Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-03
ECLI:NL:CRVB:2026:262
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1145 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 april 2024, 22/5024 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 3 maart 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij meerdere bijschrijvingen en stortingen op zijn bankrekening in twee perioden in 2020 niet heeft gemeld. Ook heeft hij niet bij het college gemeld dat hij vanaf 3 februari 2021 op het adres van zijn ex-echtgenote zijn hoofdverblijf had, terwijl zij samen kinderen hebben, en daardoor een gezamenlijke huishouding met haar voerde. Hierdoor heeft appellant geen recht op bijstand. Appellant is het daarmee niet eens, maar krijgt geen gelijk. Ook is hij het niet eens met de brutering van de terugvordering over 2020, maar ook daarin krijgt hij geen gelijk. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van der Zwart. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontving sinds 14 februari 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande zonder woonkosten (thuis- of daklozenuitkering) op grond van de Participatiewet (PW). 1.2. Op 4 januari 2021 heeft een gesprek met de zoon van appellant plaatsgevonden in het kader van een aanvraag om bijstand van zijn zoon. Zijn zoon heeft onder andere verklaard dat appellant de bankpas van zijn moeder, de ex-echtgenote van appellant, gebruikt. Het college heeft naar aanleiding daarvan dossieronderzoek verricht en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 16 november 2021. 1.3. Appellant heeft op 16 november 2021 een verklaring afgelegd en heeft daarbij meerdere stukken ingeleverd, waaronder bankafschriften over de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij vanaf 3 februari 2021 op adres X van zijn ex-echtgenote in [woonplaats] verblijft. Hij moet daar van de rechter verplicht wonen om voor de politie bereikbaar te zijn. Verder heeft hij verklaard dat hij daar een eigen kamer heeft met een kast waarin zijn kleding ligt, dat zijn administratie in een kast in een andere kamer ligt en dat hij vanaf februari 2021 een sleutel van de woning heeft. 1.4. Vervolgens heeft de afdeling Handhaving & Fraude van de gemeente Den Haag onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 november 2021. Op 22 november 2021 zijn de resultaten van dit onderzoek met appellant besproken. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant over de periode 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 en van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020 stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen. Daarnaast is gebleken dat appellant op 3 februari 2021 is aangehouden op adres X in verband met een Europees aanhoudingsbevel van de Duitse autoriteiten voor strafrechtelijk onderzoek, dat hij van 3 februari 2021 tot en met 8 februari 2021 in overleveringsbewaring heeft gezeten en dat uit een bevel schorsing overleveringsbewaring van de rechtercommissaris van de rechtbank blijkt dat als schorsingsvoorwaarde is gesteld dat appellant zal verblijven op adres X. 1.5. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 25 november 2021 de bijstand van appellant over de periodes van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 (periode 1), van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020 (periode 2) en met in Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. 4.3.2. Appellant heeft bij de door hem genoemde stortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de gestorte bedragen (deels) afkomstig zijn van zijn eigen rekening, waarvan appellant de bedragen eerder had opgenomen. Uit eerdere rechtspraak volgt dat daarbij van betekenis is of voldoende rechtstreeks verband is te zien tussen de opnames en stortingen, zowel in tijd als in omvang van de afzonderlijke bedragen. In dit geval bestaat onvoldoende rechtstreeks verband om aan te nemen dat de op de bankrekening van appellant gestorte bedragen (deels) de bedragen zijn die appellant eerder had opgenomen. Appellant heeft op 23 juli 2020 een bedrag opgenomen van € 800,- en op 29 juli 2020 € 300,- en € 200,- gestort. Het opgenomen bedrag komt dus niet overeen met de gestorte bedragen en er zitten zes dagen tussen de opname en storting. Niet duidelijk is dus of het geld dat is gestort direct afkomstig is van het opgenomen bedrag. Ook het gestorte bedrag op 27 september 2020 van € 1.120,- verschilt van het opgenomen bedrag, nu de opnames op 25 en 26 september een bedrag van in totaal € 1.750,- betreffen. Appellant heeft verder weliswaar op 6 december 2020 € 150,- en € 50,- gepind en op 8 december 2020 € 200,- gestort, maar ook hier is onduidelijk of dat geld direct afkomstig is van zijn eigen rekening. Bovendien lijken de op 6 december 2020 gepinde bedragen betrekking te hebben op een eerdere storting op 6 december 2020 van € 200,-. De Raad merkt hierbij op dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij vaak geld opnam om daarmee te gokken en het daarna weer terugstortte. Van de overige gestorte en bijgeschreven bedragen in periode 1 en 2 heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt wat de herkomst was. Het college heeft de gestorte en bijgeschreven bedragen in die periodes dan ook terecht als inkomsten aangemerkt. 4.3.3. Uit 4.3.2 volgt dat appellant in periode 1 en 2 inkomsten had. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college, zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat het gaat om inkomsten boven de bijstandsnorm had appellant geen recht op bijstand over die periodes. Gezamenlijke huishouding 4.4. Appellant heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hij had zijn hoofdverblijf niet in de woning van zijn ex-echtgenote. Hij moest op dat adres verblijven in verband met de door de rechter-commissaris opgelegde schorsingsvoorwaarden, maar hij verbleef ook bij familie. Hiervan heeft hij in bezwaar twee verklaringen overgelegd. Hij had een postadres waar hij zijn post kreeg. Ook was zijn exechtgenote vaak in Turkije. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. 4.4.1. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4.4.2. Vaststaat dat uit het huwelijk van appellant en zijn ex-echtgenote kinderen zijn geboren. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is dan voor de beantwoording van de vraag of appellant en zijn ex-vrouw een gezamenlijke huishouding voerden daarom, anders dan in 4.4.1 vermeld, slechts bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. 4.4.3. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat betrokkenen op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit of zij stonden ingeschreven op verschillende adressen. 4.4.4. Va Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW. 4.6.2. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. 4.6.3. Wat appellant heeft aangevoerd heeft het college bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor heeft het college van belang geacht dat de terugvordering niet door toedoen van het college is ontstaan of opgelopen, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Dat appellant geen inkomen heeft, is geen gevolg van de terugvordering. Verder heeft appellant bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke bescherming hij ook kan inroepen als het college een te lage beslagvrije voet zou hanteren. Dat appellant gokverslaafd is maakt het voorgaande niet anders. Conclusie en gevolgen 4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering en brutering in stand blijven. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) C.C.M. van 't Hol Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Participatiewet Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a Op grond van de PW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Artikel 3, derde lid Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Artikel 17, eerste lid De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 54, derde lid Het college trekt een besluit tot toekenning van bi