Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-02-19
ECLI:NL:CRVB:2026:188
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/3030 WSF Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2023, 23/680 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 19 februari 2026 SAMENVATTING Met de rechtbank wordt vastgesteld dat er geen reden is om uit te gaan van een aanvraag voor een reisvoorziening op 20 december 2020 met als gevolg dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb door de rechtbank terecht is afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend, waarop namens appellante is gereageerd . De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Appellante is niet verschenen. Namens de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante is niet-Nederlands Unieburger. Zij heeft op 20 december 2020 met ingang van 1 januari 2021 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aangevraagd voor haar wo-masteropleiding Artificial Intelligence, in de vorm van een aanvullende beurs. 1.2. Met een besluit van 10 januari 2021 heeft de minister de aanvraag alleen voor de maand januari 2021 toegewezen. Na bezwaar is de afwijzing van de aanvraag voor het overige gehandhaafd. Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister de aanvraag voor een aanvullende beurs alsnog voor de maanden februari 2021 tot en met april 2021 toegewezen. Hierna heeft appellante het beroep ingetrokken. De minister heeft (onder meer) de kosten in bezwaar vergoed. 1.3. Appellante heeft op 1 april 2021 een reisvoorziening in de vorm van een reisrecht aangevraagd. Met een besluit van 15 juni 2021 heeft de minister deze aanvraag over de periode april 2021 tot en met december 2021 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. 1.4. Door middel van een formulier ‘Aanvraag Schadevergoeding studentenreisproduct’ heeft appellante op 29 juli 2022 verzocht om toekenning van schadevergoeding omdat pas achteraf is vastgesteld dat zij over de periode van januari 2021 tot en met april 2021 recht had op studiefinanciering. Hierdoor heeft appellante in die periode geen gebruik kunnen maken van haar reisrecht. 1.5. Met een besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.6. Met een besluit van 20 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2022 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een geval waarin aanleiding bestaat voor toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 3:29, eerste lid, van de Wsf 2000. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er ook geen grond bestaat voor vergoeding van schade in de zin van artikel 8:88 van de Awb omdat appellante eerst op 1 april 2021 een reisvoorziening heeft aangevraagd. Appellante wordt niet gevolgd in haar enkele stelling dat het voor haar niet mogelijk was om, naast de aanvullende beurs, ook het reisrecht op 20 december 2020 aan te vragen, te meer nu zij op 1 april 2021 kennelijk wel een reisrecht kon aanvragen. Niet gebleken is bovendien dat appellante destijds contact heeft gezocht met DUO over problemen bij het indienen van haar aanvraag. Verder heeft appellante in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de eerdere gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van 20 december 2020 niet gerept over problemen met het aanvragen van het reisrecht. Het standpunt van appellante 3.1. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88