Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-05
ECLI:NL:CRVB:2026:259
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
907 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:259 text/xml public 2026-03-30T11:54:02 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-05 25/349 WIA Uitspraak Hoger beroep Proceskostenveroordeling NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:386, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:259 text/html public 2026-03-11T12:34:39 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:259 Centrale Raad van Beroep , 05-03-2026 / 25/349 WIA Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/349 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2025, 23/3639 (aangevallen uitspraak) Partijen: [naam] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 maart 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. V.A.M. Vos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en op 14 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met een proceskostenveroordeling in hoger beroep. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 januari 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv door de rechtbank al is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van beroep en het Uwv in het besluit van 14 januari 2026 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026. (getekend) T. Dompeling (getekend) M.G.J. van Eck