Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-25
ECLI:NL:CRVB:2026:282
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:282 text/xml public 2026-03-31T10:25:49 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-25 25/244 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:282 text/html public 2026-03-16T13:22:52 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:282 Centrale Raad van Beroep , 25-02-2026 / 25/244 WMO15 Deze zaak gaat over de vraag of er in dit geval, waarin de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, ruimte is voor toepassing van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak. De Raad verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/244 WMO15 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2025, 24/4891 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) [betrokkene] (betrokkene) Datum uitspraak: 25 februari 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of er in dit geval, waarin de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, ruimte is voor toepassing van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak. De Raad verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam] een verweerschrift ingediend. Het college heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit. Voor betrokkene is [naam] verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren in 2009, is bekend met een verminderde mobiliteit, een psychische stoornis, gedragsstoornissen en een verstandelijke handicap en ondervindt daardoor beperkingen. Voor hem is op 26 maart 2024 een voorziening aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor het aanpassen van de tuin van het huis waarin hij sinds kort woont, nadat hij is verhuisd vanuit een bovenwoning. 1.2. Met een besluit van 28 mei 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van betrokkene afgewezen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat de gevraagde voorziening niet onder de Wmo 2015 valt, onderschreven. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd waarom het niet met toepassing van de hardheidsclausule uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) heeft besloten de gevraagde voorziening toch te verstrekken. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door met toepassing van de hardheidsclausule te bepalen dat het college aan betrokkene een bedrag van € 5.498,18 moet verstrekken. Het standpunt van het college 3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het college heeft aangevoerd dat er in dit geval geen ruimte is voor toetsing aan en toepassing van de hardheidsclausule, omdat de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. Voor zover dat anders is, heeft de rechtbank volgens het college een onjuiste, onvoldoende gemotiveerde beoordeling verricht en ten onrechte zelf in de zaak voorzien. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. In artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 4.2. In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. 4.3. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een maatwerkvoorziening als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van de zelfredzaamheid (...) of ten behoeve van participatie. 4.4. In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, verder bepaald dat onder zelfredzaamheid wordt verstaan “in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden” en onder participatie “deelnemen aan het maatschappelijke verkeer”. 4.5. In artikel 9.1 van de Verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 4.6. Nu het oordeel van de rechtbank dat de gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015 door partijen niet is bestreden, kan er in dit geval van worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. 4.7. De Verordening bevat voor de gevraagde voorziening uitsluitend regels die geen verruiming bieden ten opzichte van (de reikwijdte van) de Wmo 2015. De Verordening is gebaseerd op artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 en strekt tot uitvoering van de aldaar gegeven opdracht tot nadere normstelling in medebewind. De hardheidsclausule is derhalve niet bedoeld om die wettelijke reikwijdte te wijzigen. Dit valt ook af te leiden uit de tekst van de hardheidsclausule, waarin wordt bepaald dat deze slechts toepassing kan hebben in situaties van een ‘vastgestelde ondersteuningsbehoefte’. Bij het ontbreken van een definitie van dit begrip in de Verordening moet het er immers voor worden gehouden dat daarmee bedoeld is dat er een behoefte bestaat aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015. Eerder is aangegeven dat er in dit geval van moet worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. Van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 is dan ook geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de gevraagde voorziening niet heeft kunnen verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule. 4.8. Dit betekent dat wat het college verder heeft aangevoerd niet hoeft te worden besproken. Conclusie en gevolgen 4.9. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. 4.10. Het college heeft inmiddels uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak door aan betrokkene een bedrag van € 5.498,18 te verstrekken. Het college heeft laten weten dat betrokkene dit bedrag niet hoeft terug te betalen. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2024 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman De griffier is verhinderd te ondertekenen
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:282 text/xml public 2026-04-01T15:46:07 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-25 25/244 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl NJB 2026/667 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:282 text/html public 2026-03-16T13:22:52 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:282 Centrale Raad van Beroep , 25-02-2026 / 25/244 WMO15 Deze zaak gaat over de vraag of er in dit geval, waarin de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, ruimte is voor toepassing van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak. De Raad verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/244 WMO15 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2025, 24/4891 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) [betrokkene] (betrokkene) Datum uitspraak: 25 februari 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of er in dit geval, waarin de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, ruimte is voor toepassing van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak. De Raad verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam] een verweerschrift ingediend. Het college heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit. Voor betrokkene is [naam] verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren in 2009, is bekend met een verminderde mobiliteit, een psychische stoornis, gedragsstoornissen en een verstandelijke handicap en ondervindt daardoor beperkingen. Voor hem is op 26 maart 2024 een voorziening aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor het aanpassen van de tuin van het huis waarin hij sinds kort woont, nadat hij is verhuisd vanuit een bovenwoning. 1.2. Met een besluit van 28 mei 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van betrokkene afgewezen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat de gevraagde voorziening niet onder de Wmo 2015 valt, onderschreven. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd waarom het niet met toepassing van de hardheidsclausule uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) heeft besloten de gevraagde voorziening toch te verstrekken. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door met toepassing van de hardheidsclausule te bepalen dat het college aan betrokkene een bedrag van € 5.498,18 moet verstrekken. Het standpunt van het college 3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het college heeft aangevoerd dat er in dit geval geen ruimte is voor toetsing aan en toepassing van de hardheidsclausule, omdat de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. Voor zover dat anders is, heeft de rechtbank volgens het college een onjuiste, onvoldoende gemotiveerde beoordeling verricht en ten onrechte zelf in de zaak voorzien. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. In artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 4.2. In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. 4.3. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een maatwerkvoorziening als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van de zelfredzaamheid (...) of ten behoeve van participatie. 4.4. In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, verder bepaald dat onder zelfredzaamheid wordt verstaan “in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden” en onder participatie “deelnemen aan het maatschappelijke verkeer”. 4.5. In artikel 9.1 van de Verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 4.6. Nu het oordeel van de rechtbank dat de gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015 door partijen niet is bestreden, kan er in dit geval van worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. 4.7. De Verordening bevat voor de gevraagde voorziening uitsluitend regels die geen verruiming bieden ten opzichte van (de reikwijdte van) de Wmo 2015. De Verordening is gebaseerd op artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 en strekt tot uitvoering van de aldaar gegeven opdracht tot nadere normstelling in medebewind. De hardheidsclausule is derhalve niet bedoeld om die wettelijke reikwijdte te wijzigen. Dit valt ook af te leiden uit de tekst van de hardheidsclausule, waarin wordt bepaald dat deze slechts toepassing kan hebben in situaties van een ‘vastgestelde ondersteuningsbehoefte’. Bij het ontbreken van een definitie van dit begrip in de Verordening moet het er immers voor worden gehouden dat daarmee bedoeld is dat er een behoefte bestaat aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015. Eerder is aangegeven dat er in dit geval van moet worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. Van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 is dan ook geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de gevraagde voorziening niet heeft kunnen verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule. 4.8. Dit betekent dat wat het college verder heeft aangevoerd niet hoeft te worden besproken. Conclusie en gevolgen 4.9. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. 4.10. Het college heeft inmiddels uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak door aan betrokkene een bedrag van € 5.498,18 te verstrekken. Het college heeft laten weten dat betrokkene dit bedrag niet hoeft terug te betalen. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2024 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman De griffier is verhinderd te ondertekenen