Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-04
ECLI:NL:CRVB:2026:242
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,044 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:242 text/xml public 2026-03-30T11:41:02 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-04 25/643 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:1556, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:242 text/html public 2026-03-10T10:16:44 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:242 Centrale Raad van Beroep , 04-03-2026 / 25/643 ZW Afwijzing aanvraag ZW-uitkering. Appellant was op zijn eerste ziektedag niet verzekerd voor de Ziektewet omdat zijn dienstverband pas na die datum in zou gaan. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden een ZW-uitkering. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/643 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2025, 24/3440 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 maart 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de aanvraag om een ZW-uitkering heeft geweigerd. Volgens appellant was hij per datum ziekmelding op 1 november 2022 verzekerd voor de ZW. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ter Brinke. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt tot 3 augustus 2022. Op 25 oktober 2022 heeft appellant een contract getekend, inhoudende dat hij met ingang van 1 november 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst treedt bij de (ex)werkgever. Per 26 oktober 2022 is hij in verband met een liesbreuk geopereerd. Het betrof een dagopname. Bij mail van 30 oktober 2022 heeft appellant werkgever geïnformeerd over de operatie. Een dag later heeft appellant de (ex)werkgever per mail geïnformeerd over complicaties en kenbaar gemaakt niet op zijn eerste werkdag op 1 november 2022 te kunnen starten. Per 31 oktober 2022 is appellant nogmaals geopereerd. Bij brief van 2 november 2022 heeft de (ex)werkgever het dienstverband binnen de proeftijd opgezegd en het loon over twee dagen betaald. Met een besluit van 30 oktober 2023 heeft het Uwv de aanvraag om uitkering van appellant afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant heeft namelijk geen dienstverband (meer) en is daarom niet verzekerd voor de ZW. 1.2. Bij besluit van 21 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de hoorzitting naar voren is gekomen dat – na de dagopname op 26 oktober 2022 – de eerste dag van opname 31 oktober 2022 is, en dat die dag daarom als eerste ziektedag moet worden beschouwd. Appellant heeft zich ook ziekgemeld op die dag. Op die datum was appellant nog niet in dienst van de (ex)werkgever. Verder is vastgesteld dat appellant niet in de vier weken voor de eerste ziektedag in een dienstverband werkzaam is geweest of een uitkering heeft genoten. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht heeft op een ZW-uitkering. 2.1. Eén van de voorwaarden voor recht op een ZW-uitkering is dat diegene op de datum met ingang waarvan hij ziek is geworden (de eerste ziektedag) verzekerd is voor de ZW. Werknemers in de zin van de ZW zijn verzekerd. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Ook degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, heeft tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven. Uit de stukken in het dossier blijkt dat appellant laatstelijk tot 3 augustus 2022 een eerder dienstverband had en dus werknemer was. Appellant heeft niet gesteld dat hij binnen dat dienstverband of binnen vier weken na het einde daarvan ongeschikt is geworden voor werk. Deze periode is daarom niet van belang en blijft buiten beschouwing. Vanaf 1 november 2022 was (weer) sprake van werknemerschap en dus van verzekerd zijn voor de ZW. De rechtbank stelt echter vast dat appellants eerste ziektedag in de zin van de ZW vóór 1 november 2022 lag vanwege de operatie op 26 oktober 2022 en de daarop gevolgde complicaties. Op die eerste ziektedag was appellant geen werknemer en dus niet verzekerd voor de ZW. 2.2. De stelling van appellant dat hij recht heeft op toekenning van ziekengeld in verband met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Appellant is niet – anders dan gesteld – een paar uur voor aanvang van zijn dienstverband ziek geworden, maar heeft werkgever op 31 oktober 2022 in de ochtend geïnformeerd over het niet kunnen starten van de werkzaamheden. Bovendien is artikel 3 van de ZW een dwingendrechtelijke bepaling waarvan niet met een beroep op het evenredigheidsbeginsel kan worden afgeweken. Het Uwv heeft terecht de aanvraag om ziekengeld afgewezen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat er situaties denkbaar moeten zijn waardoor appellant toch in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Appellant heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van 18 juli 2024. Daarin is onder rechtsoverweging 2.1. opgenomen: “Het Uwv heeft toegelicht dat slechts in het geval dat iemand niet verzekerd is voor de ZW en dan vlak voordat een (nieuwe) verzekering zou ingaan ziek wordt, er een ZW-recht zou kunnen ontstaan zonder dat er is gewerkt.” Deze situatie is volgens appellant volledig vergelijkbaar met zijn situatie. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Appellant heeft in hoger beroep de gronden van beroep in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden besproken en is tot de slotsom gekomen dat deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid zijn juist en worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 5.2. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de situatie van appellant volledig vergelijkbaar is met de situatie als genoemd in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2024 en dat hieruit volgt dat ook in de situatie dat het dienstverband nog geen aanvang had genomen, recht op ziekengeld kan ontstaan. Het Uwv heeft toegelicht dat het een andere situatie betrof, namelijk een betrokkene die op weg naar zijn werk door een ongeval ongeschikt werd en daardoor niet met zijn werkzaamheden kon starten. In een dergelijk geval is de betrokkene al wel verzekerd voor de ZW. Die situatie is hier niet aan de orde, omdat de ongeschiktheid in het geval van appellant is ingetreden vòòr de dag dat het dienstverband van appellant, en daarmee de verzekering voor de ZW, zou starten. 5.3. De nadere stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden maken de beoordeling niet anders.