werknemerschap in de zin van artikel 45 van het VWEU , en het in dit kader door de minister gevoerde beleid, dat met enige aanvulling door de Raad is geaccepteerd, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 14 april 2023 en 13 juni 2024. Bij de beoordeling van het werknemerschap gaat de minister uit van het gemiddeld aantal gewerkte uren (of inkomsten) over de zogenoemde controleperiode. De student heeft volgens de minister de status van migrerend werknemer als deze in die periode gemiddeld 32 uur of meer per maand werkt (waarbij tot een hoogte van één maand rekening kan worden gehouden met ziekte of vakantie) of, als niet aan dit urencriterium wordt voldaan, de student gemiddeld minstens 24 uur per maand werkt gedurende minimaal zes maanden. Dat laatste is een categorale invulling van de vereiste beoordeling van de individuele omstandigheden van een zaak. Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan wordt in beginsel aangenomen dat geen sprake is van migrerend werknemerschap. In individuele gevallen kan een uitzondering worden gemaakt, waarvoor de bewijslast rust bij de student.
Volledig
Deze beleidsregel wordt ook voor zaken als de voorliggende gehanteerd. 4.4. Appellant heeft voor het gehele jaar 2022 studiefinanciering aangevraagd, zodat de controleperiode het kalenderjaar 2022 is. In dat jaar heeft appellant ten minste drie maanden geen werkzaamheden verricht en hij heeft ook niet zes maanden aangesloten gewerkt. 4.5.1. Het betoog van appellant dat hij over de maanden januari en februari 2022 de status van migrerend werknemer heeft behouden, wordt niet gevolgd. Zoals volgt uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, is bij een onderbreking van het verrichten van werkzaamheden op basis van een oproepovereenkomst gedurende een periode die twee maanden (of langer) duurt, voor behoud van werknemerschap in ieder geval vereist dat de student in die periode naar werk heeft gezocht en bereidwillig was om te werken. Appellant heeft aangegeven dat hij in overleg met zijn werkgever niet is opgeroepen in januari en februari 2022. Hij had in deze periode geen onderwijsverplichtingen en is op vakantie geweest, aldus appellant. Hij was dus niet onvrijwillig werkloos en ook niet ingeschreven als werkzoekende, zoals aan de orde in de uitspraak van de Raad van 17 juli 2025. 4.5.2. Ook het betoog van appellant dat hij gemiddeld over het controletijdvak voldoende inkomsten heeft genoten om in januari en februari 2022 te worden aangemerkt als migrerend werknemer, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat het verwerven van inkomsten en het verrichten van werkzaamheden niet los van elkaar kunnen worden gezien. Een (taalkundig) logische en ook redelijke uitleg van het beleid brengt mee dat ook bij inkomsten die in een controletijdvak gemiddeld boven de norm liggen van 50% van de voor de student geldende bijstandsnorm, in beginsel sprake zal moeten zijn van het maandelijks verrichten van werkzaamheden, met uitzondering van de maand ziekte of vakantie, als bedoeld in het beleid. Inkomsten boven die norm brengen niet mee, net zo min als een groot aantal gewerkte uren in een korte periode, dat de student als gevolg daarvan in meer dan een maand van de controleperiode geen werkzaamheden zou hoeven te verrichten om zijn recht op studiefinanciering zonder meer ‘veilig te stellen’. Migrerend werknemerschap eist immers reële en daadwerkelijk verrichte arbeid. 4.5.3. Zoals de minister ter zitting heeft bevestigd, gaat het er bij de beoordeling van de individuele omstandigheden als bedoeld onder 4.3 om dat in minimaal zes maanden in een aangesloten tijdvak moet zijn gewerkt. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheden. Appellant heeft, zoals gezegd, in het controletijdvak geen zes maanden aaneengesloten gewerkt. Hij heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister bij de beoordeling had moeten betrekken. 4.5.4. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland leidt niet tot een andere conclusie. De Raad wijst erop dat, anders dan appellant heeft verondersteld, tegen de uitspraak van de rechtbank wel hoger beroep is ingesteld. Conclusie en gevolgen 4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5. Omdat appellant geen gelijk krijgt, hoeft de minister geen vergoeding te betalen voor de proceskosten en het griffierrecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026 (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) S. Ploum Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 45 van het VWEU 1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij. 2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Artikel 7, eerste en derde lid, van de Richtlijn 2004/38/EG 1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven: a. indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is, of b. indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, (…). (…) 3. Voor de toepassing van lid 1, onder a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige: a. hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt; b. hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven; c. hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden; d. hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding. Artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG 1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten. 2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden. Artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die: a. (…); b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of c. (…). 2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming. Wet studiefinanciering 2000. ECLI:NL:RBMNE:2025:3268. Uitspraak van 24 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6849. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering, nr. HO&S/1532615, Staatscourant 2024, nr. 14868. ECLI:NL:CRVB:2023:700 en ECLI: NL:CRVB:2024:1203. Zie CRvB 14 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:700. ECLI:NL:CRVB:2024:423. ECLI:NL:CRVB:2025:1137.