Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-05
ECLI:NL:CRVB:2026:285
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/572 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2022, 21/5843 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 5 maart 2026 SAMENVATTING Appellante is het niet eens met de hoogte en de ingangsdatum van het toegekende AOWpensioen. Appellante vindt dat zij recht heeft op een pensioen voor een ongehuwde en is het niet eens met verhoging van de pensioenleeftijd en de verschuiving van de aanvangsdatum van de AOW-verzekering. De Raad is het eens met de rechtbank dat appellante geen recht heeft op een hoger of eerder ingaand AOW-pensioen. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante, geboren in 1954, woont in België. Zij heeft in 2019 in België een ouderdomspensioen aangevraagd. Dat is haar ook toegekend met ingang van 29 juli 2019, toen appellante 65 jaar werd. Na een melding op 8 oktober 2020 heeft de Svb met een besluit van 16 juni 2021 aan appellante met ingang van 29 november 2020 een AOW pensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend. Daarop is een korting toegepast van 44% voor 22 niet verzekerde jaren. 1.2. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 22 oktober 2021 gebleven bij de toekenning van een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde met de korting van 44%. Daar heeft de Svb aan ten grondslag gelegd dat appellante vanaf november 2020 niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Dat heeft de Svb in 2018 al eens vastgesteld. Sindsdien zijn de verhoudingen volgens de Svb niet gewijzigd. Appellante treedt nog steeds op als mantelzorger voor haar partner, heeft elke week contact met hem, doet de (financiële) administratie, verzorgt hem bij ziekte, heeft de sleutel van zijn woning en doet in noodgevallen de boodschappen. De korting van 44% op het maximale pensioen is ook terecht. Vanwege de gefaseerde verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is appellante pas per 29 november 1970 begonnen met opbouwen van AOW, en niet per 29 juli 1969, zoals door appellante bepleit. Dit betekent dat zij recht heeft op een AOW-pensioen van 56% van het maximale bedrag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante en haar echtgenoot vanaf 29 november 2020 niet duurzaam gescheiden leven. Volgens de rechtbank is de situatie niet veel veranderd ten opzichte van de situatie in 2018, waarover de Raad oordeelde dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. De verleende hulp is niet wezenlijk gewijzigd. Het feit dat de gezondheid van de echtgenoot achteruit is gegaan, duidt er niet op dat appellante minder hulp zou verlenen. Daarbij maakt het volgens de rechtbank minder uit of de verleende hulp al dan niet mantelzorg wordt genoemd. De artikelen 8, 12 en 14 van het EVRM zijn niet geschonden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning vanaf 29 november 2020 van een AOW-pensioen voor gehuwden in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad kom In vaste rechtspraak, in navolging van het EHRM , is de verschillende behandeling van gehuwden en ongehuwden in een situatie zoals die van appellante toelaatbaar geacht omdat de situatie van ongehuwd samenwonenden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft, niet gelijk is aan de situatie van gehuwden. Staten hebben een ruime vrijheid om aan een huwelijk sociaalzekerheidsrechtelijke gevolgen te verbinden. 4.3.8. Het beroep van appellante op artikel 12 van het EVRM slaagt eveneens niet. Die bepaling waarborgt het recht om te huwen. Daaraan kunnen sociale en juridische gevolgen verbonden zijn; dit grondrecht mag onderworpen worden aan nationale wetten maar het recht om te huwen mag in zijn kern niet worden aangetast. Gesteld noch gebleken is dat dat in het geval van appellante aan de orde is. Voor wat betreft de in haar ogen onterechte verschillen in behandeling wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. 4.3.9. Appellante heeft gemeld het niet eens te zijn met de huidige regeling op het gebied van leefvormen en verwezen naar het Eindrapport “Verkenning leefvormen in de AOW.” In reactie daarop wijst de Raad op wat is overwogen in de uitspraak van 23 december 2021. Er is weliswaar bij de wetgever aandacht voor de verschillende leefvormen binnen de AOW maar het door appellante aangehaalde eindrapport heeft niet tot enige standpuntbepaling of voorgenomen wetswijziging geleid. Eerder oordeelde de Raad dat het onder deze omstandigheden niet aan de rechter is om hierop vooruit te lopen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 januari 2026 (24/2395) wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is daarover thans anders te oordelen. De ingangsdatum van het AOW-pensioen en aanvangsleeftijd van de verzekering 4.4.1. Appellante is het niet eens met de ingangsdatum van het AOW-pensioen en de verschuiving van de aanvangsleeftijd van de verzekering voor de AOW. Appellante doet een beroep op artikel 1 van het EP en stelt dat zij geen gelegenheid heeft gehad om maatregelen te nemen om de gevolgen op te vangen van verhoging van de pensioenleeftijd en verschuiving van de aanvangsleeftijd. 4.4.2. Op 1 januari 2013 is artikel 7a van de AOW in werking getreden. De in dit artikel opgenomen wettelijke regeling voorziet in een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw. Over de vraag of toepassing van artikel 7a van de AOW verenigbaar is met het recht op bescherming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het EP heeft de Raad bij uitspraak van 25 november 2016 overwogen dat met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daaruit volgende verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw sprake is van een inmenging in een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het EP. De Raad heeft deze inmenging in het algemeen proportioneel geacht, zodat zij in de regel niet leidt tot een schending van artikel 1 van het EP. Dit neemt niet weg dat toepassing van artikel 7a van de AOW in individuele, concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en daardoor tot een schending van artikel 1 van het EP. 4.4.3. Toepassing van artikel 7a van de AOW heeft ertoe geleid dat appellante van 29 juli 2019 tot 29 november 2020 niet in aanmerking kwam voor een AOW pensioen. Verder heeft toepassing van artikel 7a van de AOW ertoe geleid dat voor appellante de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw is verschoven van 29 juli 1969 naar 29 november 1970 en dat de aanvankelijk over 29 juli 1969 tot 29 november 1970 opgebouwde verzekerde tijdvakken niet in het AOW-pensioen zijn gehonoreerd. 4.4.4. De Raad is het eens met de Svb dat aan de hand van de beschikbare gegevens niet aannemelijk is dat appellante onevenredig zwaar wordt getroffen door onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW. Buiten kijf staat dat de verschuiving van de aanva De overschrijding is daarom geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1,000,-. Conclusie en gevolgen 5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat toekenning vanaf 29 november 2020 van een AOW-pensioen voor een gehuwde in stand blijft. 6. Nu het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor het door haar betaalde griffierecht. Het is verder vaste rechtspraak dat indien een verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen, alleen de proceskosten die samenhangen met het indienen van dat verzoek worden vergoed. Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.V. Lenos als voorzitter en mr. A. Hoogenboom en mr. J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) S. Ploum Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip duurzaam gescheiden leven of het begrip verzekerde. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene Ouderdomswet Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Artikel 7a, eerste lid, eerste volzin De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn: (…) in 2020: 66 jaar en vier maanden, respectievelijk 16 jaar en vier maanden; (…). Artikel 9, eerste lid Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. Artikel 13, eerste lid Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest. Algemene Ouderdomswet. ECLI:NL:CRVB:2021:795. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821. Vergelijk onder meer de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:197. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Algemene Verordening Gegevensbescherming). Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:2571. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583 en van 1 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:345. Zie ook EHRM Shackell t. VK,, appl. nr. 45851/99 en EHRM 12 december 2006, Burden and Burden t. VK, appl. nr. 13378/05, r.o. 60 en EHRM 29 april 2008, Burden t. VK, appl. nr. 13378/05, r.o. 63. Zie EHRM 16 mei 1985, F.P.J.M. Kleine Staarman t. Nederland, appl. nr. 10503/83 en recentelijk meer algemeen het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 juni 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:0627JUD002709420 (Nurcan Bayraktar tegen Turkije), r.o. 68 e.v. ECLI:NL:CRVB:2021:3355. Eerste Protocol bij het EVRM. Zie de uitspraak van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507. Zie de uitspraak van