Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-08
ECLI:NL:CRVB:2026:26
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2025, 24/2675 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2015 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 3 oktober 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van panhypopituïtarisme (hormoonuitval). Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van internist-endocrinologen uit 2018, 2019 en 2022, van de huisarts uit 2020, van (GZ-)psychologen uit 2021 en een medicatielijst uit 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante tussen haar achttiende verjaardag en vijf jaar daarna arbeidsvermogen heeft gehad, terwijl op haar achttiende verjaardag sprake was van beperkingen door ziekte of gebrek. Appellante heeft haar arbeidsvermogen na haar 23e verjaardag verloren. Met een besluit van 28 december 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 7 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante haar arbeidsvermogen (arbitrair) per 1 juli 2022 heeft verloren, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. In de rapporten van het Uwv is op goede gronden vastgesteld dat bij appellante in de periode van [geboortedatum] 2015 tot 1 juli 2020 niet kan worden gesproken van afwezigheid van arbeidsvermogen op medische gronden. Appellante heeft in deze periode een MBOopleiding afgerond, van twee HBO-studies een propedeuse behaald en parttime werkzaamheden verricht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was appellante ondanks haar belemmeringen in het dagelijks functioneren op haar achttiende en 23e in staat gedurende ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar. Hieruit heeft het Uwv kunnen concluderen dat de mogelijkheden voor arbeidsparticipatie niet geheel ontbreken. 2.2. Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden vanwege de spanning en stress van een mogelijke Addisoncrisis. Van een werkgever kan dan niet worden verwacht dat er binnen een half uur de nodige medis Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018 , en 16 januari 2019 . 3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op haar achttiende verjaardag beperkingen ondervond als gevolg van de aangeboren aandoening panhypopituïtarisme. Evenmin is in geschil dat de te beoordelen periode loopt vanaf de achttienjarige leeftijd van appellante, [geboortedatum] 2015, tot vijf jaar daarna, [geboortedatum] 2020. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in deze periode arbeidsvermogen had. 3.4. De aanvraag van appellante moet beschouwd worden als een laattijdige aanvraag. Dit brengt mee dat de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij appellante ligt. Het is dus aan haar om haar standpunt met stukken te onderbouwen. Voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van appellante op de van belang zijnde data en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, komen deze omstandigheden voor risico van appellante. 3.5. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat tussen appellantes achttiende en 23e verjaardag geen objectiveerbare medische gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat er toen sprake was van langdurige intensieve behandeling of opname. Evenmin was sprake van langdurige uitval van de studie vanwege klachten en beperkingen door de panhypopituïtarisme, waaruit zou blijken dat appellante niet belastbaar zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarbij op gewezen dat appellante diverse hormoonsuppleties krijgt waarbij er volgens de internist-endocrinoloog een zo goed mogelijke aanvulling van het tekort aan hormonen wordt nagestreefd en appellante de orale inname van hydrocortison zelf kan beïnvloeden door zo nodig meer in te nemen. Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat zij op achttienjarige leeftijd door de panhypopituïtarisme en psychische klachten aanzienlijk ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen en dat zij daardoor toen ook (duurzaam) geen arbeidsvermogen had, is niet nader onderbouwd aan de hand van objectief-medische gegevens. Verder heeft ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat appellante in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte. Het overzicht van doorlopen studies, het behaalde MBO-diploma, de behaalde HBO-propedeuses en het overzicht aan bijbaantjes naast de studie is hem dermate substantieel dat overtuigend is aangetoond dat appellante over werknemersvaardigheden beschikte. De niet onderbouwde stelling dat appellantes partner haar werkzaamheden bij een van deze dienstverbanden gedeeltelijk heeft overgenomen, biedt onvoldoende aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. 3.6. Voorts wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar standpunt dat er medisch gezien geen reden is dat appellante in de relevante periode onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding diende te staan. En ook als continu toezicht noodzakelijk is, betekent dat niet dat van arbeidsvermogen geen sprake kan zijn. Er zijn ten slotte geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat appellante ten tijde van belang zodanig wisselend belastbaar moest worden geacht dat zij niet beschikte over benutbare mogelijkheden dan wel dat sprake was van een te hoog verzuimrisico. 3.7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op [geboortedatum] 2015 en in de vijf jaar daarna beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven. Conclusie en gevolgen 4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Di