Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-25
ECLI:NL:CRVB:2026:235
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,037 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:235 text/xml public 2026-03-20T09:26:42 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-25 25/633 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:235 text/html public 2026-03-01T15:57:53 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:235 Centrale Raad van Beroep , 25-02-2026 / 25/633 WIA Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De voorgehouden functies overschrijden de mogelijkheden van appellant niet. 25/633 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/633 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, 24/462 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 februari 2026 SAMENVATTNG Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [naam x] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingestuurd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Namens appellant is [naam x] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant, die werkzaam was als logistiek medewerker voor 40 uur per week, heeft zich op 28 juli 2020 ziekgemeld met hoofdklachten. Vanaf 1 september 2020 ontving appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), die op 15 maart 2021 is beëindigd omdat hij zich hersteld heeft gemeld en is gaan werken bij een andere werkgever. Vervolgens heeft appellant zich op 9 april 2021 ziekgemeld, waarvoor hij vanaf 17 mei 2021 een ZW-uitkering ontving. Op 2 augustus 2021 is appellant weer gaan werken bij een andere werkgever, waar hij zich op 11 augustus 2021 ziek heeft gemeld. Aan appellant is opnieuw, vanaf 13 augustus 2021, een ZW-uitkering toegekend. 1.2. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. In zijn rapport van 8 mei 2023 heeft deze arts vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden (GBM), dat zijn klachten plausibel en consistent zijn met het dagverhaal, dat de klachten een rechtstreeks gevolg zijn van ziekte of gebrek en dat de klachten medisch niet evident objectiveerbaar zijn. Deze Uwv-arts heeft appellant aangewezen geacht op neksparend werk, waarbij rekening wordt gehouden met een verhoogd afbreukrisico en beperkt geacht voor deadlines en een lawaaierige werkomgeving. De beperkingen heeft de Uwv-arts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 9 mei 2023 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk als logistiek medewerker, vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. 1.3. Bij besluit van 17 mei 2023 (primair besluit 1) is de ZW-uitkering van appellant per 20 augustus 2022 beëindigd vanwege het bereiken van 104 weken ziekte. 1.4. Bij besluit van 10 mei 2023 (primair besluit 2) heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 20 augustus 2022 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.5. De bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 heeft het Uwv bij het besluit van 6 december 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 december 2023. 1.6. Appellant heeft beroep ingesteld. Het oordeel van de rechtbank 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de beëindiging van de ZW-uitkering ongegrond verklaard, het beroep voor zover dat ziet op de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022 gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Verder heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd in stand gelaten. 2.2. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 21 augustus 2022 beëindigd, omdat de 104 weken van ZW-uitkering was bereikt. Op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW, worden perioden van ongeschiktheid, als deze elkaar opvolgen met een onderbreking van minder dan vier weken, samengeteld. Niet in geschil is de wijze waarop het Uwv de perioden met onderbrekingen van minder dan vier weken heeft samengeteld en dat de laatste dag van de 104 weken termijn is vastgesteld op 20 augustus 2022. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit – voor zover dat ziet op de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022 – niet deugdelijk is gemotiveerd en niet voldoende zorgvuldig is. Dit omdat als de verzekeringsarts bezwaar en beroep een fysiek spreekuur geïndiceerd acht als hij appellant niet heeft gezien, hij geen medisch oordeel kan geven over het primaire medische standpunt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep heeft de rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. 2.4. Het Uwv heeft met het verweerschrift en het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2024 voldoende toegelicht dat – ondanks het ontbreken van een spreekuurcontact met een verzekeringsarts – het medisch onderzoek deugdelijk en zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat op grond van de anamnese en het dagverhaal bij het primaire onderzoek terecht is geoordeeld dat geen sprake was van een situatie van GBM zodat een FML opgesteld diende te worden. De primaire Uwv-arts was bekend met de medische feiten waaronder poliklinische recepten, patiëntenbijsluiters, brieven van [klinieken], het verslag van de KNO-arts van 25 januari 2023 en een opnameverslag van 23 juni 2021 in Griekenland. Deze informatie heeft hij bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat met de vastgestelde nekbeperkingen in de FML van 8 mei 2023 voldoende rekening is gehouden met de uitslag van [klinieken] van 8 april 2024. Uit de overige in beroep overgelegde informatie, van onder meer de chiropracticer van 8 mei 2024 zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gekomen om meer beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat het onderzoek van de primaire arts conform de richtlijn Rapportageprotocol verzekeringsgeneeskunde van maart 1999 is gedaan. Ook heeft hij toegelicht dat uit de medische stukken blijkt dat de specialisten van appellant ook moeite hebben gehad om voor appellant de juiste diagnose vast te stellen. Een onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zal daarom in dit specifieke geval geen meerwaarde hebben wegens de beperkte onderzoeksmiddelen waarover de verzekeringsarts beschikt in de spreekkamer op het Uwv kantoor. Het medisch oordeel zal dus gebaseerd moeten worden op beschikbare gegevens en de anamnese. Nu appellant al volledig onderzocht werd tijdens het spreekuur van de primaire Uwv-arts, zou een medisch anamnestisch en een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullende medische feiten aan het licht hebben kunnen brengen. Het Uwv heeft voldoende toegelicht waarom het medisch onderzoek, waarbij appellant niet is onderzocht door een verzekeringsarts, in dit geval niet leidt tot een andere uitkomst. 2.5.