Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-05
ECLI:NL:CRVB:2026:256
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,110 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:256 text/xml public 2026-03-30T11:33:04 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-05 23/2780 ZW Uitspraak Hoger beroep Proceskostenveroordeling NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5905, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:256 text/html public 2026-03-11T12:31:08 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:256 Centrale Raad van Beroep , 05-03-2026 / 23/2780 ZW Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/2780 ZW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 augustus 2023, 22/2484 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 maart 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft op 26 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet per 28 augustus 2021 voortgezet. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit. Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Totaal € 3.200,-. De kosten die appellante in beroep heeft moeten maken, zijn al vergoed. Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen word verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven; veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.200,-; bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,-vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) M.G.J. van Eck CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.