Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-02-19
ECLI:NL:CRVB:2026:181
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/2177 WSF, 23/2179 WSF Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2023, 22/687 en 22/1706 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 19 februari 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat om het weigeren van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank: dat appellant het genomen besluit onjuist of onvolledig vindt maakt niet dat het besluit niet tijdig is genomen. Verder oordeelt de Raad dat het al dan niet daadwerkelijk overgaan tot betaling ter uitvoering van een veroordeling tot betaling van het griffierecht niet bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld. Appellant krijgt dus geen gelijk. Appellant krijgt ook geen schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. PROCESVERLOOP Namens appellant hebben [naam 1] en [naam 2] , ouders van appellant, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Aan appellant is bij besluit van 26 februari 2020 voor de periode van september tot en met december 2020 een aanvullende beurs in de vorm van een gift toegekend op grond van de Wsf 2000 in verband met de door hem gevolgde hbo-bacheloropleiding International Business aan de Hanzehogeschool Groningen. De studiefinanciering is per 1 november 2020 op verzoek van appellant stopgezet omdat hij zich heeft uitgeschreven van zijn studie. 1.2. Bij besluit van 15 februari 2021 is aan appellant medegedeeld dat de terugbetalingsperiode voor zijn studieschuld is aangevangen op 1 januari 2021. Daarbij is vermeld dat appellant in de eerste 24 maanden van de terugbetalingsperiode, de zogenoemde aanloopfase, zijn studieschuld nog niet hoeft af te lossen. 1.3. Op 8 augustus 2021 heeft appellant opnieuw studiefinanciering aangevraagd. Met een besluit van 24 augustus 2021 (besluit 1) heeft de minister appellant medegedeeld dat hij recht heeft op een aanvullende beurs, over september tot met november 2021 in de vorm van een gift en over december 2021 in de vorm van een prestatiebeurs. 1.4. Met een besluit van 12 oktober 2021 (besluit 2) heeft de minister aan appellant over het jaar 2022 een aanvullende beurs toegekend ten bedrage van € 0,- en een reisvoorziening, beiden in de vorm van een prestatiebeurs. Met een besluit van 27 oktober 2021 (besluit 3) heeft de minister over het jaar 2022 de aanvullende beurs herzien naar € 216,14 per maand. 1.5. Appellant heeft op 20 november 2021 bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 tot en met 3. Daarbij is ook bezwaar gemaakt tegen de voor appellant nog resterende studiefinancieringsrechten zoals deze vermeld stonden in een overzicht van de maand november 2021 op ‘Mijn DUO’, waarvan appellant een schermafdruk heeft gemaakt en met zijn bezwaar heeft meegezonden (hierna: schermafdruk november 2021). 1.6. Met een besluit van 6 november 2021 (besluit 4) heeft de minister medegedeeld dat appellant over het jaar 2022 geen studieschuld hoeft af te lossen vanwege het starten van een nieuwe studie. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.7. Bij besluit van 22 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft de minister de bezwaren tegen besluit 1, besluit 3 en de schermafdruk van november 2021 nietontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. De minister stelt vast dat het bezwaar tegen besluit 1 te laat is ingediend en bepaalt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijdin Dat de minister in bestreden besluit 2 volgens appellant niet op alle relevante punten is ingegaan kan niet aan deze conclusie afdoen. De dwangsom wegens niet tijdig beslissen ziet erop de minister te bewegen tot besluitvorming. De rechtsmiddelen van bezwaar en beroep kunnen worden aangewend wanneer men het met de inhoud van die besluitvorming niet eens is. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met een deel van de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Omvang van het geding bij de Raad 4.1. Bij brief van 26 november 2025 heeft appellant nadere stukken ingediend. Appellant heeft in een begeleidende brief geschreven dat de stukken ter context zijn bijgevoegd en geen nieuwe hoger beroepsgronden bevatten. Vast staat dat deze brief met bijbehorende stukken niet binnen de termijn van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb zijn ingediend. Voor het antwoord op de vraag of het overleggen van stukken in strijd is met de goede procesorde is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. In dit geval is niet duidelijk hoe de stukken zich verhouden met wat appellant in deze procedure blijkens zijn hoger beroepsgronden ter discussie beoogd te stellen. Appellant is ook niet op de zitting verschenen, zodat een nadere toelichting daarop ontbreekt. Dat betekent in dit geval dat de goede procesorde zich ertegen verzet om deze stukken toe te laten. De Raad laat de brief en de daarbij behorende stukken daarom buiten beschouwing. De minister heeft geen dwangsom verbeurd 4.2. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat de minister meerdere keren heeft geweigerd tijdig te beslissen, ondanks de ingebrekestellingen. Appellant heeft recht op de door de minister verbeurde dwangsommen wegens het niet-tijdig beslissen. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant beperkt is tot het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 3. De Raad vat, gelet op het dossier en het bij de rechtbank verhandelde, de grond zo op dat appellant vindt dat als de minister naar oordeel van appellant onjuist heeft beslist, of niet alle gronden van bezwaar heeft besproken, dat gelijkgesteld moet worden met het geheel niet beslissen. Daarom is de minister volgens appellant vanwege niet tijdig beslissen een dwangsom verschuldigd. Wat appellant aanvoert is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat standpunt niet leidt tot vernietiging van bestreden besluit 3. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals weergegeven onder 2.2, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het uitblijven van de betaling naar aanleiding van een veroordeling tot het betalen van het griffierecht kan niet bij de bestuursrechter ter discussie worden gesteld 4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat de minister zijn betalingsverplichtingen uit eerdere rechterlijke uitspraken niet (tijdig) heeft uitgevoerd. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. 4.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. De aangevallen uitspraak levert ingevolge artikel 8:76 van de Awb een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Rv kan worden tenuitvoergelegd. Dit brengt mee dat de daadwerkelijke betaling van het griffierecht die de minister volgens de uitspraak van de rechtbank