Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-03
ECLI:NL:CRVB:2026:263
23/3368 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/3368 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 november 2023, 23/1882 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) Datum uitspraak: 3 maart 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstand en om de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand. Het college heeft bijstand toegekend vanaf de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De aanvragen om bijzondere bijstand heeft het college afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant wil dat aan hem met ingang van een eerdere datum bijstand wordt toegekend en voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens appellant kan het recht op bijzondere bijstand dan wel worden vastgesteld. Appellant krijgt geen gelijk. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. van Dijk. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Aanvraag algemene bijstand 1.1. Appellant heeft een eigen bedrijf en had dat ook al ten tijde hier van belang. Op 1 april 2022 is appellant op het inloopspreekuur van het dak- en thuislozenteam (inloopspreekuur) geweest met de intentie om een uitkering aan te vragen. Hij had op dat moment geen woonadres. Om die reden heeft hij zich met terugwerkende kracht tot 20 februari 2022 met een briefadres laten inschrijven op het adres van de daklozenopvang. 1.2. Op 26 april 2022 heeft appellant als gevestigd ondernemer een aanvraag om algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend, met als gewenste ingangsdatum 1 april 2022. Op het aanvraagformulier heeft appellant onder meer vermeld dat hij heeft geleefd van een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers en van inkomen uit zijn bedrijf. Als reden voor de gewenste ingangsdatum heeft appellant opgegeven: “In februari heb ik een aanvraag briefadres gestart. In maart heb ik een BBZ aanvraag gestart via W&I. Het briefadres is in april goedgekeurd. Mevrouw [X] is hiervan op de hoogte.” Met een brief van 3 mei 2022 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 18 mei 2022 een aantal nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder financiële gegevens van zijn bedrijf. Ook heeft een medewerker diverse keren geprobeerd telefonisch contact te krijgen met appellant, wat niet is gelukt. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. Met een besluit van 19 mei 2022 heeft het college de Bbz-aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 1.3. Appellant heeft op 4 juli 2022 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 april 2022. Appellant heeft op het formulier vermeld vanaf 1 april 2020 geen inkomsten meer te hebben en dat hij geld heeft geleend van vrienden. Als reden voor de gewenste ingangsdatum heeft appellant opgegeven: “In maart heb ik een aanvraag bijstand en biefadres bij het loket dak- en thuislozen gedaan Daar heb ik geen beslissing over ontvangen. Ik heb daarover contact gehad met mevr. [X]. In april heb ik bij bureau zelfstandigen Groningen een aanvraag gedaan voor een BBZ. Ik heb aangegeven niet over een postadres te beschikken met het verzoek om de communicatie daarom per mail te doen. Echter daar heb ik niks meer gehoord. Ik trek nu echt aan de bel want in de periode april tot heden heb ik geen inkomsten gehad en Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend die tot een beslissing had moeten leiden, of als is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Dit is vaste rechtspraak. 4.3. Appellant heeft aangevoerd dat om de volgende redenen in zijn geval zich bijzondere omstandigheden voordoen die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht tot 1 april 2022 rechtvaardigen. Appellant heeft zich tijdens het inloopspreekuur op 1 april 2022 gemeld om bijstand aan te vragen in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW. Hij heeft toen ook het aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering ingevuld. Appellant was daarom in de veronderstelling dat hij tijdens het inloopspreekuur een aanvraag had ingediend en dat hij enkel nog een briefadres moest regelen, waarna de aanvraag in behandeling zou worden genomen. Nadat appellant een briefadres had geregeld, kreeg hij te horen dat hij als zelfstandige een Bbz-uitkering moest aanvragen. Dit heeft appellant ook nog gedaan. Hij dacht dat zijn bijstandsaanvraag op dat moment ook nog in behandeling was bij het college. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis. 4.3.1. Vaststaat dat appellant op 1 april 2022 op het inloopspreekuur is geweest. Op dat moment had appellant geen woon- of verblijfadres en is hem geadviseerd om een briefadres aan te vragen. Alleen al om die reden kan van een melding op 1 april 2022 in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW geen sprake zijn geweest. Hij had immers geen adres dat geregistreerd kon worden. 4.3.2. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op 1 april 2022 op het inloopspreekuur een formulier voor het aanvragen van bijstand op grond van de PW heeft ingevuld en ingediend. De enkele stelling dat appellant dat heeft gedaan, zonder enige onderbouwing, volstaat niet, te meer omdat het college betwist dat appellant een aanvraagformulier heeft ingediend en dat formulier niet bij de stukken zit. 4.3.3. Vaststaat dat appellant op 26 april 2022 een Bbz-aanvraag heeft ingediend. Appellant stelt wel dat hij naast die aanvraag ook nog een aanvraag om bijstand op grond van de PW heeft ingediend en daarmee, zoals hij ter zitting heeft betoogd, op twee paarden wilde wedden, maar heeft voor die stelling geen begin van bewijs geleverd. 4.3.4. Dit alles nog daargelaten dat appellant zelf op 26 april 2022 een Bbz-aanvraag heeft ingediend en vervolgens, ook na de buiten behandelingstelling van die aanvraag, tot 4 juli 2022 heeft gewacht om een aanvraag om bijstand op grond van de PW in te dienen. Afwijzing aanvragen bijzondere bijstand 4.4. Zoals ter zitting is vastgesteld, heeft appellant met zijn beroepsgrond dat hij recht op bijzondere bijstand heeft, omdat hij vanaf 1 april 2022 recht op algemene bijstand heeft, geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd over de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand. Die afwijzingen hoeven dus niet te worden besproken. Conclusie en gevolgen 4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ingangsdatum van de algemene bijstand en de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijven. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. (getekend) W.F. Claessens (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Artikel 44 van de Participatiewet, zoals dit artikel luidde voor 1 januari 2026 1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijs