Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-25
ECLI:NL:CRVB:2026:215
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
839 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:215 text/xml public 2026-02-27T10:45:22 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-25 25/1553 WAO Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:215 text/html public 2026-02-27T10:44:47 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:215 Centrale Raad van Beroep , 25-02-2026 / 25/1553 WAO Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2025, SHE 25/679 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 februari 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij brief van 2 augustus 2025 is appellante erop gewezen dat een griffierecht van €143,00 is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Appellante heeft op 15 augustus 2025 een verzoek om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht ingediend. Dit verzoek is per 14 oktober 2025 afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarden voldeed. Bij aangetekende brief van 15 oktober 2025 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M . Rijnbeek in tegenwoordigheid van E.J.E. Veldhuizen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026. (getekend) mr. F.M . Rijnbeek (getekend) E.J.E. Veldhuizen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.